Strijd - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Strijd - Mijn Kort Verhaal

Maud Veldhuijzen

17 jaar - vwo

0
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Maud Veldhuijzen (17 jaar)

? stemmen

Strijd

Oktober 1944. Samen met mijn drie jaar oudere broer Otto liep ik de Limburgse grotten in. Ik merkte dat Otto de hele tijd op zijn hoede was, telkens keek hij achterom en ik hoorde hem snel ademen. Ik vond het ook spannend en dacht aan de Joodse onderduikers. “Hoe zou het met ze zijn?” vroeg Otto alsof hij mijn gedachten kon lezen, “Samuel heeft sinds eergisteren niets laten weten…”

In de grotten schuilden in totaal elf mensen. Dat waren de oude Pieter, de familie Van Leeuwen en de familie Presser. Pieter lijdde aan heftige demensie en wist bijna niets meer. Anderhalve maand geleden kwam Otto thuis en vertelde dat Pieter hulp nodig had. De familie Van Leeuwen bestond uit zes mensen: het jongste meisje Clara, haar oudere broers Jacob en Louis, hun ouders en hun oom Samuel van Leeuwen. De familie Presser bestond uit vier mensen: de tweeling Marcus en Sofia en hun ouders Rebecca en Hartog Presser.

Ik werd gewekt uit mijn gedachten, door luid geschreeuw dat door de gangen galmde. “Wo sind sie, sie müssen hier sein!” Verschrikt keek ik om me heen en duwde Otto tegen de zijwand van de grot. We zagen het licht van flikkerende lantarens, maar het geschreeuw verminderde en na een tijdje vervolgden Otto en ik onze weg en kwamen al snel aan bij de schuilplaats. De mensen zagen er verschrikt uit, allemaal hadden ze het Duitse geschreeuw gehoord. Pieter begreep er alleen niet veel van, en riep telkens: “De moffen waren er, de moffen waren er!” Otto keek ongerust naar Samuel, die ons altijd vertelde hoe het was gegaan. Nu zei hij dat er niet veel was gebeurd, alleen waren er afgelopen week drie keer Duitse soldaten te horen. Verschrikt keek Otto hem aan, “maar drie keer?” vroeg hij. Samuel knikte en Otto trok verbaasd zijn wenkbrauwen op. Dat viel me op, maar ik keek weer naar Jacob, zijn mooie ogen lieten me even alles vergeten.

Die avond lag ik maar te woelen en te draaien, telkens schoten er allemaal vragen door mijn hoofd. Hoe weten de moffen van de schuilplaats? Wie heeft ze dat verteld? Otto en ik doen altijd uiterst voorzichtig en behalve onze ouders weet verder niemand er iets van… Mijn gedachten gingen naar de verlegen Jacob, die altijd zo zijn best deed om te doen alsof alles normaal is, maar dat is niet zo, in deze tijd is niets normaal… In een wirwar van verlangen, vragen en angsten viel ik onrustig in slaap. Ik droomde over Jacob, Samuel, Pieter en de andere onderduikers. Hoe ze door Duitse soldaten uit de grotten werden gesleurd en in wagens werden afgevoerd, hun dood tegemoet. Toen ik me omdraaide zag ik hoe Otto ze met een grote grijns nakeek… Hijgend en nat van het zweet werd ik wakker en de rest van de nacht luisterde ik naar de rustige adem van Otto, die in het bed onder mij lag.

De volgende morgen kwam ik mijn broer tegen in de stad. Ik zag hoe hij stond te praten met… dat was Kees, Kees van de NSB! Dit kon toch niet kloppen? De kerkklok wees kwart voor negen aan, ik moest opschieten. Snel liep ik door en ik dacht aan mijn droom van vannacht… Opeens stond Otto voor me en keek me kwaad aan. Ik schrok, draaide me om en rende zo snel mogelijk de stad uit.

Thuis hadden mijn ouders weer eens ruzie, mijn moeder vond het verschrikkelijk dat vader een pistool had gekocht. Ik vond dat niet zo erg; nu waren we veiliger en dat was zeker nodig in deze tijd. Toen ik in de slaapkamer kwam lag er een briefje op mijn bureau:

Lieve Marieke,

Vanmiddag zag je me praten met Kees in de stad. Ik zag hoe je schrok, maar we hadden afgesproken om wat dingen te bespreken over school. Hopelijk kun je accepteren dat je je niet altijd met mij hoeft te bemoeien, ik ben oud en wijs genoeg.

Otto

Ik las het briefje twee keer over, maar geloofde er niets van. Kees is écht niet te vertrouwen en zit niet eens bij Otto op school. Waarom had Otto met Kees afgesproken, en vertelt hij niets aan mij? Volgens mij doet Otto hele gevaarlijke dingen die niemand mag weten. Ik ging die avond nog even naar de grotten om met Samuel te praten.

In het bos was ik erg op mijn hoede. Steeds voelde ik aan vaders pistool, wat ik onder mijn riem droeg, gewoon voor mijn eigen veiligheid. In de grotten waren de spanningen hoog. “De moffen zijn vanochtend rond een uur of negen weer komen zoeken,” vertelde Samuel, “ het was alsof iemand ze de weg had gewezen, maar ze hebben ons uiteindelijk niet gevonden.” Ik dacht niet na en zei: “Misschien werkt Otto voor de NSB.” Ik schrok zo van wat ik had gezegd dat ik een hand voor mijn mond sloeg. Toen hoorden we vlakbij de schuilplaats Duitse stemmen: “Der Otto hatte das doch gesagt?” Waarop iemand antwoordde: “Ja, den Otto köhnnen wir das zutrauen.” Ik schrok en we waren doodsbang het leek wel een eeuwigheid voor de moffen zuchtend in richting de uitgang van de grotten liepen.

De volgende morgen liep ik weer terug naar het dorp, maar toen ik de grotten uit kwam stond Otto me op te wachten. Hij rende op me af en ik werd ontzettend boos. “Jij, vuile NSB-er!” riep ik, pakte het pistool en richtte op zijn borst… “Niet schieten, Maartje! Niet doen!” Ik liet het pistool hangen, maar toen hoorde ik Duitse stemmen en gierende banden. Overal kwamen Duitse auto’s door het bos aanrijden. Snel keek ik om me heen… en toen mikte ik op Otto en schoot. Schreeuwend viel hij op de grond, maar ik wist dat hij dood was. Ik floot zo hard dat ik zeker wist dat de onderduikers het zouden horen. Otto kon ze tenminste niet meer verraden. Toen vluchtte ik zo hard als ik kon het bos in…

Ontwerp door Willem Verweijen