Opposing in ebbenhout - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Opposing in ebbenhout - Mijn Kort Verhaal

Arthur Mulder

17 jaar - havo

1
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Arthur Mulder (17 jaar)

? stemmen

Opposing in ebbenhout

Een bruine kamer staarde de dokter aan. De kamer had alle eigenschappen van een gezellige stamkroeg, donkergekleurde meubels, een naar alcohol stinkend tapijt en aan het plafond een dikke laag rook, van de soort die alleen kan worden gecreëerd door de pijp van je opa met tabak uit een vergeten tijd. Drie ligstoelen, een bureau en een excentrieke leren stoel worden gezelschap gehouden door boekenkasten, een globe en een koffietafeltje. Toch was de kamer nooit gezellig geweest voor de dokter, die altijd het gevoel had gehad dat hij de touwtjes was van de marionet die zijn eigen leven voorstelde, maar nooit de speler of de pop zelf. Hij noemde het hok zijn werkkamer.

De dokter zakte neer in zijn bureaustoel met een motoriek gecreëerd door een saaie jeugd opgevuld met televisie. Hij trok een bureaulade open en tussen zijn duim en middelvinger haalde hij een pakje sigaretten naar boven. De dokter tikte het kartonnen klepje van het pakje Marlboro geroutineerd open met de muis van zijn rechterhand. In één vloeiende beweging zat er een sigaret in zijn mond. Rook kringelde en danste met de pijpmist aan het plafond toen de dokter zijn gebruikte lucifer in de koude kop merkloze koffie van gisteren dumpte.

Jennie, zijn secretaresse waarvan hij de naam na vele jaren nog steeds niet kon onthouden, stak haar hoofd door de deuropening. ‘U heeft een patiënt om twee uur!’ Jennies schelle stem bleef hangen in het bruine kantoor. ‘Dank u wel,´ zei de dokter, hij keek kort op en glimlachte, ’Cerise.’ Zijn gezicht trok terug in zijn originele, onleesbare stand, samen met zijn ogen waarvan de pupillen weer waren gefocust op de papieren op tafel. Jennie verspilde haar tijd allang niet meer aan het verbeteren van haar naam en zei: ‘Dat is nu!’ Haar stem klonk nog steeds schel en koud. De dokter keek niet op.  ‘Drie uur is nu?’  De secretaresse zuchtte geluidloos. ‘Ja, nu is drie uur…’

‘Dank u,’ zei de dokter monotoon maar niet onvriendelijk. Hij deponeerde ook zijn sigaret, nog maar half op, in de kop met dag-oude koffie. De sigaret en lucifer rustten tegen de porseleinen binnenkant van de mok. Gedoofd, samen.

Een patiënt, jong maar niet jeugdig, optimistisch maar niet vrolijk, stapte naar binnen. ‘Ga zitten,’ zei de dokter kalm, ‘in welke stoel u het lekkerst lijkt’. De patiënt zakte onderuit in een donkerrode ligstoel. De andere twee ligstoelen bleven leeg terwijl de dokter opstond en op zijn bureau ging zitten. De patiënt lag oncomfortabel en verlangde nu al naar de andere twee stoelen, vlak voor de dokter. ‘Depressie huh?’ De dokter keek niet op. ‘Ja.’ Ook de patiënt keek niet weg van zijn voeten. ‘U wilt een nieuw recept voor hetzelfde?’ De dokter kruiste zijn benen over elkaar en plaatste zijn ellebogen op zijn heupen, handen in elkaar.

‘Nee.’ De patiënt, hoe onzeker en vol twijfel ook, wist dit woord met een onmiskenbare kracht uit te brengen. ‘Weet u dat heel zeker?’ probeerde de verwarde dokter rustig te zeggen. ’Het lijkt erg goed met u te gaan’.  De patiënt ademde snel in en klapte zijn mond dicht terwijl zijn longen nog maar half vol waren, hij ademde weer uit door zijn neus en knipperde op zijn beurt verward. ‘Het gaat niet goed’.

‘Niet goed?’ De stem van de dokter trilde.

‘Slecht.’

‘Maar meneer, u kunt toch gewoon…’ – de dokter trok een la in zijn ebbenhouten bureau open, gevuld met potjes vol blauwwitte slaappillen die de dokter minachtend aanstaarden –  ‘dit nemen?’ De dokter zette een van de potjes naast zich op tafel.

‘Nee.’ Ook de patiënt werd aandachtig opgenomen door het potje.

‘Uhm… dan kunnen we toch…’ De dokter sprong op en knielde neer achter de bureaulaatjes. Hij trok een andere la open aan een goudkleurige handvat. Dat handvat, in de vorm van een herfstig eikenblad, was ijskoud. Het laatje en zijn inhoud keken opnieuw boos naar hun eigenaar, de dokter. Deze schudde het idee van zich af dat ieder potje een oog van god was en besefte toen pas dat ook dit ebbenhouten laatje gevuld was met potjes slaappillen.  De dokter was verrast, de kamer waar hij al dertien jaar werkte zat nog steeds vol geheimen. Hij trok nu de lade open waar hij eerder zijn lucifers uit had gehaald, maar die waren verdwenen en zijn pakje Marlboro was verdampt. Ook deze la zat nu vol met pillen, opnieuw keken ze hem aan met de ogen van een boze god. Laatje na laatje trok de dokter open in zijn bureau, maar ebbenhout en slaappillen waren de enige trofeeën van zijn jacht naar een alternatief voor de patiënt.  De dokter, verward en vervreemd van zijn eigen werkkamer, viel achterover op het stinkende tapijt achter het bureau. De patiënt was al even verbijsterd en ging rechtop zitten.

‘Gaat het?’ De patiënt keek oprecht bezorgd naar de gevallen dokter, een man die geacht werd een stabiele vaderfiguur te zijn, een stevig rolmodel.

De woorden van de depressieve patiënt vlogen door de dokter heen en weerkaatsten tegen de muur achter hem. Hij had de empathie van de patiënt niet nodig. Onder zijn bureau, op de donkerste plek van zijn kamer, waar geen licht was geweest sinds hij was afgestudeerd zag hij opeens iets. Een lade, amper groter dan een pasgeboren baby, maar een wereld op zich. De dokter duwde zichzelf omhoog, vechtend met moreel en zwaartekracht. Hij trok het laatje voorzichtig open en zag dat het was gevuld met een vijf centimeter dikke laag van slaappillen. Geen potjes, alleen witte capsules gevuld met de medische versie van slaapzand. De pillen keken de dokter niet aan, niet als de ogen van god, niet als een herinnering aan zijn verleden, nee, het enige wat hem aanstaarde was een glimmende rode appel midden in de slaappillen. De dokter tilde het stukje fruit op en legde het voor zich neer op het bureau.

‘Hier.’ De dokter trok zijn hand terug en liet de glanzende appel eigenaarloos op de tafel achter.

‘Dank u.’ De patiënt glimlachte.

Ontwerp door Willem Verweijen