Wat een leven - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Wat een leven - Mijn Kort Verhaal

Jolien Gelijk

18 jaar - VWO

1
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Jolien Gelijk (18 jaar)

? stemmen

Wat een leven

Terwijl de wegen steeds breder en drukker werden, werd mijn hoofd leger. Lijn 24 raasde met een gloeiende vaart over de snelweg. Ik zat op school, dachten mijn ouders. Ik lag ziek in bed, dachten mijn vrienden en de school. Ik heb geen idee waar ik ben, dacht ik. Vanochtend toen ik uit bed stapte had ik geen idee waar ik over een paar uur zou zitten, namelijk in een stinkende bus op een stinkende snelweg met stinkende mensen. Zelf stonk ik ook. Is stank besmettelijk? Hoe zou de buschauffeur zich dan wel niet voelen? Er zaten niet veel mensen in de bus. Vlak voor me zat een vrouw met dreadlocks. Zij wist waar ze heen ging. Ik was jaloers.
“Hoofdstation Amsterdam,” werd aangekondigd door een onzichtbare vrouw in de bus. Het eindstation. Ik wist wat me te doen stond.
De bus stopte op een plaats waar zijn nummer op de stoep geschreven stond in grote cijfers. De chauffeur drukte op een knopje en de deuren gingen open. Er kwam beweging in mijn benen. Ze begaven zich langzaam naar de achterste deur van de bus. Mijn hand bewoog zich langs de uitcheckpaal. Mijn ov-kaart wist ook wat hem te doen stond. De paal maakte een geluidje dat voor mij het signaal was om door te lopen. Toen stond ik op het winderige station van Amsterdam. Ik begon te lopen, zomaar een kant op, omdat het toch niet uitmaakte. De mensen om me heen haastten zich langs me heen. Wat een leven. Opeens wist ik waar ik heen wilde. Een plaats waar mijn gedachten tot rust zouden komen.
Ik liep door tot ik die plaats zou vinden. Waarom was ik weggegaan? Ik wist het niet. Het voelde goed. Mijn moeder heeft me altijd gezegd te doen wat goed voelde, dus ik vond dit geen uitzondering. Misschien was ik in de war, misschien was ik gek geworden toen ik vanochtend de school opbelde en mijn moeder imiteerde. “Ze is ziek, ze kan niet komen.” De woorden echoden in mijn hoofd. Misschien had ik niet eens gelogen. Was ik ziek? Dit was een van de vragen waar ik antwoord op wilde. Waarom ik daarvoor naar Amsterdam moest was mij ook een raadsel.
Ik kwam bij een hoge brug terecht. Auto’s denderden eroverheen en deden de grond trillen. Een voetpad leidde over de brug heen. Ik volgde het tot ik midden op de brug stond. Geen enkele auto minderde vaart, of zag me zelfs maar. Ik was gewoon een meisje op een brug. Niets meer, niets minder. Ik keek over de rand van de brug heen. Er was een brede rivier te zien met veel vissen. Zo stelde ik het me tenminste voor. In werkelijkheid was het een andere autoweg met veel auto’s. Mensen passeerden me ondertussen, ze moesten een boogje maken om me heen.
Geld voor een retourkaartje had ik niet. Het was nooit de bedoeling om terug te gaan. Ik hees mezelf op de rand van de brug, met mijn gezicht naar de rivier. Auto’s minderden nu wel vaart. Ik was gewoon een suïcidaal meisje op een brug, niets meer, niets minder. En ik sprong in de rivier, alsof ik op zwemles zat en me moest bewijzen met een duik door het gat heen. Wat een leven.

Ontwerp door Willem Verweijen