Kleine Dan - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Kleine Dan - Mijn Kort Verhaal

Afra Wouters

15 jaar - Gymnasium

64
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Afra Wouters (15 jaar)

? stemmen

Kleine Dan

 

‘Danit, kom hier mijn meisje,’ fluisterde papa. Ik kroop tegen hem aan. Ik kon net door het raampje van het gammele voertuig kijken. ‘Waar gaan we naartoe, papa?’ vroeg ik, niet wetend dat ik moest fluisteren. Een man keek verstoord op. ‘Ssst, je moet fluisteren kleine Dan.’ Kleine Dan. Zo noemde hij me altijd. ‘Oke,’ fluisterde ik nu. Ik liep naar mijn moeder en broertjes en zusjes. Papa kwam er ook bij staan. Mama boog zich naar me toe, ‘nog eventjes met de trein en dan moeten we overstappen op de volgende trein.’ ‘Mama, waar gaan we naartoe?’ ‘Richting Adana.’ ‘Waar is dat?’ ‘In Turkije.’ ‘Maar waarom gaan we Syrië uit?’ ‘We moeten vluchten.’ ‘Ja.’ Dat snapte ik. Ik was pas acht, maar ik wist wel dat het gevaarlijk was in Syrië. ‘Allemaal uitstappen!’ schreeuwde opeens een man. Ik werd bijna verpletterd door de mensen die allemaal tegelijk de trein uit wilden. ‘Kom hier, kleine Dan!’ schreeuwde papa. ‘Papa!’ Ik wilde zijn hand vastpakken, maar opeens kwam er een groep mannen tussen ons door, papa werd meegevoerd door de menigte. ‘Danit!’ riep papa. Mama, papa en mijn broertjes en zusjes werden al zowat in de andere trein geduwd en ik stond nog in de eerste trein. Ik huilde. Ik werd door de massa aan de kant gedrukt. Niemand hield rekening met mij. Opeens hoorde ik schoten vlakbij. Iedereen gilde en schreeuwde. Ik viel uit de trein op de stenen. Mijn knieën lagen open. Bloed vermengde zich met zand. Ik keek omhoog. Mensen vielen neer. Mannen met geweren. Het leek alsof alles zich afspeelde in slow motion. Ik zag de trein met mijn familie wegrijden. Ik zag Papa. Mama. Mijn broertjes. Mijn zusjes. Huilend. Schreeuwend. Net als ik. ‘Psst, kom hier!’ Ik draaide me om. Het was me niet eens opgevallen dat er een schuurtje stond. Een oud vervallen schuurtje. ‘Psst, hier!’ Er zat een oude magere vrouw geknield achter het schuurtje. Ik strompelde zo snel als ik kon met mijn kapotte knieën naar de vrouw toe. Ze hield me beschermend vast, terwijl ze om het hoekje van het schuurtje gluurde. Ik bekeek haar eens goed. Ze had haar grijze kroesachtige haar in een knot en ze droeg een paarsige vale nachtjapon. Haar voeten waren in bruine leren sandalen gestoken. Zo zaten we daar een tijdje, ik onder haar arm weggedoken. We wachtten tot de mannen met geweren weg waren. ‘Kom mee,’ zei ze toen. Ik liep achter haar aan. Na een minuut of tien kwamen we bij een oud huisje. We gingen naar binnen. ‘Ga zitten.’ Ik ging zitten terwijl de vrouw thee zette. ‘Hoe heet u?’ vroeg ik. ‘Aada.’ ‘Waarom heeft u mij gered?’ ‘Omdat je een jong meisje bent dat niet zo zou moeten sterven.’ ‘O.’ ‘Je vluchtte met je familie voor de oorlog?’ Ik knikte. ‘Mijn zoon ook, met zijn vrouw en kinderen, ik ging ze uitzwaaien.’ Ze zette de pot thee op tafel en begon zwijgend mijn knieën te verbinden. Daarna ging ze tegenover mij zitten. Ik wiebelde wat met mijn voeten. ‘Waarom bent u niet meegegaan?’ ‘Wat?’ ‘Waarom wilde u niet mee met uw zoon en zijn gezin?’ ‘Ik ben hier geboren en getogen, ik zal hier ook sterven, in mijn eigen dorpje.’ ‘Wilde uw zoon niet dat u meeging?’ ‘Hij heeft me gesmeekt, maar als ik het niet wil, dan doe ik het niet. Hoe lang denk je dat ik nog leef?’ Ik keek naar het oude gerimpelde gezicht, ik zou hetzelfde gedaan hebben als ik haar was, bedacht ik me. ‘Je blijft voorlopig bij mij,’ zei Aada, ‘ik verzin wel wat.’

Een paar weken later begon Aada erover tijdens het ontbijt, dat bestond uit een eitje van haar eigen kip en wat groente uit haar eigen moestuintje. ‘Ik weet wat we kunnen doen. Shara, een vriendin van mij, helpt mensen het land uit te vluchten. Zij heeft contact met het vluchtelingenkamp waar je familie waarschijnlijk naartoe is. Ze heeft ze over jou verteld en ze gaan proberen jouw familie te vinden. Straks gaat er weer een trein naartoe, daar zet ik jou af en dan hoop ik dat je je familie vindt.’ Ik omhelsde Aada, misschien was ik straks weer bij mijn familie!

Toen we weer op dezelfde plek aankwamen als een paar weken geleden, was de trein er al. Er trok een rilling door me heen. ‘Ga je mee, Aada?’ vroeg ik. Ze schudde haar hoofd. ‘Het spijt me, Danit.’ Ik begreep het. Ik stapte in de trein. De trein vertrok bijna direct. Ik drukte mijn gezicht tegen de gebroken ruit en wuifde voor de laatste keer naar Aada. Aada wuifde terug met een trieste glimlach op haar gezicht. Het begon te waaien, Aada’s haar wapperde in de wind. Zal ik haar ooit nog zien? Nee. Zal ik mijn familie ooit nog zien? Ik wist het niet.

 

Ontwerp door Willem Verweijen