Paarse Lipstick - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Paarse Lipstick - Mijn Kort Verhaal

Marise Hartman

15 jaar - VWO+

62
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Marise Hartman (15 jaar)

? stemmen

Paarse Lipstick

Paarse Lipstick

“What a strange being you are, god knows where I would be…” de muziek weerklinkt in haar oren. “Hey!” ze voelt een dreun in haar rug. Ze stopt en draait zich lichtelijk angstig om. Lachend kijkt Kiki haar aan. Ze slaakt een zucht van verlichting en knippert met haar ogen. Kiki is weg. “Het zal wel goed zijn”, denkt ze. Wie weet was het iemand anders die tegen haar aanbotste, gewoon een vreemdeling. Kan gebeuren. Langzaam en een beetje op haar hoede manoeuvreert ze door de winkelstraten. Een meter of tien verderop staat een ambulance, midden op een plein. Er staat een meisje met zwart haar, bordeauxrode kleding en donkerpaarse lipstick. Die kleur lipstick staat haar erg goed. Naast haar staat een lijkbleek meisje van ongeveer zes jaar met lichtbruin haar. Ze staren beiden naar de vrouw op de brandcard, de vrouw ziet er niet goed uit. Het meisje met het zwarte haar wendt haar hoofd af en loopt weg met een neutrale gezichtsuitdrukking. Het andere meisje wordt door een ambulancebroeder begeleid richting het voertuig. Ze loopt door, er is ondertussen nog maar weinig te zien.  De versiering van de geel-met-rode snackbar lacht haar ondertussen vrolijk toe. Zucht.

In sommige winkelstraten is het druk, in enkele straten juist niet. In een paar straten lopen gestreste en gehaaste mensen, in andere straten lopen mensen ontspannen en vermaakt. Het verschil tussen alle straten is intrigerend. In haar ooghoek glimt iets, iets van metaal, achter haar. Een mogelijk moordwapen. Ze draait zich om. Er is geen glimmend stuk metaal dat klaar is om een gat in haar te kerven. Zelfs geen mens. Niemand. Ze loopt alleen. Het begint te schemeren. Donkerte brengt pijn. En angst. Flarden van herinneringen komen terug. Bloed. Overal bloed. Maskers, vlak voor haar gezicht. De maskers zijn vaag te zien, tot het licht uit gaat. Donker. Veel pijn. Nog meer bloed. Zucht… Een paar verdwaalde kerstlichtjes steken sterk af tegen de donkere huizen. Het ruikt naar verbrande spullen in de straat. Ze ziet een grote meute mensen staan aan haar rechterkant. Ze twijfelt: doorlopen in dit verbrande steegje, of opgaan in de massa gevaarlijke mensen? Toch maar dat laatste, ze beukt iedereen wel gewoon opzij.

Na een tijdje komt ze een oud plaatselijk sieradenwinkeltje tegen, het ruikt er naar citroen, maar dan muffe citroen. Verspreid door de winkel liggen dromenvangers, glazen kralen en houten hangers. Het is rustig in het winkeltje, er lopen maar een paar mensen. Ze loopt naar de balie en vraagt naar het toilet. “Rechts van het rek met dromenvangers”,  antwoordt de medewerker. Ze beseft dat er geen naam op zijn naamplaatje staat. De deurknop ligt zwaar in de hand en draait naar links, er blijft wat afgebladderde verf aan haar hand zitten. Ze loopt door een gang, als snel komt ze een deur tegen met een bordje erop. ‘Toiletten’, luidt het.

Met moeite gooit ze de deur open. De drempel kraakt. Terwijl ze de duistere kamer betreedt, voelt ze het kozijn van de deur, het is koud en plakkerig, alsof er honing op zit. Tastend in de kamer wennen haar ogen steeds meer aan het donker. De deur van het toilet kan niet op slot, er blijft een klein kiertje open. Een enkele seconde flitst het felle licht aan. Er staat een schim. Ze staat op en tast door de kier, dezelfde plakkerigheid als die van de deur omhult haar vingers. Dan wordt de deur dichtgeslagen, haar vingers zitten ertussen.  De pijn zeurt in steeds extremere mate. Ze probeert haar vingers te bestuderen. ‘Jezus! Waarom ik?’ gaat er door haar hoofd. Met haar andere hand probeert ze de deur te openen, het lukt niet. Ze zit vast. ‘Kut. Kut. Kut!’ schreeuwt ze. Er klinkt geklop op de deur: “Doe de deur open!” roept een vrouwenstem. Ze schiet naar achteren. Ze tast de muur achter haar af, op zoek naar een raam. De muren van de wc reiken van de grond tot het plafond, daar kan ze niet overheen. Ze krabt aan haar voet, ze voelt dat haar schoen nat is. Door de pijn van haar vingers had ze niet gemerkt dat het toilet kapot is en het hokje langzaam volstroomt met water, het water komt tot net boven haar spierwitte schoenen, die ondertussen niet zo wit meer zijn. Ze beukt tegen de deur. “Doe toch open, trut!” roept de vrouwenstem weer. Ze probeert het slot te vinden, het is beter dat de vrouw haar pijn doet dan dat ze verdrinkt, verdrinken schijnt verschrikkelijk pijnlijk te zijn, water kent geen genade. Ze vindt het slot. Een vloed water stroomt naar buiten, ze ziet een vrouw met een mes, flitsen wit licht, maar later ook rood en blauw licht. Ze ziet gezichten. Veel gezichten, ze kan ze niet onderscheiden, alles is wazig en ze voelt zich verlamd. Het laatste wat ze ziet is zwart en bordeaux rood, met een vleugje paars. Die lipstick staat haar goed.

“Geachte vrienden, familie en anderen genodigden. Welkom op dit treurige moment; de begrafenis van Madison Christina Clark. Graag zou ik om te beginnen moeder Heidi Clark het woord willen geven.” deelt de begrafenisondernemer mede, met hoe toepasselijk: een grafstem. “Maddie was een meisje met een bijzonder verhaal: na de moord op haar beste vriendin Kiki heeft ze de overstap naar haar normale leven niet meer kunnen maken. Toch hebben we ons allen verbaasd over hoe ze is doorgegaan, na een moord van vlakbij meegemaakt te hebben. Ze heeft veel geluk gehad, ze had tegelijk met Kiki in het graf kunnen liggen, een pijnlijk besef. Toch is het ergste haar overkomen, haar angststoornis is haar de baas geworden. Volgens de politie zou ze zelfmoord hebben gepleegd in een openbaartoilet. De helende wond van de moord op Kiki is weer opengetrokken. Ik…” haar moeder gaat huilend af, ze kan haar tranen niet meer bedwingen. “Nu zullen we luisteren naar een prachtig lied, uitgekozen door nabestaanden.” Zegt de grafstem. “What a strange being you are, god knows where I would be…”

 

 

Ontwerp door Willem Verweijen