Het meisje van de zee - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Het meisje van de zee - Mijn Kort Verhaal

Isabel Kaptein

18 jaar - Havo

47
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Isabel Kaptein (18 jaar)

? stemmen

Het meisje van de zee

De wind blaast in mijn gezicht. Ik sta daar, in mijn eentje, in de duinen, geen mens te bekennen. Ik geniet van de rust om me heen en laat me meevoeren met de golven van de zee. Laat het los… fluistert een zacht stemmetje in mijn oor. Turend in de oneindige verte welt er een sprankje geluk in me op, een traan ontsnapt van mijn wang. Rolt langs mijn gezicht en valt in de donkere diepte. Ik voel me net een rots, een geheel met de natuur om me heen, vastgeroest in de grond, begroeid met mos en algen, onverwoestbaar. De branding slaat wild tegen me aan, maar geen enkele golf krijgt me van mijn stuk.

Donker. Ik schrik wakker. Zweetdruppeltjes hebben zich op mijn voorhoofd verzameld, mijn kussen voelt klam van het zweet. De droom vervaagt, alleen een bizar gevoel achterlatend. Mijn ogen kijken in het duister, mijn handen tasten naar het nachtlampje. Ik druk het bekende lichtknopje in. De kamer wordt verlicht en de duisternis verdwijnt. De mist klaart langzaam op in mijn hoofd en ik word me plots bewust van mijn omgeving. Ik lig veilig in mijn bed. Zo lang als ik me kan herinneren woon ik met mijn ouders in deze oude vuurtoren in de duinen. Mijn hoofd is weer helder en mijn adem stokt. Ik realiseer het me plots. Mijn moeder is weg.
En ik herinner me er nog elke ondraagelijke minuut van.

Het is een stormachtige dag, Ik zit voor de kachel, starend in de flikkerende rode vlammen. Langs me ligt onze trouwe zeereus Archie. Hij ligt opgekruld in zijn mand en zijn zwarte kraaloogjes kijken me af en toe angstig aan, net alsof hij voelt dat er iets onheilspellends op de loer ligt. Mijn vader, een boom van een man, ijsbeert door de pittoresk ingerichte kamer. De anders altijd zo vrolijke en onverschrokken zeeman is nergens meer te bekennen. Zijn gezicht staat op onweer. Hij verwijt het zichzelf: hoe kon hij dan toch zo imbeciel zijn geweest. Het regent pijpenstelen buiten en de zee is woester dan hij in al die jaren als oude zeerot heeft gezien. Hij had haar nog zó gewaarschuwd voor de gevaarlijke storm vanavond, maar die vrouw heeft een eigen wil, niemand kan haar tegenhouden als ze eenmaal iets in haar hoofd heeft. Dat heeft hij altijd maar al te goed geweten, keer op keer zoekt ze net dat randje gevaar op. Ook vanavond zoals vele malen daarvoor is ze gaan zwemmen, het lijkt net alsof de zee een of andere hypnotiserende aantrekkingskracht op haar uitoefent. Drie kloppen op de deur. Mijn vader trekt in alle ongerustheid de deur zo snel mogelijk open. Er staan twee politiemannen beide gekleed in een blauw uniform in de gietende regen. Ze worden beleefd uitgenodigd om naar binnen te komen. Ik ga naast mijn vader staan en Archie drukt zijn natte snuit troostend tegen mijn hand. De mannen halen hun pet van hun hoofd en vertellen mijn vader en mij met een bedrukt gezicht vol medeleven het tragische lot dat mijn moeder en zijn vrouw is overkomen. Ze zeggen ons dat ze is verdronken. Ze zeggen ons dat ze met haar hoofd tegen de rotsen is geslagen. Ze vertellen ons dat ze geen pijn heeft gehad. Ik kijk naar mijn vader, hij staart gekweld voor zich uit. Het lijkt alsof we precies hetzelfde denken….Hoe? Dit kan niet, de onbevreesde vrouw die we naar ons gevoel door en door kennen, deze vrouw kan alles aan. Deze vrouw komt altijd veilig thuis. Dit lot kan haar onmogelijk gegeven zijn.

Ik staar naar de oneindige blauwe zee. Ze lijkt zo vredig, zo mooi en tegelijkertijd zo onheilspellend. Archie rent de zee in en rolt in het natte zand totdat zijn krullende vacht onder de modder zit. Speels pakt hij een grote tak en rent uitdagend rondjes om me heen. Hij keft en drukt de natte tak in mijn hand. Ik streel hem over zijn kop en hij kijkt me met lachende oogjes aan. Hij lijkt te willen zeggen: Gooi de tak! Ik kijk hem mistroostig aan en geef hem met een halve grijns op mijn gezicht zijn zin. De tak gooi ik zo ver als ik kan de branding in. Ik laat al mijn frustraties gaan en ren lachend samen met Archie achter de tak aan. Ik heb hem ver in de zee geworpen en ik ren zonder me zorgen te maken over mijn kleding het water in. Ik huil. Ik lach. Ik laat al mijn emoties gaan en voel een klein sprankje geluk opwellen. Lachend kom ik het water uit en plof neer op het strand. Naast me ligt een mooie parelmoeren schelp. Ik raap hem op en denk aan mijn moeder. Ik denk terug aan de tijd dat ik als klein meisje samen met haar het strand afstruinde op zoek naar zulke mooie vindingen, cadeautjes van de zee noemde zij ze. Wat was mijn moeder toch een bijzondere vrouw. Ik lach door mijn tranen heen. Opnieuw staar ik naar de kapseizende golven en het valt me op dat ze er minder dreigend uitzien. Het lijkt alsof ik een schim van mijn moeder in de branding zie. Weer schiet ik in de lach. Het verbaast me niet eens. Mijn moeder is en blijft altijd verbonden met de zee, de zee waar ze zo geobsedeerd door was, waar ze zo verliefd op was, waar ze geen afstand van kon doen. Ik heb zelfs niet gemerkt dat mijn vader ook op het strand gelopen is. Hij gaat naast me zitten in het zand en hij slaat een troostende arm om me heen. We turen naar de zee en kijken elkaar vervolgens aan, wij slaan er ons samen doorheen. Dat is wat zij gewild zou hebben.

Ontwerp door Willem Verweijen