Onmacht - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Onmacht - Mijn Kort Verhaal

Anne-Loes van't Hoff

18 jaar - Havo

1
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Anne-Loes van't Hoff (18 jaar)

? stemmen

Onmacht

Onmacht

Ik voel het scheermesje nog een keer over mijn hoofd gaan. Mijn mooie bruine plukken haar vallen langs mijn hoofd naar beneden. Een vlaag van goedkope shampoo dringt mijn neus binnen. Ik moest mijn haar nog één keer wassen voor alles verdween, nog één keer met mijn handen door mijn lange lokken gaan. Ik genoot van dat moment, omdat ik wist dat het nooit meer terug zou komen. De stralen water zullen vanaf nu altijd branden op mijn hoofd. Ik heb geen haartje meer dat me tegen deze gewelddadige stralen kan beschermen. Ik was al veel kwijt geraakt de afgelopen paar jaar, maar ik beschermde mijn haar met mijn leven. Tenminste, dat zei ik altijd, maar feitelijk beschermde mijn haar mij. En nu is het weg, net als mijn leven over een paar weken, of maanden, of jaren. Ik weet het niet wanneer het voor mij gaat stoppen, maar het kan net zo abrupt zijn als het verliezen van mijn haar. Ik voel het scheermesje nu niet meer en wil mijn hand naar mijn hoofd bewegen om over mijn kale aardbol te wrijven, maar het lijkt wel of er een zak met bakstenen aan mijn arm is gebonden. Ik krijg hem met geen mogelijkheid omhoog. Ik trek en trek, maar het heeft geen zin. Als ik het niet kan voelen, dan maar zien. Ik had mijn ogen dicht gedaan vanaf het moment dat ik mijn moeders hand als een klein kind los liet en in de leren stoel was gaan zitten. Wanneer ik mijn ogen open en in de spiegel kijk, herken ik mezelf niet meer, natuurlijk weet ik dat ik het ben, maar ik ben kaal en zit als een gek te zweten in die leren stoel. Ik zie pukkels en moedervlekken op mijn hoofdhuid die ik anders nooit had ontdekt. Ik lach naar het meisje in de spiegel alsof ik het zelf niet ben. Ik wil dat meisje niet zijn. Ik wil normaal zijn, maar dat ben ik niet. Ik steek mijn hand uit naar het meisje in de spiegel en ze doet precies hetzelfde. “Stephanie,” zeg ik tegen haar, waarna ik vriendelijk naar haar lach. Dit ben ik niet, ik bedoel; ik had het niet moeten zijn. Had niet iemand anders hier kunnen zitten, dan had zijn of haar leven een grote ravage geweest. Ik voel een traan over mijn wang glijden en zodra ik het zout in mijn mond proef, geef ik mezelf een klap. Wat nou zelfmedelijden. Ik vertel aan niemand wat er met me aan de hand is, omdat ik geen zin heb in die blikken vol medelijden en vooral niet in de snel bestelde kaartjes via Greetz. Dat laat alweer zien dat mensen niet eens de ballen hebben om bij me langs te komen. Ze zijn bang voor me. Hoe kun je nou bang zijn voor iemand die net als jou is? Ik ben toch net als ieder ander? Ik sta langzaam op en loop via de gang door naar buiten. Ik gooi de deuren open en zie iedereen verbaasd omkijken. Ik snuif de stadslucht in me op. De uitlaatgassen komen mijn longen tegemoet, maar toch gaat die vieze ziekenhuislucht niet uit mijn hoofd. Ik haat ziekenhuizen. De veel te grote gebouwen, de geur van op sterven liggende mensen vermengd met de lucht van hygiënische plastic handschoentjes. Maar waar ik vooral niet tegen kan is de onmacht. De onmacht om niet alles en iedereen te kunnen genezen. De onmacht van mij om niet nog langer in leven te blijven. De onmacht tegen kanker.

 

Ontwerp door Willem Verweijen