Thuis - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Thuis - Mijn Kort Verhaal

Giti Friedman

19 jaar - ASO

0
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Giti Friedman (19 jaar)

? stemmen

Thuis

De kille receptieruimte van het station loopt langzaam leeg. Alle moeders met zeurende kinderen zijn stilletjes op de trein gestapt om naar school te vertrekken, de jonge studenten zitten ondertussen in een aula naar hun professor luisteren. Anderen ondervinden stress door hun enorme stapel werk of wachten thuis op die ene gebeurtenis dat hun monotone pensioendagen kan opvullen. De wereld is bezig met de gewone gang van zaken in deze gewone decemberdagen.

Ik ben hier. Ik lig met mijn dunne zomerjas op een ijzeren bank in het station. De kou schroeit door mijn lijf. Slapen kan ik niet. Mijn nek is stijf van té lang op dezelfde houding te liggen en mijn verkouden neus druppelt. Mijn vingers grijpen naar mijn enige zakdoek, verfrommeld en vochtig omdat ik die al talloze keren heb gebruikt. Ik voel mijn oren en tenen niet meer en zou het waarschijnlijk niet merken als ze uit mijn lichaam zouden vallen. Een strandje van mijn bruin haar kietelt aan mijn wang. Het is storend, maar ik wil mijn eindelijk opgewarmde hand niet uit zijn plek halen. Het enige waar ik aan kan denken is dat ik naar huis wil.

Was het maar zo simpel. Ik krijg weer een brok in mijn keel als ik aan de harde realiteit denk. Wat is thuis? Thuis is niet het gevoel van een warm bed en de klanken van de wondermooie liedjes van oma. Thuis is niet de geur van vers gebakken brood en lachende gezichtjes. Thuis is niet opstaan, naar school gaan en het dagelijks leven omarmen. Dat was thuis. Nu bestaat thuis niet meer. Het werd vervangen door puinhopen van restjes van levens. Oorlog heeft thuis van mij en van zovele anderen beroofd. Om heel zeker vast te stellen dat we nooit meer gelukkig zullen worden, werd thuis ook nog vernietigd. Letterlijk én figuurlijk.

“Ben je wakker, Prinses?” De stem van Papa klinkt anders dan vroeger. Het is minder sterk, zachter. Triester.
“Ja, papa.”, zeg ik, “Je bent er! Gaan we nu…”
Ik weet niet hoe ik mijn zin af moet maken, dus ik zwijg. Ik slik vlug om mijn tranen te bedwingen, ik wil niet dat Papa mij ziet huilen. Niet omdat ik 15 en al te oud ben, maar omdat ik hem niet wil ontmoedigen. Mama is al jaren geleden gestorven en door de oorlog is Oma nu ook dood. We hebben enkel elkaar nog. We houden van elkaar en we zullen ons door de miserie heen sleuren. Samen. Of we het graag willen of niet, we zijn hier terechtgekomen. We zijn vluchtelingen. Papa is nu uren weggeweest om onderdak te zoeken. Een nieuwe “thuis”.

Papa gaat op het uiteinde van mijn de bank zitten en streelt liefdevol over mijn wangen. Zijn droevige ogen spreken boekdelen. Hij glimlacht en zegt zachtjes: “We gaan naar huis.” Hij proeft de woorden in zijn mond en trekt een vreemd gezicht. Ik weet niet of die zin ooit nog een echte betekenis zal hebben.

Ik stap naar buiten. De vertrouwde, ruwe hand van Papa omhult de mijne en ik zeg tegen mezelf dat ik nooit meer wil loslaten. Het is een grauwe dag. Ik kijk rondom mij naar de naakte bomen en sombere huizen. Een duif hinkt op één poot rond een bevroren plas water, hopend dat zijn pogingen om te vliegen ooit zullen lukken. Ik werp een blik op Papa en zie zijn bezorgde gezichtsuitdrukking. Ik knijp hard in zijn hand en kijk naar het station achter ons. Vanuit deze hoek is het eigenlijk een prachtig gebouw. Ik richt mijn ogen weer naar voor en zie een oneindig lopende straat. Ik adem diep in en dan weer uit. We gaan naar huis.

Ontwerp door Willem Verweijen