Verlamd - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Verlamd - Mijn Kort Verhaal

Jaime de Boer

15 jaar - VWO

66
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Jaime de Boer (15 jaar)

? stemmen

Verlamd

Verlamd

Timothy smeekte me langzamer te rijden. ‘Alsjeblieft, je jaagt ons allebei de dood in!’

‘Het komt goed Timmetje, ik beloof het je.’

Langzaam draaide ik mijn hoofd zijn kant op terwijl ik het gaspedaal verder induwde. Timothy’s ogen werden groter terwijl hij naar voren, de donkere nacht in staarde. Rustig richtte ik me ook weer op de weg. Ik haalde een hand door mijn bruine haar, exact hetzelfde haar als dat van Timothy. Net zoals mijn gezicht, lengte en lichaamsbouw. Alles aan ons was hetzelfde, denkt iedereen, maar als je verder kijkt dan uiterlijk zijn we elkaars tegenpolen. Hij een nerd. Ik de populairste jongen van de school, we hadden daar samen kunnen staan, op de bovenste tree van de populariteitstrap. Maar hij moest alles beter doen: betere cijfers, netter, beleefder, alles wat mijn ouders willen.

Mijn ouders vinden hun zoons ook niet even goed, ze houden meer van hem, ze zullen het nooit toegeven, maar ik zie het overal aan. Ik wierp een blik op mijn tweelingbroer, zijn gezicht was lijkbleek. ‘Rustig maar Timmetje, we zijn er bijna.’

Boos keek hij me aan. ‘Ik dacht dat je over die stomme bijnamen heen was gekomen? Mijn naam is Timothy en zo moet je me ook noemen, tenzij je me Tim wil noemen.’

Ik lachte. ‘Maar vroeger was het wel goed, wat is er veranderd?

‘We zijn ouder geworden Tobias, we zijn geen zes meer, dus Timmetje is lichtelijk neerbuigend.‘

‘Maar Timmetje, je zal altijd mijn kleine broertje blij-‘

Een schreeuw van Timothy onderbrak me. Verschrikt keek ik naar voren, recht in de koplampen van een tegemoet komende auto. Ik kneep mijn ogen dicht terwijl ik wacht op de knal.

 

 

Ik word wakker van een piepend geluid, verdwaast kijk ik om me heen. ‘Mam, pap, waarom zijn we in het ziekenhuis?’

‘Omdat jullie een auto-ongeluk gehad hebben, je had wel dood kunnen zijn!’

‘Jullie? Wie zijn ‘jullie’, was ik niet alleen?’ Ik kijk mijn ouders dringend aan als ze geen antwoord geven. ‘Pap, wie zat er nog meer in de auto?’

Mijn vader kijkt me met een trieste blik in zijn ogen aan. ‘Je broer, Tobias.’

Ik voel het bloed uit mijn gezicht trekken als ik hem aan kijk. ‘Gaat het goed met hem? Is hij gewond? Wie reed er? Waarom vertel je het nu pas? Waar is-‘

‘Tobias rustig! De dokters zeiden dat je rustig moet doen! Het gaat goed met Timothy en hij wil met je praten, maar voordat je naar hem toegaat moet je eerst tot rust komen.’

Een halfuur later hebben de dokters wat gezondheidstesten gedaan, heb ik me omgekleed en mag ik naar Timothy toe. Mijn vader duwt de rolstoel rustig de gang door naar zijn kamer. Zachtjes klop ik op de deur. Een stem als de mijne antwoord zacht; ‘Binnen.’

Mijn vader opent de deur, loopt om mijn rolstoel heen en duwt me voorzichtig naar binnen om vervolgens de kamer te verlaten. De kamer ziet er uit als een standaard ziekenhuis kamer; witte muren, grote ramen aan de overkant van de kamer. Aan de linkerkant van de deur is een soort kleine keuken met was kastjes en een wasbak. Ik let echter alleen op het midden van de kamer waar mijn broer op het bed ligt.

‘Hoi.’ Zijn stem is zachter dan normaal. ‘Hoe gaat het?’

‘Slecht. Maar dat zal mijn eigen schuld wel zijn. Met jou?’

Een vage glimlach komt op zijn gezicht. ‘Slecht.’

Een stilte volgt, waarin ik ongemakkelijk uit het raam naar de parkeerplaats waar een rode en een blauwe auto elkaar proberen te passeren op een weg die haast te smal is voor één auto.

‘Dus…’ Timothy kijkt me ongemakkelijk aan. ‘Waarom liep je niet zelf? Normaal zou je je niks aantrekken van wat de dokters zeggen.’

Ik kijk hem aan met een gezicht van steen. ‘Dwarslee… dwarslie…’

‘Een dwarslaesie. Een onderbreking in de zenuwbanen in de rug door ziekteproces of ongeval, waardoor iemand in meer of mindere mate verlamd raakt.’

‘Nederlands, Timothy, we waren Nederlands aan het praten.’

‘Pauze tussen zenuwen in je rug waardoor je benen niet meer werken.’

Grijnzend klopte ik hem op zijn schouder. ‘Je kan het wel, Nederlands praten.’

Met een identieke grijns schud hij zijn hoofd.

‘Het is alleen best wel k-‘

‘Tobias!’ riep Timothy naar me, zijn moeite met schelden was ook iets dat ik niet snapte.

‘Het is alleen best wel vervelend dat ik niet meer kan basketballen,’ mompelde ik.

‘Wat dacht je van rolstoelbasketbal?’

‘Sounds like a plan bro!’

 

 

Zo gauw ik de zaal binnenrijd met mijn gloednieuwe sportrolstoel begint het publiek te klappen. Een grijns komt op mijn gezicht als ik achterom naar de rest van mijn team kijk. ‘Here we go!’

Een paar minuten later staan we klaar op het veld. De bal wordt opgegooid en het wordt even stil in het veld, maar als ik de bal vang en meteen terug gooi om een aanval op te bouwen wordt het geluid nog luider dan voorheen. Vlak voor ik onder de ring ben wordt de bal naar mij gespeeld en met een glimlach gooi ik hem in de ring. Meteen begint het publiek nog harder te roepen en met één arm in de lucht ga ik mee verdedigen.

 

 

Na de wedstrijd komt Timothy grijnzend op me afgerend, ‘netjes hoor, Four.’

‘Een keer, EEN KEER HEB IK DIE FILMS GEZIEN,’ riep ik, een keer hebben we Divergent gekeken, en meteen zit ik aan een bijnaam vast.

Ontwerp door Willem Verweijen