Gedachtenpaleis - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Gedachtenpaleis - Mijn Kort Verhaal

Sean Verschaeve

19 jaar - ASO

0
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Sean Verschaeve (19 jaar)

? stemmen

Gedachtenpaleis

Johannes Alexander neemt een slok van zijn lauwe koffie terwijl hij zijn trillende handen probeert te betomen. Hij plaatst zijn porseleinen tas naast hem op de bijzettafel en komt moeizaam overeind uit zijn sofa. Wanneer hij rechtstaat, valt zijn oog op het portret van zijn overleden echtgenote Bénédicte. Er valt een duisternis over de bibliotheek en zachtjes weergalmt Requiem van Mozart. Johannes schuifelt angstvallig naar de hardhouten deur recht voor hem. Hoe dichter hij bij de deur komt hoe luider de muziek weerklinkt. Hij grijpt naar de vergulden deurkruk en voelt een koude rilling door zijn lichaam gaan. Er valt een duisternis over de kamer en alles begint te beven. Johannes houdt zich vast aan de deurkruk en opent de deur. Hij wordt verblind door het witte, bijna hemels licht, dat door de deuropening schijnt. Het beven stopt, net als de muziek. Johannes houdt krampachtig de deurstijl vast en haast zich naar de monumentale wenteltrap op het einde van de gang. De trap is volledig vervaardigd uit parelwit marmer. Naast de opstap staat een imposante marmeren leeuw die geïntegreerd is in de trap. Het lijkt alsof hij de wacht houdt over de verbinding tussen de deugden en de zonden. Terwijl Johannes zich door de gang snelt, ziet hij hoe de ogen van zijn borstbeeld hem aanstaren. Hij richt zijn gelaat de andere kant op en wordt overvallen door de smekende blik van Bénédicte, die afgebeeld is in het portret dat prominent in de gang hangt. Misselijk en geëmotioneerd komt Johannes aan bij de wenteltrap. Hij legt zijn trillend hand op het hoofd van statische bewaker. Opnieuw gaat er een koude rilling door zijn verouderde lijf. Hij heft zijn linkervoet van de vloer en beweegt deze naar de opstap van de wenteltrap. Ondertussen hoort hij hoe Der Wanderer van Schubert zachtjes begint te weerklinken door het gangenstelsel van het kasteel. Hij heft zijn hoofd omhoog en ziet hoe kleine stofdeeltjes van de kristallen luster naar benden dwarrelen. De trappen die hij eens zo jeugdig opliep, zijn nu een ware beproeving voor Johannes. Hij kijkt naar zijn herinneringen die geprojecteerd worden in de booglijsten langs de muur van de traphal. Hoe hoger hij op de trap komt, hoe vermoeiender de treden worden, hoe luider de muziek klinkt en hoe duisterder de projecties van zijn herinneringen worden. Wanneer hij diep inhalerend de laatste trede bestijgt, stopt de muziek abrupt. Hij draait zich om en ziet hoe er een zwarte leegte in elk van de lijsten ontstaat. Johannes kijkt rond in de hal en ziet opnieuw hoe de schilderijlijsten worden opgevuld met een zwarte leegte. Hij draait zich om en zijn zicht focust zich op de tweeledige deur die zich aan de andere kant van de trap bevindt. Altijd heeft hij die deur verafschuwd. Achter die deur ligt hetgeen ieder levende mens het meest vreest, zijn dood. Nog nooit heeft Johannes die deur geopend en ontvluchtte die deur dwangmatig. Meestal bleef hij zelf weg van de eerste verdieping van het kasteel. Telkens wanneer hij op deze verdieping kwam voelde het alsof zijn diepste geheimen en zonden uit zijn ziel gerukt werden. Wanneer hij dan naar een van de lijsten keek, zag hij hoe zijn geheimen en zonden tot leven kwamen in de lijsten. Hoewel hij deze kamers en gangen hem angst inboezemen, heeft hij altijd de drang gehad om deze oorden op te zoeken. Er was maar een deur die hij nog nooit durfde openen, de deur naar de kamer met het opschrift ‘Ad Mortem’. Een tijd geleden had hij opgemerkt dat het portret van zijn geliefde Bénédicte zwart kleurde. Steeds vaker begon het volledige kasteel te daveren en vielen volledige herinneringen van de muren. Johannes bleef verstijfd van angst naar de deur staren. Hij stelt zich recht en wandelt rustig maar zelfverzekerd naar de deur. Hij hoort hoe de houten vloer onder zijn voeten kraakt. Met elk van beide handen grijpt hij de vergulden leeuwenhoofden van de deurkrukken vast. Hij sluit zijn ogen en bemerkt dat zijn handen gestopt zijn met trillen. Hij slaakt een diepe zucht en opent met een zwaaiende beweging de deur. Hij staat met beide voeten in de kamer die hij nog betreden had. Recht voor hem staat een eiken bureau. In de kamer bevinden zich twee haardvuren en acht spiegels die een cirkel vormen. Johannes kijkt recht in een van de spiegels en zet een stap achteruit. Hij kan geen spiegelbeeld van zichzelf terugvinden in de spiegel. Hij kijkt omhoog naar het plafond en volgt met zijn blik een stofje dat van een kristal van de luster naar beneden dwarrelt. Wanneer het stofje ter hoogt van het bureau komt staat Johannes oog in oog met zichzelf. Achter het bureau zit een persoon die als twee druppels water op hem lijkt, maar dan 50 jaar jonger. Johannes begint te beven en blijft kijken naar zichzelf. “Wie ben jij?”, vraagt Johannes angstvallig. De persoon grinnikt en zegt: “Ik ben niemand anders dan jezelf.” Johannes blijft verlamd staan en durft niets voort te brengen. “Heb je een zuiver geweten?”, vraagt de persoon. Johannes blijft doodstil. “Wat zie je in de spiegels?”, vraagt de persoon met een zachte stem aan Johannes. “Ik zie niets.”, zegt Johannes. De persoon achter het bureau klapt in zijn handen. Uit het niets vatten beide haardvuren vlam en bewegen de spiegels naar Johannes toe. “En nu?”, vraagt de persoon. Johannes kijkt in de spiegels en ziet hoe zijn zonden geprojecteerd worden. “Hoe kan dit?”, vraagt Johannes. “Enkel een persoon met een zuivere ziel ziet niets en om te sterven moet je ziel zuiver zijn, Johannes.”, zegt de persoon. De haardvuren doven uit en de spiegels verwijderen zich van Johannes. Deze blijft angstig staan en zwijgt. “Keer terug en zuiver je ziel, pas dan mag je weten hoe je sterft.”, zegt de persoon rustig. Alles wordt zwart en Johannes voelt hoe het kasteel kantelt en hij valt achterover in een zwarte diepte. Johannes schiet wakker in zijn bureaustoel en ziet hoe Bén

Ontwerp door Willem Verweijen