Het gezonken slavenschip - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Het gezonken slavenschip - Mijn Kort Verhaal

Lisa Sleck

16 jaar - VWO

210
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Lisa Sleck (16 jaar)

? stemmen

Het gezonken slavenschip

de overstap van: leven naar dood en gevangenschap naar vrijheid

 

De overstap, Het gezonken slavenschip

“Doorlopen” klinkt het, zwepen knallen en er wordt geslagen. De slaven stoet zet zich weer in beweging. Zo’n tachtig slaven worden ingescheept, op weg naar een nieuwe bestemming, weg van de kust die ze kennen.

Sommigen kijken nog één keer om. Anderen kijken vooruit, naar het schip waar ze binnenkort allemaal op zullen varen. Er wordt gejammerd en gehuild. Tranen zijn het enige dat ze nog over hebben om hier achter te laten. Familie is vaak al achtergelaten, net als hun dorp, hun vrienden, het hele leven zoals ze dat kennen. Veel jongens zijn na gevangenschap van hun moeders gescheiden. Anderen zijn ’s nachts uit hun dorp gekidnapt door slavenhandelaren. Weer anderen zijn al een aantal dorpen meegesleept. Veel verdriet en veel verhalen. Maar het maakt nu allemaal niet meer uit. Ze zijn gelijk. Ze hebben allemaal dezelfde overstap gemaakt. Van vrijheid naar gevangenschap. Los van wat hun functie of rang geweest is. Het maakt niet meer uit. Ze zijn nu allemaal slaven. Langzaam lopen ze naar de boot richting loopplank. Af en toe struikelt iemand en klinkt de zweep weer. “Doorlopen, doorlopen!”. Vanaf het dek van het schip worden ze allemaal naar het onderruim geleid. Wie niet snel genoeg loopt, wordt een handje geholpen en valt met een duw naar beneden, naar de muffe ruimte waar ze met zijn allen de komende maanden zullen moeten doorbrengen. Het land wat ze zojuist nog onder hun voeten hadden en waar velen van hen geboren zijn, is het laatste stukje land dat ze nog ooit zullen zien.

Het schip “De Engel” is twintig dagen geleden vertrokken richting Amerika om slaven af te leveren. Aan het begin is het rumoerig geweest in het ruim. Iedereen was bang, zeeziek of beide. Naarmate de weken vorderen is het rustiger geworden. Ze krijgen ook niet genoeg te eten om veel meer te doen dan voor zich uit te staren. Weer een dag voorbij. Weer een dag geleefd.

Vandaag is er veel rumoer op het schip. Er is ook veel beweging. De slaven in het ruim worden hard van de ene kant naar de andere kant geschoven. Storm! En ze varen er rechtstreeks in. Het weer wordt slechter, de golven worden hoger en de slaven in het ruim worden murw gebeukt van de ene kant naar de andere. Water loopt het ruim in en er ontstaat paniek. “Help! We zitten hier in de val!” Waarom luistert er niemand? Het water in het ruim stijgt langzaam. Het is ijskoud. Het is nu nog een klein laagje, maar zonder woorden weten alle slaven dat wanneer de bemanning het schip moet verlaten, de slaven worden achtergelaten in het ruim. Ze zullen voor dood achtergelaten worden. Opnieuw wordt tegen het luik gebonsd en er wordt in verschillende talen om hulp geroepen. Het water komt nu tot aan de knieën van de slaven. Een moeder tilt een klein kind op dat onder water dreigt te verdwijnen. Wanneer duidelijk wordt dat ze echt niet op hulp hoeven te rekenen, wordt het heel stil in het ruim. Het roepen verandert in bidden. Mensen bidden tot hun eigen goden en als ze geluk hebben kunnen ze bij hun familie gaan staan. Ook Kamau zoekt zijn familie op. Zijn zusje, vader en moeder zitten op hetzelfde schip, net als nog negen mensen uit zijn dorp. Hij kijkt om zich heen om in het halfduister zijn familie te vinden. Net als elke keer schrikt hij als hij zijn zusje ziet. Ze ziet er al weken niet meer goed uit. Ze zit onder de zweren en heeft duidelijk veel pijn. Het is maar goed dat niemand van de bemanning dit eerder gezien heeft, anders was ze al lang van het schip af gegooid. Ze mocht immers eens iets besmettelijks hebben! Slaven zijn kostbare lading…

Zijn moeder kijkt hem aan met tranen in haar ogen maar toch een glimlach op haar gezicht. “Hallo Kamau.” zegt ze en ook zijn vader komt nu dichtbij hen staan. “Kamau, onthoud goed: doe er alles aan om te blijven leven en we zullen elkaar helpen waar we kunnen. Maar als we niet blijven leven, zijn we niet meer gevangen, maar vrij!” zegt zijn vader dringend, terwijl zijn moeder over zijn hoofd aait. Het water blijft ondertussen stijgen en komt bij Kamau tot zijn middel.

“Rif!” klinkt het vanaf boven hun hoofden. Op het dek boven het ruim wordt geschreeuwd en heen en weer gerend. Chaos. Ruziestemmen, rennen, gillen en opnieuw wordt er gerend. Kamau luistert zo geconcentreerd mogelijk, maar verstaat verder niets. In het ruim wacht iedereen gespannen af.

Dan klinkt er een enorme klap, gevolgd door nog meer gegil. “Rif rif!”. Het schip maakt slagzij en begint te zinken. Grote hoeveelheden water gutsen naar binnen. Het duurt nauwelijks tien seconden voor het water ook bij Kamau tot zijn lippen komt. En dan nog hoger. Ademhalen is niet meer mogelijk. Sommige slaven proberen op de schouders van anderen te klimmen, anderen proberen door de scheepswand te slaan. En Kamau huilt. Hij voelt hoe het zout van zijn tranen wordt opgenomen in het zout van de zee. Maar het is geen verdriet dat hij voelt, maar opluchting en zelfs geluk. Hij is klaar voor deze overstap. Niet langer een slaaf, niet langer opgesloten. Niet door werken en geslagen worden tot je van uitputting neervalt, maar vrijheid. Vrijheid, samen met zijn goden….

 

Ontwerp door Willem Verweijen