Zwart wit - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Zwart wit - Mijn Kort Verhaal

Anna Visser

15 jaar - VWO

6
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Anna Visser (15 jaar)

? stemmen

Zwart wit

Ik hoor voetstappen. Ik sta onder een soort afdakje. Naast me liggen opgestapelde houtblokken. De voetstappen worden steeds luider. Hij staat boven me! Mijn hart gaat als een gek tekeer. SHIT! Ik kijk omheen, het duizelt voor mijn ogen, wit, wit en nog meer wit. Langzaam wordt het beeld scherper. Een schep! Er staat een schep naast de houtblokken. Voetje voor voetje schuif ik naar de schep toe. Geen geluid maken. Ik schuif nog een beetje naar voren. Voorzichtig steek ik mijn hand naar voren. Mijn vingers glijden over de ruwe steel van de schep. Bijna. Nog een paar millimeter. Langzaam kantelt de schep. Niet vallen. Met mijn gedachtes beweeg ik de schep naar mijn hand toe. Yes. Ik heb hem.  Rampscenario’s komen in me op, straks wordt het alleen maar erger. Ophouden nu. Ik schuif onder het afdak vandaan en kijk naar boven. Waar is hij? Waar is hij gebleven? Een vogeltje hupt over het afdak. Was jij het maar. Een zucht van opluchting verlaat mijn lichaam. een harde klap verstoort mijn rust. Langzaam wordt alles zwart.

Ik staar naar buiten. Mijn ouders zijn niet thuis en  vrienden heb ik niet meer. Kleine sneeuwvlokjes vallen naar beneden, allemaal tegelijk, maar toch één voor één. Was ik maar net zoals iedereen. Langzaam vormen de sneeuwvlokjes een grote witte massa. Waarom moet ik anders zijn? Mensen lopen met hun kinderen over de witte massa. Vanuit mijn ooghoek zie ik jou staan. Je zwarte haar zit onder de witte vlokjes. Zwart, wit. Je haar wordt beetje bij beetje witter. Ik schrik op van een rinkelend geluid. Telefoon. De telefoon haal ik van de hoorn. ´hallo´ ´Manon ik weet dat je me hoort. Zeg nou wat!` ´hou-i´ ik schrik van mijn eigen stem. ´Je bent nog niet van me af´. De verbinding wordt verbroken. Mijn handen worden klam, de hoorn glijdt uit mijn hand en komt met een harde klap op de grond terecht. Nee, denk ik. Nee, nee, nee dit kan niet! Na alles, hij is terug. Als verdoofd  staar ik naar de telefoon, waar ik net nog zijn stem uit heb gehoord. Ik laat me voorzichtig op de grond zakken.

Langzaam kom ik bij. Alles is zwart. Een zwaar gehijg vormt een klamme plek in mijn nek. Voorzichtig draai ik mijn hoofd, om te kijken waar het gehijg vandaan komt. Ik schrik van de krakende stem. ´Zo, zo, zo. Manon is wakker. Dacht je nou echt dat je me kon verslaan met een schep?` Ik moet hier weg. Ik draai mijn hoofd om. Daar zit hij. Een grote man, zijn benen slungelig lang, een gespierd bovenlijf en een vierkant hoofd. ´HA HA HA´ . ´Klootzak´ roep ik, mijn stem slaat over. ´DENK MAAR NIET DAT JE ME HIER VAST KAN HOUDEN! IK BEL DE POLITIE´ Had ik dat wel moeten zeggen?  Veel tijd heb ik niet om na te denken. Hij komt mijn kant op Ik schiet in de paniek. Zweetdruppeltjes lopen over mijn rug naar beneden. ´Ik zorg er voor dat je nooit meer praat´. Ik probeer op te staan, maar het mag niet baten. Een onmenselijke pijn schiet door mijn mond.

Het is al donker. Ik zie een schim. Over het pad beneden mij loopt een man, hij sleept een zak achter zich aan. Een witte zak in de vorm van een.. is dat wat ik denk wat het is? Hij sleept de zak naar een huisje toe. Precies tegenover mijn huis. De man doet in het huisje het licht aan. Hij opent de zak en haalt daar… ´ik voel de tranen over mijn wangen rollen. Waarom hij? Omdat hij met mij heeft gepraat? De man heeft Lange slungelige benen, een gespierd lijf en een vierkant hoofd. Hij is het! De man die mijn stem heeft ontnomen. Als ik terugkijk naar het huis, is hij weg. Waar is hij? Paniek stroomt door mijn aderen. Ik span al mijn spieren af. Hij is hier! Gaat het door mijn hoofd. Ik moet me verstoppen. Ik kijk om heen en zie een kast staan, ik ren er naar toe en sluit mezelf er in op. Net op tijd.

Ik hoor de voordeur piepend opengaan. Gestamp op de gang. En nu de trap. Hij komt steeds dichterbij. De vader van Nisse is hier! Het is benauwd in de kast. Mijn zintuigen staan op scherp. ‘Je bent nog niet van me af’ herhaalt een stemmetje in mijn hoofd. Mijn slaapkamerdeur zwaait open. Door de spleet in mijn kast zie ik zwart wit. Mijn hoofd tolt. Ik zoek de gedachte. Waar ken ik dit van? De zwart witte persoon loopt mijn kant op: ‘Dood ga je’ schreeuwt hij. Ik moet wat doen, NU. Ik tast in het rond. Mijn hart bonst in mijn keel. Ik voel een zwaar voorwerp naast me liggen. Mijn hersenen werken op volle toeren. Wat is dit? De persoon komt steeds dichterbij. ‘Ik weet dat je in de kast zit’. Mijn handen worden klam. Ik probeer me te concentreren op het voorwerp. Een geweer! Ik klem mijn klamme hand om de loop en glijd langzaam naar de trekker. ‘Kom er uit!’ buldert hij. Dit is mijn kans. Op 1, 3…. 2…. 1, NU! Ik trap de kast open en richt de loop op de persoon. Dan zie ik je.. Ik laat de loop zakken en je loopt naar me toe. ‘Gelukkig ben jij het, ik dacht dat je dood was! ik dacht dat jij me kwam vermoorden’. ‘Manon, dat zou ik toch niet kunnen doen?’. Ik voel zijn hand over mijn rug glijden richting het geweer. ‘Wacht, waarom riep je dan DOOD GA JE?’. ‘Jij was het! Het was helemaal niet je vader’. Het lukt je het geweer af te pakken en richt het op mij. ‘Dag Manon… sorry van je tong’. ‘Maar ja.. je kan niet altijd het prinsesje zijn. Een felle pijn schiet door mijn buik. Er vormt zich een rode vlek rond mijn lichaam. Het laatste wat ik zie is zwart wit.

Ontwerp door Willem Verweijen