't Koekje - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal 't Koekje - Mijn Kort Verhaal

Anoek Hilt

15 jaar - havo/vwo

44
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Anoek Hilt (15 jaar)

? stemmen

’t Koekje

Buiten de regen tikkend op de ramen. De vogels kwekkeren in de opkomende zon.

De altijd blije verzorgster stapt de kamer binnen. Al aan haar voetstappen te horen en op de manier waarop ze de deur opent, merk ik dat zij speciaal nieuws te vertellen heeft. Haar enthousiasme die zij hierdoor meedraagt, laat mij volstrekt koud.

Moeizaam stap ik uit bed, met behulp van haar zachte handen in de rug. Ik rek mij slaperig uit en doe net alsof ze zich niet in de kamer bevindt. Hoe durfde iemand ook in mijn persoonlijke ruimte te komen? Was ik maar nooit oud geworden. Dan kon ik nog met Pieter, toen der tijd mijn beste vriend, de buurt gek maken en appels stelen uit de tuinen van die oude man die ons nooit kon inhalen met zijn sukkeldrafje en de stok in zijn gerimpelde hand. Dat waren nog eens mooie tijden. We lachten en waren vrolijk; iets dat mij nu is ontnomen. Die tijden zijn voorbij en ingewisseld voor dit beperkte bestaan. Ik kan niet gelukkig worden, al waren alle verzorgers evenbeelden van Pieter.

Ik zat opgesloten. Nu pas voel ik de ellendige toestand waar die oude man zich in moest vinden. Ik kreeg medelijden met hem, maar bij de gedachten aan mijn maat veranderde dit.

Zo af en toe nam de blije verzorgster mij mee naar buiten. Pas dan genoot ik van het leven en de wind die door mijn haren streek, als bij het wegrennen van de appelbomen, met hem.

Na Marie, was geen enkele dame zo dicht bij geweest als zij. Ik hield van Marie, zo veel als mijn hart kon verdragen. Ik kan niet meer, wat ik vroeger kon. Ik kan niet meer met haar dansen door de straten en niet meer met haar zoenen. Mijn hart kan amper nog iets aan, klopt het dat ik daarom niet meer liefheb?

Het smalle gezicht nadert de mijne, haar tedere lippen geven een totaal onverwachte zoen op het voorhoofd, net als Marie zou doen. Om haar vinger een ringetje geslagen, een koperen met een blauwe edelsteen erop, die bij de ogen van Marie zouden passen. De ruimte vertraagd. Ik herken die blik in haar ogen; ze is opgewekt, vrolijk en haar leven lijkt niet meer stuk te kunnen gaan.

Ze neemt haar tas en vertrekt de deur weer uit. Het starten van de auto klinkt mij als muziek in de oren. Ze rijdt weg; ik ben alleen. Ik kan eindelijk mijn eigen gang gaan, zonder dat zij er iets van zou merken. Het idee dat ze over drie enkele uren al weer terug is, geeft rillingen over mijn lijf. Ze zal weer terug komen om mij te wassen, aan te kleden en te vertroetelen met koffie en gebak op het o zo mooie tafeltje. Ik argwaan al bij het idee. Hier heb ik niet om gevraagd. Ik dacht dat oud zijn luxe was en ik de tijd van mijn leven zou hebben, terugkijkend op een prachtig jeugd. Er is niets aan. Mijn hele leven was een appelboom, waar geen vruchten aan leken te groeien en nu zit ik hier als een verdord blaadje. Ik kan geen kant op. Ik ben vertrapt en verwelk bij elk komend uur.

Met wat geschuifel kom ik terecht bij de oude platenspeler, een evenbeeld van mij. Net zo roestig en heeft zijn mooiste platen al wel gespeeld. Ik had alleen maar leed in mijn gehele leven. Ik heb alleen liefde gevoeld bij hen, mijn kameraden. Ik mis hen, zoveel als ik iemand missen kan. Ik probeer deze gedachten te vergeten en plaats de naald op de plaat. Een licht gekraak komt tevoorschijn, met daarachteraan een stevige bas en een elektrische gitaar. Pieter speelde zo’n gitaar. Hij had er voor gespaard en telkens als we langs die ene winkel van die jongedame liepen, werden we beiden weer verliefd. Pieter op zijn toekomstige gloednieuwe gitaar en ik op de dame achter de kassa. Haar donkere krullen, blauwe heldere ogen en een klein schoonheidsvlekje vlak bij haar neus. Marie…

Smal gezicht had de muziek steeds afgezet en gezegd dat ik rustig aan moest gaan doen. Een boek moest gaan lezen of het zoveelste nieuwsbericht moest kijken. Zij is altijd aardig voor mij geweest, terwijl ik nog nooit een enkel liefdadigheidje of compliment tegen haar heb uitgesproken. Ze is onkruid, iets dat mij voor de voeten loopt. Altijd al geweest, van begin af aan, al op het moment dat ze hier één voet binnen de deur zette.

Toen Pieter eindelijk zijn verdiende geld bij elkaar had gesprokkeld, waar hij tientallen banen voor had moeten doorstaan, konden wij over de drempel van de geliefde winkel stappen. Terwijl Pieter gelijk naar de gitaar sprong, achterin de etalage, liep ik rustig de kant van de wonderschone dame op. Ze lachte verlegen, bij het zien van mij. Ik bloosde, ik kon het niet laten. Ze had mij zeker al een aantal keer met open mond naar haar zien staren. We zeiden niets, maar we wisten van elkaar dat we elkaar liefhadden. Toen Pieter kwam om zijn gitaar te betalen, zag hij ons naar elkaar staren. Zijn eerste lied ging over onze liefde.

Bij alles wat ik doe, word ik herinnerd aan hen. Ik dank God op mijn blote knieën voor die mooie tijd met hen. Wij waren de gelukkige drie, het getal van God.

Waarom ben ik ook al weer zo bruut tegen smal gezicht? Ze heeft de humor van Pieter en de liefdadigheid van Marie. Zij is de combinatie van hen. Zij heeft alles voor mij over. Ik begin zelfs van haar te houden. Mijn hart kan nog wel één persoon aan.

Langzaam komt ze binnen. Ze draait zich verschrikt naar mij om: “Meneer, gaat het wel?” Ik wijs haar de stoel en kom aan schuifelen met een kopje koffie en een koekje, waar alleen zij van mag nemen. Beiden gaan we zitten. Zíj verdiende het om vertroeteld te worden, niet ik.

Woordeloos zaten we tegenover elkaar; een glimlach was voldoende.

 

 

 

 

Ontwerp door Willem Verweijen