Het Paradijs - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Het Paradijs - Mijn Kort Verhaal

Anouk Siep

19 jaar - VWO

56
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Anouk Siep (19 jaar)

? stemmen

Het Paradijs

Als er iets was dat Herr Kaestner had geleerd van de natuurkunde, zou het het besef van eindigheid zijn. Waar het met leer beklede hengsel van zijn ene koffer eindigde, begon zijn verharde hand die rood zag van de kou, net als de neus waaruit hij periodiek stoom blies als de trein van Linthal naar Luzern. Door Schwanden, door Glarus, door Ziegelbrücke, door Pfäffikon, en door, en door, en door; terwijl hij de trein betrad vertelde hij zichzelf nogmaals over de enige, beangstigende zekerheid die hij kende: alles moest een einde hebben.

 

Het ijzeren gevaarte met begin en einde had wagons zover het oog kon zien. Na elke deur vond men nogmaals een deur, enkele tientallen meters verder. Kaestners stoelnummer vond hem eerst. Zijn turkooisgekleurde rugleuning weerkaatste op de hoogglanzende rugzij van de stoel ervoor. Naast hem liep het gangpad, maar ook het raam. De zwarte jas die Kaestner bekleedde kleurde groen terwijl diezelfde natuurkundige uit zijn tas een boek liet opdoemen, gevuld met beelden en figuren en ideeën – door Schwanden, door Glarus, en door, en door, en door. Achterin het boek vol notities vond Kaestner zichzelf terug op een zilveren plaat, met een glimlach naast zijn vrouw.

 

Thuis, dacht hij. Linthal, daar verliet het gevaarte zojuist, dan Schwanden, Glarus, Ziegelbrücke, Pfäffikon, Arth-Goldau… uiteindelijk zou de trein Luzern schampen.

 

De stoel voor de zijne had twee verticale rijen gedecoreerde koperen draadnagels. Zestien per kant, ieder exemplaar zorgvuldig opgepoetst. In het uitgerekende horizontale midden, een embleem: een cycloon gezien vanuit zijn eigen oog, met uitgesneden reliëf. Kaestner glipte zijn hand uit de zwarte mouw die haar hulde en gleed zijn nagel in de uitgehouwen gleuf. Vanuit de laatste pagina van het schrift aanschouwde Frau Kaestner hoe haar man zijn nagel liet vallen door de perfecte insnijding. Zijn uitgestrekte wijsvinger rolde langs het midden als tussen de draden om een klos. En door, en door, en –

 

De conducteurs rode jas reflecteerde in het gepolijste koper. Ergens tussen de kleur van het koper en het vilt zou het haar van Frau Kaestner vallen. Hij trok zijn hand schokkerig terug toen de conducteur hem aansprak. Met een paar schuddende handen gaf hij een verfromfraaid kaartje aan, en alles was weer goed.

 

Het landschap raasde door, totdat dit ook stopte en zijn theorie ook die test doorstond. Dit zou Schwanden geweest zijn. Frau Kaestner, met haar koper-en-vilten haardos, keek met tevredenheid zoals de meeste foto’s dat deden dezer dagen. Herr Kaestner keek naar het embleem – dat verdomde embleem met zijn bedrieglijke eindigheid. Het leek toch minder op een wervelwind, en meer op het chignon dikwijls achterop het hoofd van zijn vrouw, dacht hij. Dat was eindig, dat wist hij zeker. Haar koperdraden haar eindigde halverwege haar rug – ja, dat deed het de vorige keer dat hij haar zag. Ondertussen zou het lager vallen.

 

Hij zocht het begin van de gepolijste symbolische klos om uit te rekenen waar het einde zou moeten zijn. Zijn zicht dwaalde langs het zwarte midden – en toen weer naar buiten: een tiental huizen, een honderdtal mensen op een plein ernaast; alles raasde langs als Glarus en Ziegelbrücke.

 

Hoe lang hij ook keek, hij vond begin noch einde. Zijn draden, de symbolische beweging van de wervelstorm, de haren van de knot — welke hij ook volgde, was eindeloos. Het kon niet. Zijn tanden knarsten tezamen, zijn handen versteenden in concentratie. Bedriegerij, riep hij woordeloos uit.

Hij deed er niets mee. Bergen raasden voorbij in zijn ooghoek, het groen van het landschap versprong steeds langzamer totdat het helemaal niet meer bewoog. In zijn andere ooghoek verlieten een handjevol mensen hun plek – maar Kaestner kon niets zien behalve dat tollende embleem. Zijn hand sloeg op de armsteun; zijn zicht duizelde, maar zijn focus kon niet doorbroken worden door de eindigende zaken. Hij wist, ook al keek hij nog zo lang, dat hij niet oneindig kon kijken. Het universum had een einde. Deze trein had er twee. Het embleem, ach, het embleem – die zou er ook wel minstens één hebben, maar het zou toch meer kloppen in zijn logica als hij er net zoveel zou hebben als het haar van Frau Kaestner in dat chignon; zou dat één eind zijn of in de duizenden einden – hoeveel haren had een mens op zijn hoofd? Wat een angstige realiteit, dacht hij, waarin alles een duidelijk eindpunt had. Deze trein, bijvoorbeeld, zou stoppen in Luzern, zijn eindpunt. Frau Kaestners huid zal ooit vermolmen en haar koperen haar zal loslaten. Dan zou het embleem van haar chignon waar hij nog altijd naar staarde het nog langer volhouden.

 

Het kostte hem maar één afwijkende gedachte, een mentale overstap naar de broze, sterfelijke realiteit: wat komt er na Arth-Goldau? Hij kon zich alleen concentreren op die verachtelijk vage woorden:

 

En door;

En door;

En door.

 

Hij sloeg zijn notitieboek dubbel en klemde het weer in het respectieve vak in zijn kleine koffer met het leren handvat.

 

Zo ver het oog kon zien gaven turquoise ruggen contrast aan het goud, koper en middenbruin van de trein. Toen hij opstond was geen enkele stoel meer bezet. Wagons tot in den eeuwigheid.

 

Hij hoorde alleen het serene ruis van een trein die over een rails dreef. De zucht die hij sloeg weerkaatste voor eeuwig. Een resonans als deze zou Kaestner normaal niet aan zou kunnen, klonk hem nu als de meest verfijnde melodie in de oren. Hij verdronk haast in zijn eigen geluk, zonder de angst voor het tollende embleem, het groeiende haar, de vermolmde huiden, en het station na Arth-Goldau.
Vanuit het grote, trotse raam gaapte de schitterende oneindigheid die dit ijzeren gevaarte met begin noch einde schampte.

Ontwerp door Willem Verweijen