Vlucht - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Vlucht - Mijn Kort Verhaal

Veerle

19 jaar - vwo

127
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Veerle (19 jaar)

? stemmen

Vlucht

Wanneer er eindelijk licht door het tentdoek schijnt ga ik rechtop zitten. Het is ongetwijfeld nog vroeg, maar slapen kan ik niet meer. Wanneer je niet kan slapen lijkt de nacht eindeloos te zijn. De uren kropen voorbij, terwijl ik klaar wakker was. Zachtjes sluip ik de tent uit. Ik sluit mijn ogen en richt mijn gezicht naar de zon. Vandaag is er een vandaag, een morgen is er misschien niet.

Nadat Aisha en moeder ook wakker zijn lopen we verder. We lopen zwijgend, elk met onze eigen gedachten, bang voor waar we vandaan komen en bang voor wat er nog komen gaat. Soms word ik cynisch als ik over  deze bizarre tocht nadenk. We vluchten voor de dood, maar tegelijkertijd reizen we onze dood tegemoet. Ik kijk naar Aisha, ze is moe. Ik moet niet zo negatief zijn en verder denken dan deze reis, want daar doen we het voor.

Tegen de middag komen we aan. Een stel mannen kijkt ons spottend aan en terwijl ik Aisha stevig vasthoud, betaalt moeder het vereiste geld. Nu moeten we wachten tot het donker wordt, dan kunnen we pas vertrekken. De sfeer die hier hangt voelt niet goed en hoe langer we wachten, hoe erger het wordt. Meer mensen komen aan en melden zich, allen vluchtend voor het gevaar in eigen land. De spanning stijgt.
Uiteindelijk is het zo ver, we gaan. Moeder pakt mijn hand en ik houd Aisha op de arm. We duwen onszelf de boot in en wringen ons tussen de mensen. Aisha begint te huilen, maar moeder maant haar tot stilte. Ze drukt zich tegen mij aan. ‘Wanneer zien we papa weer?’ Ik bijt op mijn lip. Deze vraagt blijft ze me stellen,  maar ik weet het niet. Sterker nog, ik denk dat we hem nooit meer zien. ‘Ik hoop als we aankomen Aisha. Ga nu maar slapen, de reis duurt nog lang.’ Ik kijk naar mijn moeder, maar zij draait juist haar gezicht weg. Ik zie tranen, maar zeg niks.

Het geluid van de motor doorboort de stilte van de mensenmassa. Ik durf niet in slaap te vallen en waak over mijn moeder en zusje. Toen mijn vader vluchtte gaf hij mij de opdracht om voor moeder en Aisha te zorgen. Ik zou vanaf nu de man in de familie zijn. Ik moest hem beloven bij hen te blijven en de sterkste te zijn, zolang als hij afwezig was. De belofte drukt zwaar op mijn schouders, maar geeft mij ook de moed om verder te gaan. Vader stuurde na zijn vertrek vaak sms’jes, dat het goed ging en waar hij ongeveer was. De sms’jes werden schaarser, tot het moment dat er geen enkele meer kwam. De afspraak was om hem zo snel mogelijk achterna te gaan, hij zou ons erover contacten. Na maanden van geen contact hield mijn moeder het niet meer, ze wilde vertrekken.
In gedachten verzonken streel ik over het haar van mijn zusje, denkend aan de kapotgeschoten stad waar ik vandaan kom. Plots breekt er onrust uit op de boot. Een man begint te schreeuwen, een kind te huilen. Het is lastig om te zien wat er gebeurt, maar het is duidelijk dat er een vechtpartij uitbreekt. ‘Calm down! Calm down!’ roept een man. Met een schok wend ik mijn hoofd af als ik een mes zie flitsen. Aisha wordt wakker en kijkt me met grote ogen aan. ‘Wat is er?’ Ik demp haar stem met mijn hand en houd haar naar beneden. Ze kijkt me angstig aan. De vechtende massa wordt groter en het lawaai is oorverdovend. Een kind rent in paniek over de lichamen naar onze kant toe. Ik hoor een schot en een schreeuw. In een vlaag van verstandsverbijstering trek ik het kind omlaag, weg van de kogels. Mijn moeder staart met wijd opengesperde ogen naar mij. Haar lichaam is van top tot teen gespannen. Ik kijk terug en pak haar hand. We durven niets te zeggen.

De stank is verschrikkelijk en het is benauwd. De reis duurt ontzettend lang en meerdere keren breken er gevechten uit. Daartussen is de spanning om te snijden.
Ik ben allang het besef van tijd kwijtgeraakt, als de boot plots begint te schommelen. Eerst zachtjes, daarna harder. Na een paar minuten stijgt boven alle andere stank een zurige geur op; mensen zijn misselijk en geven over. Aisha begint onbedaarlijk te huilen, het duurt te lang, er is veel spanning en er lijkt geen einde. ‘Aisha. Aisha, rustig. Weet je waarom we zo schommelen?’ Ze kijkt me verdwaasd aan en schudt haar hoofd. ‘We zijn waarschijnlijk in de branding aangekomen. We zijn er bijna!’ Het dringt niet tot haar door. ‘Aisha, we zijn bijna in Italië!’ Ze stopt met snikken, er breekt zelfs een glimlach door. ‘Italië!’

Snakkend naar lucht drommen de mensen naar buiten. Frisse lucht, ruimte. Moeder gebaart ons rustig te blijven, we willen geen problemen nu we er eindelijk zijn. We stappen van boord en volgen de aanwijzingen van hulpverleners aan de kant. Moeder pakt haar mobiel en zoekt naar verbinding, naar een signaal van vader. Niks. Ze lijkt in te storten, zoveel angst heeft ze. Ik kijk haar aan. ‘Moeder, we zijn er. Wij zijn er.’ Ze slikt en knikt, er is hoop. In ieder geval voor ons.
Hulpverleners geven ons wat te drinken. We worden in bussen gezet en naar een opvangcentrum vervoerd. De reis gaat als een waas aan mij voorbij. Het lijkt zo onwerkelijk, maar het is waar. We zijn naar de overkant gekomen. De reis is nog niet afgelopen, maar voor nu zijn we veilig.

We moeten lange tijd wachten en er worden veel vragen aan ons gesteld. Waar we vandaan komen, waar we heen gaan, hoe we hier zijn gekomen, wie we precies zijn. Na een paar weken mogen we door, verder Europa in. Ik word warm van binnen, we mogen verder.  Richting een nieuwe toekomst, richting een gelukkig leven en wie weet… richting vader.

Ontwerp door Willem Verweijen