Hemelvaart aan de Griekse kust - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Hemelvaart aan de Griekse kust - Mijn Kort Verhaal

Thijmen de Niet

19 jaar - VWO

1
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Thijmen de Niet (19 jaar)

? stemmen

Hemelvaart aan de Griekse kust

Het zeewater, tussen twee klippen gevangen en in de baai verkoeld door de nacht, weerkaatste het bakkende licht van de middagzon als een scherp geslepen spiegel en verleidde me een weg te banen door de rimpels van zijn oppervlakte. Een gemoedelijke sfeer spande alom als een sluier van rust. In het resort, dat witte cementen appartementen hoog boven het gesteente van rotsen en keien huisvestte, zweefde het geluid van de kabbelende dans van de zee, slechts vergezeld door de kalmte van een fluitende Griekse wind. Tussen de mediterrane gewassen en olijfbomen liep een pad van stoffige kiezelsteentjes dat vanaf het hoogste punt van de heuvel de weg naar het begin van de zee leidde.

Ik zie haar daar zitten, op het strand. Elke beweging lijkt tot in perfectie geoefend. Haar bikini is subliem afgestemd op haar bescheiden, toch bewonderenswaardige lichaam. Het meisje waar ik al zo’n kwartier mijn ogen van probeer af te houden, doet geen concessies. Ze maakt geen één fout en lijkt nooit nerveus te zijn. Arrogant is ze zeker niet, en dat zou haar ook niet sieren. Zij is anders dan al die in make-up gehulde lustobjecten. Het warme zonlicht druipt van haar donkerbruine lokken, haar lange slanke benen schitteren in het parelwitte zand, en haar gezicht, feilloos en zonder grofheid, verleidt alle jongens en mannen hun ogen naar haar te wenden.

Ik ken haar al een tijdje. Elk jaar kiezen mijn en haar ouders dezelfde vakantiebestemming, in hetzelfde resort aan dezelfde Griekse kust. Als we dan samen, door enkele strandstoelen gescheiden, op het strand lagen, keek ik vanuit mijn ooghoek altijd even naar haar. Ik wilde mijn hoofd niet bewegen, het mocht niet opvallen. Als ik haar in een glimp van een seconde had bekeken, liet ik snel mijn rechteroog weer rusten. Ik genoot dan van wat ik had gezien in die perfecte seconde. Ik wist niet of zij ook weleens naar mij keek. Ik wilde het graag geloven. Ik liep dan opzichtig voor haar langs over het strand, enkele keitjes gooiend naar de zon, zonder doel natuurlijk, en probeerde zo nu en dan wat oogcontact met haar te maken. Eén keer vroeg ze me wat, en keek ze me ook na. Eén keer liet ik haar lachen en één keer deelden we ons gezichtsveld met elkaar. Ze liet me dan vallen in haar ogen, zo diep als de geheimzinnigste oceaan. Zij was altijd bij mij, altijd. In die kleine, knullige, perfecte momentjes.

Ze staat op en loopt, haar badkleding hoeft ze niet te corrigeren, naar de rand van de frisse zoute zee. Zwevend boven de grootste klip zie ik dat ze met haar handen het zachte water opzijschuift en in mijn richting zwemt. Haar hoofd dompelt zich onder in de heldere baai en het wazige beeld van haar lichaam zorgt voor een tintelend gevoel in mijn onderbuik. Langzaam verdwijnt ze naar de bodem, om een schelp op te duiken, of om een vis te volgen. Misschien om wel even haar hoofd te luchten en al het zwaargewicht van andere mensen los te laten. Als ze bovenkomt en ze haar rug naar het water keert en de zon recht aankijkt, zie ik de waterdruppels op haar middel glinsteren en haar slanke armen boekdelen spreken in het vochtige licht van de zon. Ze peddelt met haar slanke voeten soepeltjes door de schaduw van de grote klip. Ze komt naar mij toe.

Ik spreek mezelf tegen en stel vast dat zij niet is weggelegd voor mij. Al die zomers jaar in jaar uit bewijzen het, al die nietszeggende blikken, al die zinloze hoop. Ik sta met de ene voet in deze wereld en met de andere in het luchtledige. In haar heeft nooit een sprankje toekomst gezeten, niet toen, en nu ook niet. Ik was voor haar altijd al gestorven, maar zij leeft zelfs na mijn sterven voort. Ik merkte het thuis, altijd moest ik proeven van die onbereikbaarheid, en hier, elk jaar weer aan de Griekse kust, ging dat gewoon door. Twijfel houdt mij gevangen en onwetend, twijfel houdt haar onbereikbaar. Maar wat moet ik dan? Toegeven aan dat drammende verlangen en het haar meteen vragen? Nee, dat kan niet. Dan had ik mezelf voor schut gezet. Acceptatie is juist nu voor mij belangrijk, en perfectie is nou eenmaal onbereikbaar.

Het water glijdt van haar af als ze de klip beklimt. Haar natte haren zwiept ze naar achteren en kijkt met haar grote ronde ogen naar boven. De afstand tussen mij en haar is nu klein, net zo klein als de afstand tussen ons toen we samen op het strand lagen. Stap voor stap komt ze dichterbij. De droge keien koelen af onder haar natte voeten, en de wind waait langs haar heen. Als ze boven is gekomen, staat ze naast me. Onze gezichten zijn naar de overkant van de baai gericht, naar de kleinere klip. Ik kan haar zien, in mijn ooghoek. Ik voel haar aanwezigheid en haar perfectie. Als ik eindelijk de moed heb verzameld om tegen haar te praten, spreekt ze:

‘Waar ben je?’

‘Ik dacht dat…’

‘Want je ouders zijn…’

‘Ze vertelden me dat…’

Een suizende stilte volgt haar woorden op de voet en ik sta daar maar, naast haar, met een brok in mijn keel.

‘Ik dacht altijd dat je niets voelde, dat ik je niets deed, dat je me expres negeerde en dat je me elk jaar vergeet. En nu ben je weg. Omdat twijfel jou onbereikbaar hield en mij gevangen in mezelf’

Mijn hart staat stil.

Ik weet dat ze me niet kan zien, ook niet ruiken of voelen. De brok in mijn keel lost op, ik voel me niet meer verloren. Ik fluister in haar oor, misschien kan ze me nog horen:

‘Jij bent bij mij, en ik bij jou, altijd’

Ze kijkt naast haar, niet verschrikt: er schuilt veel ongeloof in haar blik.

‘Jij bent bij mij, en ik bij jou, dat beloof ik’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ontwerp door Willem Verweijen