How many roads? - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal How many roads? - Mijn Kort Verhaal

Lotje

17 jaar - vwo

25
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Lotje (17 jaar)

? stemmen

How many roads?

Vanaf het moment dat het zwartharige meisje uit de trein stapte voelde ze de ijzige januariwind in haar rug snijden. Ze zette haar kraag op en liep voorovergebogen verder.

Voor haar droeg een jongen een rode gitaartas op zijn rug, waar met krantenknipsels op geplakt was: “How many roads must a man walk down, before you call him a man?” Gecharmeerd keek ze naar de foto van Bob Dylan ernaast, met een gouden aureooltje om zijn hoofd. Ze kende weinig liedjes van hem, alleen zijn nieuwste, van de radio.

De jongen liep te stuntelen. De zware, onhandige tas in combinatie met zijn broek die continu afzakte en een grote stapel papieren die hij bijeen probeerde te houden, bleek hem een beetje te veel. Een paar van de blaadjes fladderden uit zijn handen terwijl hij zijn broek optrok. Het meisje knielde en raapte ze op. De jongen leek het niet gemerkt te hebben, dus rende ze achter hem aan, en tikte hem op zijn schouder.

Hij draaide zich om.

Betoverd bleef ze staan. Twee gitzwarte ogen, zo donker als een metersdiep meer in een maanloze nacht, keken in de hare. Ze waren zwart als koffie, en net als koffie vulden ze haar met een diepe warmte ondanks de kou van buiten. Er zat een twinkeling in die ogen zoals ze die nog nooit had gezien, een twinkeling van pure energie. Ze werd erin weggezogen.

De symmetrie van zijn gezicht was compleet, alleen verstoord door een eigenwijze moedervlek onder zijn linkeroog. Zijn lichtgouden haar stond alle kanten op, zowel door de wind als door een duidelijk gebrek aan persoonlijke verzorging. Maar alle eventuele imperfecties werden overstemd door zijn verschrikkelijk lieve voorkomen.

Een paar seconden lang stond ze aan de grond genageld, volledig in beslag genomen door zijn overweldigende verschijning. Ondertussen nam hij de papieren uit haar uitgestrekte hand en schonk haar een licht ongemakkelijke maar wel vriendelijke glimlach terwijl hij ze probeerde te herordenen onder zijn arm. Ze wist nog net een lachje op haar eigen gezicht te toveren terwijl hij zich omdraaide en wegliep. Ze staarde naar zijn rug, zijn lange slanke benen die ondanks alle rommeligheid toch elegant waren. Hij schoof zijn gitaartas recht op zijn rug en keek nog even naar haar over zijn schouder, om vervolgens te verdwijnen in de menigte. Minutenlang bleef ze nog staan waar ze stond tussen de mensenstroom, als een eenzame rots in een rivier.

 

Overspoeld door spijt van haar eigen terughoudendheid ging ze de volgende ochtend meteen naar het station. Misschien kwam hij er wel elke dag. Maar toen ze op het station aankwam, realiseerde ze zich dat ze niet wist uit welke trein hij was gekomen, noch waar hij naartoe ging. Voor zich zag ze de lange rij perrons, die zich uitstrekte als dubbele spiegels. Wanhopig zeeg ze alsnog neer op het bankje. Dit was haar enige kans, hoe klein ook.

Het werd weer donker en hij kwam niet. Teleurgesteld vertrok ze, maar de volgende ochtend vroeg zat ze er weer. Ze verklaarde zichzelf voor gek, maar toch zat ze er. Elk vrij uurtje dat ze had besteedde ze daar. Thuis luisterde ze naar Bob Dylan, opnieuw en opnieuw, tot ze naar de platenzaak moest om haar grijsgedraaide lp’s te vervangen.

De moed zakte haar langzaamaan in de schoenen. Steeds minder vaak kwam ze naar het station. Op een gegeven moment zat ze er nog maar een keer per week, later een keer per maand, tot ze het na twee jaar opgaf. Ze trouwde een studiegenoot, verhuisde naar een andere stad en liet daarmee het station achter. Maar hem vergeten deed ze niet, nooit. Zijn raafzwarte ogen waren op haar netvlies gebrand.

 

Dertig jaar later was ze weer terug in haar geboortestad. De kinderen waren het huis uit, en ze had net een moeilijke scheiding achter de rug. Met haar kraag opgezet tegen de snijdende, winterse wind fietste ze door de stad, toen ze langs het station kwam. In een impuls zette ze haar fiets op slot, liep naar binnen en ging zitten op haar vaste stekje. Wie weet…

Binnen een kwartier viel haar oog op een slanke man. Hij had warrig grijs haar, en lange benen. Zou het hem zijn? Ze kon het niet zeggen. Mensen leken op elkaar, mensen veranderden door de tijd. Ze volgde hem zo onopvallend mogelijk met haar blik terwijl hij langsliep. Opeens schoot er een schok door haar borstkas. Op zijn rug droeg hij een donkerrode gitaartas, met een foto van Bob Dylan erop, en het vergeelde citaat. Als door de bliksem getroffen sprong ze op en rende achter hem aan. Ze tikte op zijn schouder, precies zoals ze toen had gedaan, die ijzige vrijdagmiddag in januari, en hij draaide zich om.

Ze keek in twee pikzwarte ogen, twinkelend van energie. Hij was het! Hij was het echt. Zo vaak had ze zich dit moment voorgesteld, maar nu wist ze niet wat ze moest zeggen. Zou hij zich haar nog herinneren? Ze had altijd nog een sprankje hoop gehouden, maar ze zag geen herkenning in zijn ogen. Met een ongemakkelijk maar vriendelijk glimlachje keek hij haar aan.

‘Is er iets?’ vroeg hij. Voor het eerst hoorde ze zijn stem. Hij was diep, warm.

‘Ik… ik… nee. Er is niets. Alles is goed. Perfect.’ Ze keek recht in zijn ogen, die ogen. ‘Ik… ik vroeg me af, misschien klinkt dit wat raar, maar ik vroeg me af… heeft u misschien zin in een kopje koffie, met mij, als u tijd heeft. Ik zag uw gitaarkoffer, met Bob Dylan, en ik, ikzelf, ben ook een groot fan, en ik… ik dacht… misschien kunnen we elkaar wat beter leren kennen.’ Ze kon zichzelf wel slaan. Ze klonk belachelijk.

Hij lachte. ‘Ik moet eigenlijk naar mijn trein, maar die kan wel wachten.’ Haar hart maakte een sprongetje.

Zij aan zij liepen ze weg; het zwartharige meisje dat nu een dame was, en de jongen met de zwarte ogen die, zonder dat hij het wist, altijd al de hare was geweest.

Ontwerp door Willem Verweijen