Rood prikkeldraad - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Rood prikkeldraad - Mijn Kort Verhaal

Mei Guo Qiao Haak

17 jaar - Havo

0
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Mei Guo Qiao Haak (17 jaar)

? stemmen

Rood prikkeldraad

Mijn vingers houden het papiertje stevig vast. Ik heb het gisteren gevonden, vlakbij het prikkeldraad. Mijn broer heeft het voor me achtergelaten. Hij vertelt me altijd hoe het met hem gaat. We houden nu al een zes jaar contact met elkaar op deze manier.

Benieuwd naar wat er staat, vouw ik het briefje open. Als ik hem openvouw, merk ik dat zijn boodschap kort is dit keer. Geen groot stuk tekst die heel kriegelig op elkaar geschreven is.

Het handschrift van mijn broer herken ik meteen. Ik begin met lezen en ontwijk behendig de krasjes en kriebeltjes die niet bij de tekst horen.

Hey

 

Ik ga springen, als niemand kijkt

Er gaan veel meer

14:40 trein

wacht op me

ik hou van je

NIET TWIJFELEN

doei

tot zo

 

Ik raak in paniek en meteen voel ik hoe mijn evenwichtsorgaan met me begint te spelen. Ik voel hoe ik duizelig word en ga op een stoel zitten. Ik probeer mijn duizeligheid weg te drukken, maar het lukt niet. Mijn broer. Hij gaat dood, niemand overleeft de overstap. Niemand.

1 uur. Het is 1 uur. Ik moet hem op andere gedachten brengen! Nu! Meteen daarna realiseer ik me dat dat onmogelijk is. Ik zou hem nooit bereiken voordat hij springt. Als ik hem zie is het al te laat.

Het briefje heb ik onbewust verkreukeld. Ik vouw het opnieuw open. Misschien maakt hij een domme grap. Heeft hij helemaal aan het eind geschreven dat het nep was? Ik speur het briefje af op zoek naar een aanwijzing, maar ik vind niets. Niks anders dan de woorden die zijn dood voorspellen.

Mijn broer wil overstappen. De grens over, voor een beter leven. Hij was een opstandeling, ik niet. Hij kreeg een kutleven, ik niet. Ik leef in een soort luxe. Hier kun je alles krijgen wat je wil, behalve je familie.

Behalve mijn broer zie ik niemand meer. Soms vang ik een glimp van hem op als hij in de trein zit, op weg naar het strafkamp.

Langzaam sta Ik op. Het valt mee. Mijn balans is weer oké en mijn misselijkheid is weer een beetje weggetrokken. Ik sta, maar heb geen idee waar ik heen moet. Ik moet wachten tot hij springt. Misschien, heel misschien kan ik wat voor hem doen. Ik loop naar buiten. Het brute uitzicht vanuit mijn tuin kijkt me meteen aan. Prikkeldraad besmeurd met bloed, lichamen waarvan de gezichtsuitdrukking nog steeds op hun gezicht geplakt zit. Ik kan hun geur bijna ruiken, ook al zijn ze allang dood. Binnenkort kan ik hem ook zien. Zo vaak als ik wil, dood op de besmeurde grond.

Behoedzaam loop ik verder mijn tuin in, alsof de lichamen me elk moment zouden bespringen. Mijn tuin is niet bijzonder mooi, maar prachtig vergeleken met wat ik bij het prikkeldraad zie. Als ik opzij kijk, zie ik de prachtige tuinen van de buren. Ze genieten voluit van dit leven. Ik haat dit leven. ‘Alles wat jullie maar willen als je gehoorzaamt, niets voor degenen die dat niet doen’, waren de woorden van de overheid.

Ik sta in het midden van mijn tuin en staar opnieuw naar het prikkeldraad. Ik weet eigenlijk niet waarom ik dacht dat ik wat voor hem kon doen. Als ik het prikkeldraad ook maar aan zou raken, zou ik al neergeknald worden. Ik kijk naar de wachtposten rondom het prikkeldraad. De wachters staan er. Gefocust en hun geweer geladen. Eén kijkt me even aan met een ijzige blik. Ik zie hoe dof zijn ogen kijken, zijn wallen, zijn helm die te groot is en half afzakt. Ik kijk snel een andere kant op. Is hij straks de persoon die een kogel door het hoofd van mijn broer schiet?

 

Van ver hoor ik de trein al aankomen. De verroeste wielen onder de trein maken een schel geluid. Ik sta op van het tuinbankje. Mensen uit mijn wijk zie ik uit hun huizen komen. Ze lopen naar het prikkeldraad, net als ik. Niemand zegt iets. Alleen onze voetstappen verraden dat we er zijn.

We wachten.

De trein komt dichterbij.

Ik huiver.

Hij overleeft het niet wel niet.

Ik zie hoe de trein langzamer gaat rijden. Ik zie hoe de wachten hun geweer op de aankomende trein richten.

De deuren van de trein schuiven langzaam open. Het bloedbad kan elk moment beginnen.

Ik hou mijn adem in.

Uit de trein komt geschreeuw. Mensen van alle leeftijden stormen naar de openingen van de trein. Ze willen naar de overkant, langs het prikkeldraad. Ze nemen een aanloop en zetten zichzelf met één voet af. Dan springen ze. Ze blijven even in de lucht zweven en dan wordt er op ze geschoten. Sommigen vallen dood neer, andere kunnen doorrennen en proberen over het prikkeldraad te komen. Mijn blik verplaatst zich weer naar de trein. Dan zie ik mijn broer. Zijn blonde haar zit door de war en hij ziet er vermagerd uit. Onze blikken kruisen, heel even. Dan springt hij, net als de rest.

Zijn sprong lijkt de tijd te vertragen. Ik zie hoe hij op de grond terecht komt, begint te rennen naar het prikkeldraad. Naar de andere kant. Waar ik ben. Overal om hem heen worden mensen neergeschoten. Hij kijkt niet om, maar blijft doorrennen.

‘Jeanet!’ Hoor ik hem schreeuwen. Hij is er bijna.

Zonder erbij na te denken, ren ik naar het prikkeldraad.

‘Remco!’ Schreeuw ik terug.

Hij steekt zijn hand naar me uit. Ik doe hetzelfde.

Maar dan zie ik de leegte om hem heen. Alleen hij is nog over.

Ik raak zijn vingers aan. Zijn hand klemt zich om de mijne. Na zoveel jaren voel ik zijn aanraking weer.

Ineens zie ik zijn hoofd kantelen. Mijn hand wordt niet langer samengeknepen. De rode plek verspreidt zich over zijn shirt. Hij laat mijn hand los.

 

De trein nadert. Mensen springen, mensen sterven. Ik kan mijn broer zo vaak zien als ik wil. Maar nooit, nooit zie ik hem meer in de trein zitten.

 

 

 

Ontwerp door Willem Verweijen