Fluisterwind - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Fluisterwind - Mijn Kort Verhaal

Lydia Fris

19 jaar - vwo

44
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Lydia Fris (19 jaar)

? stemmen

Fluisterwind

De wind fluistert in mijn oor. Zijn koele adem blaast over mijn gezicht. ‘Je moet gaan,’ zegt hij. ‘Je weet waar naartoe. Ga!’ Ik ril en kijk steels om me heen. Ik ben hier toch alleen? De grassprietjes prikken in mijn billen waardoor ik me bijna gedwongen voel om op te staan. Bijna. ‘Waarom blijf je hier nog zitten? Sta op en ga.’ Verdwaasd sta ik op. Wat is er aan de hand? Waar moet ik heen gaan? Ik ben hier net, om even te genieten van de zon en de stilte. Maar dit wordt mij blijkbaar niet gegund. Mijn ogen glijden het verlaten veld over, op zoek naar iets duidelijks waar ik tegen kan praten. ‘Waar moet ik dan heen?’ Ik spits mijn oren, half omdat ik een antwoord verwacht en half omdat ik mezelf ervan wil overtuigen dat het helemaal stil is en ik me dus alles inbeeld. En inderdaad: alles lijkt te zwijgen. Tevreden ga ik weer in het gras liggen. Mijn ogen knijp ik dicht tegen de felle zon. Ik doe mijn best om de vreemde stem te vergeten en na een tijdje dommel ik in op het zachte ritselen van de bomen. Plotseling schuift de zon achter de dikke regenwolken en schrik ik wakker van oorverdovend gedonder. ‘Je weet dat dit geen zin heeft. Je weet dat je moet gaan!’ Bliksem breekt de hemel open en binnen een mum van tijd ben ik helemaal doorweekt. Vlug spring ik overeind en verbaasd hef ik mijn hoofd op naar de hemel. Miljoenen regendruppels snellen zich naar het aardoppervlak om op alles en iedereen hun sporen achter te laten. ‘Wáár moet ik dan naartoe?!’ schreeuw ik naar de hemel met gebalde vuisten. ‘Hier hoor ik toch thuis?” Uitgeput laat ik me op mijn knieën zakken. Mijn vuisten boor ik in de zompig geworden aarde. Woedend begin ik te huilen. De regen vermengt zich met mijn tranen en samen spoelen ze mijn boosheid weg. Zodra mijn tranen beginnen te drogen maken ook de wolken weer plaats voor de zon. ‘Ja, ja,’ mompel ik ‘na regen komt zonneschijn.’ Zacht gelach vult mijn oren, maar als ik goed kijk, blijkt het slechts het ritselen van de bladeren. Eindelijk lijkt het helemaal tot me door te dringen. Zouden de stemmen gelijk hebben? Is het tijd om te gaan? Dan wordt mijn blik ineens naar de zon getrokken. Geschrokken staar ik in het licht. In háár licht. Ik staar in haar gezicht, recht in haar ogen. Ik heb haar zolang uit mijn gedachten gebannen dat ik van haar schrik. Ik sluit mijn ogen als alle herinneringen aan haar zich weer aan me opdringen. En opnieuw worden mijn hoofd en hart met haar gevuld. De zon, denk ik, ze was als de zon. Zíj was de reden dat ik hier naartoe ben gekomen. Als ik mijn ogen weer open straalt alles me tegemoet. Bloemen tonen hun schoonheid en vogels tjilpen een vrolijk lied. Ik ga weer in het gras zitten. De groene vlekken op mijn broek deren me niet. ‘Moet ik naar háár toe?’ vraag ik me hardop af. Een opgewonden maar ook angstig gevoel maakt zich van mij meester. Mijn blik volgt het fladderen van een vlinder. Ineens fladdert hij hoog de lucht in en ik zie wat hij mij wil tonen. Een prachtige regenboog overkoepelt de hemel. Schitterende kleuren verfraaien het landschap. Verbluft door alle schoonheid sta ik ernaar te kijken. Hoop vult het gat in mijn borst dat er al zolang zit. Alles om me heen bevestigt dit gevoel. Opgelucht en hoopvol beweeg ik me over het veld. Zonder nog een moment te aarzelen ga ik op pad. En ik besef: ik ga wel weg, maar ik ga naar haar toe. De natuur heeft mij de weg naar huis gewezen.

Ontwerp door Willem Verweijen