Grip - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Grip - Mijn Kort Verhaal

Sabien ten Have

19 jaar - vwo

1
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Sabien ten Have (19 jaar)

? stemmen

Grip

Ik zit in de trein. De coupé voelt vertrouwd aan. Het doffe, ritmische geluid van de wielen die het spoor raken stelt mij gerust. Mijn rechtervoet tikt zachtjes mee op het ritme.
Ik kijk om mij heen en zie dat er een vrouw tegenover mij zit. Mijn blik glijdt uitvoerig langs haar heen. Haar huid heeft de kleur van melkchocolade. Versierd door een tal lichtbruine zomersproetjes. Een prachtig gezicht. Ze draagt een jurk die net over haar knieën valt met een felgekleurde print en op haar schoot zit een kind. Het jochie kijkt stoer om zich heen. Hij doet mij denken aan mijn eigen zoon toen die klein was. Nog jong, maar al zo bewust van zichzelf. Die kan voorlopig de hele wereld aan. Al helemaal op de schoot van zo’n mooie moeder, bedenk ik mij. Wanneer ik merk dat de vrouw opkijkt en ziet dat ik onbeschaamd naar haar en het jochie aan het staren ben, wend ik mijn hoofd af. Ik voel dat ik wat rood word. Mijn konen gloeien een beetje.
Om de aandacht ergens anders op te vestigen, haal ik vlug het briefje uit mijn broekzak. Het is een klein stukje krantenpapier, gescheurd uit een plaatselijk huis-aan-huisblad. Op de achterkant staat een foto van een afgetraind vrouwenlichaam in een baby roze bikini. Met paarse koeienletters staat er bij geschreven: ‘Geef jezelf een strak lijf cadeau!’. Deze manier van verkoopstimulering voor het een of andere dieetboek doet mij grijnzen.
Wanneer mijn vingers een poging doen tot het omdraaien van het papier, verliezen ze hun grip. Het briefje valt op de vloer van de trein. Het is een smerige vloer. Een klodder mayonaise is er lichtjes over uitgesmeerd.
Een hand naast mij pakt het briefje op. Ik volg de beweging en de hand blijkt van een man te zijn die naast mij zit. Ik kan mij niet herinneren dat hij hier eerder ook al zat. De man draagt een bruin regenhoedje. Ik vermoed dat hij licht kalend is. Dat probleem heb ik in mijn jongere jaren maar al te goed gekend. ‘De eerste zichtbare tekenen van aftakeling’, zei ik altijd breed lachend als iemand mij weer wees op het kale rondje achterop mijn hoofd.
‘Alstublieft meneer’, klinkt het naast mij. De man praat wat bekakt. Ik mompel wat onverstaanbaars terug. Het papier wordt nu opengevouwen in mijn handen geschoven. Dan schiet mij iets te binnen: ‘Jongeman, zou jij misschien iets voor mij willen doen?’ Ik denk even na. ‘Op dat briefje staat welke overstap ik moet nemen.’ De man trekt zijn gezicht in een ongemakkelijke, maar beleefde houding. Hij kijkt even over mijn schouder mee. Dan is het een ogenblik stil. ‘Meneer, u kan nog twee tussenstations blijven zitten, bij het station daarna moet u uitstappen. Ik zal u voortijdig waarschuwen.’ Ik geef hem weer zo’n zelfde knikje en daarmee eindigen we het gesprek.
Mijn gedachten dwalen af naar mijn dochter. Ze heeft zich verheugd op deze mooie dag. ‘Wij zijn zo trots op jou, papa’, zei ze vanochtend nog aan de telefoon. Sinds de diagnose zegt ze dat vaker. Ook dat ze zo zielsveel van mij houdt. Ze lacht er dan bij. Wanneer ze lacht, krullen haar mondhoeken zo schattig omhoog. Als baby had ze al die prachtige glimlach en ik zal er alles voor doen om hem niet te vergeten. Van het idee dát, moet ik even zuchten.
Mijn dochter woont in de stad. Ze kwam er op jonge leeftijd achter dat het platteland niet voor haar bestemd is. Rot verveelde ze zich in dat gehucht, kreeg ik vaak te horen. Dus toen ze op 18-jarige leeftijd haar middelbare school had afgemaakt, vertrok ze naar de grote stad om daar te beginnen aan een studie geneeskunde. Van mij kreeg ze één-kamerappartement cadeau. Gekocht. Dat was praktisch, want dan zou ze geen gedoe hebben met vervelende huurbazen, was het idee erachter. Eigenlijk, wilde ik haar vooral een groot plezier doen. Na drie maanden stopte ze met de studie, ze vond het er gewoon écht niet leuk, had ze mij verteld. Pas veel later kreeg ik van haar broer te horen dat ze toentertijd van de opleiding was geschopt. Tijdens de kennismakingsweek had ze het bed gedeeld met een van de hoogleraren.
Desalniettemin woont ze tot op de dag van vandaag in de stad, in hetzelfde één-kamerappartement.
‘We gaan vandaag samen een boekje maken’, vertelde ze mij vanochtend. ‘Waar we allerlei herinneringen en foto’s van vroeger gaan inschrijven en plakken.’ Ik had gereageerd met: ‘Oh ja? Goh, wat leuk.’ Ze vertelde mij toen, dat dit een plan was dat we de laatste maanden samen hadden bedacht. Toen het nog beter met je ging, had ze er aan toegevoegd. Ik voelde dat de woorden die ze zei, ons beiden zeer deden. Ze grijpen mij naar de keel. Een vervelend, benauwd gevoel was het gevolg geweest.
‘Meneer, u moet hier uitstappen!’ Verbouwereerd kijk ik op uit mijn gedachten. Een man tikt mij aan. Hij zit naast mij. ‘Meneer, u moet er nu echt uit, dit is uw overstap.’ Hij klinkt gejaagd. ‘Zal ik anders even met u meelopen om te helpen met het uitstappen? Die kleine, smalle trapjes in de trein zijn altijd onhandig.’ Ik kan mij niet herinneren dat ik deze man eerder heb gezien. Hij drukt nu een briefje onder mijn neus. Ik bekijk het briefje. De naam die op het briefje staat matcht met de naam die staat weergegeven op het elektronische bord in de coupé van de trein. ‘Hier moet ik er inderdaad uit’, bedenk ik mij dan. Ik geef de man daarom maar een voorzichtig knikje en mompel in zijn richting ‘bedankt’.
Zorgvuldig sta ik op uit de stoel die bekleed is met blauw leer. ‘Doeij menjeer!’, roept een jongetje terwijl ik wegloop. Hij zat tegenover mij. Nog niet bewust van zijn geslis, kijkt hij mij stoer aan.

Ontwerp door Willem Verweijen