Flessenpost - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Flessenpost - Mijn Kort Verhaal

Laura

19 jaar - VWO

0
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Laura (19 jaar)

? stemmen

Flessenpost

Flessenpost

 “Als ik een zaakje mocht beginnen, dan vulde ik hem met lege flessen. Van die lange, grote, met een half vergane kurk in de opening geperst. Verkopen zal ik de flessen overigens niet, men kan ze echter wel huren. En dan moet men ze mee nemen, naar de andere kant van de Atlantische Oceaan bijvoorbeeld. Vervolgens moet men hen vullen, met wat men maar wil of vinden kan. Daarna moet men terug komen, terug naar huis. En als men dan eenmaal daar is waar alles weer vertrouwd voelt, moet men ze legen, schoonbranden en zorgen dat er niets meer te vinden is van de overkant van de oceaan. Men levert ze vervolgens weer bij mij in en ik zal ze bewaren. En als men mij dan vraagt: “Wat is het nut?”, dan zal ik zeggen: “Is het niet mooi? Niet veranderd, maar wij weten zoveel meer. ” 

I

De ideeën die hij construeerde en vervolgens richting het universum riep, waren altijd intrigerend. Ik nam ze dan op mijn beurt mee, stopte ze ergens waar ze altijd bleven bestaan. Hij deed dat niet, hij bleef niet bestaan. Hij besloot te vertrekken “Ik maak mijn eigen Elysium wel,” zei hij en kwam nooit meer terug. De eerste dagen, weken, jaren, bleef ik nog wel hopen. Ach, wie doet dat niet? Wie trekt er geen muur van illusies omhoog om er vervolgens achter te komen dat je geen cement hebt gebruikt? Echter kan ik wél leven zonder verleden, ook al luidt dat per definitie de afwezigheid van de toekomst in. Het deert mij niet, ik leef simpelweg door.

II

Naast de verwilderde vijver, onder de asgrauwe eikenbladeren bevindt zich mijn zitplaats. Al tientallen jaren doet hij dienst als welkome rustplek. Mijn handelingen vormen een bijna inheems ritueel, als ik het bankje vrij maak van de onzuiverheden die de natuur achter liet. Enkele momenten nadat ik plaats heb genomen, verneem ik een gestalte die door de dichte ochtendmist nadert. Precies één grote stap voor mij houdt hij zijn pas in, opent zijn mond en vraagt: “Ik ben verloren, kunt u mij helpen zoeken?”, mijn adem stokt voor één, misschien twee seconden. Zijn gelaat roept een wervelwind aan gemoedstoestanden bij mij op en even trekt elke bloedcel zich weg uit mijn hoofd. Ik inhaleer diep en begin:

“Als jij verloren was, en ik zou een omschrijving moeten geven van dat wat zoek is, heb ik aan een enkel woord genoeg: niets. Jij was mijn grootste bezit. Niets was tenslotte mijn tijd waard, niets was mijn geld waard, niets was mijn liefde waard en  niets mijn kracht. Je was het niets, je was de verwarmende leegte die ik vond als ik mijn laatste kaart verspeeld had. Je was niet het licht, en ook niet het donker, je was het contrast.                                                                                                                                                                                               Hoe heb je me dit aan kunnen doen? Vanaf het moment dat je weigerde te bestaan, voelde ik mij zo godvergeten alleen, dat ik het nooit, nooit meer te boven ben gekomen. Moest je dan zo nodig? Moest je dan zo nodig gaan? Zeg me, alsjeblieft, zeg het me. Dagen heb ik op je gewacht, weken heb ik niets anders gedaan dan vechten tegen een oorverdovende stilte. Ik heb geweigerd alles wat ook maar jouw vertrek wilde afbakenen, toe te laten. Ik heb verslagen, dat wat jouw afwezigheid inkleurde.                                                         Jij bent niets kwijt, ik ben het. Jij hebt het juist, en ik wil het terug. Geef het me, ik wil niet veel.”

Al die tijd heeft zijn gestalte geen enkele poging gedaan mijn tirade te onderbreken. Mijn ogen zoeken een vertrouwde blik en hopen die te vinden. Wat zij echter vinden is leegte, maar deze is uiterst pijnlijk. Ik smeek hem, bid hem om een antwoord, maar hij hult zich in een doodse stilte. Mijn hoofd tolt, en ik spreek mijn laatste groet uit.

III

Er ontstaat een krakend geluid als ik de klink van de metalen deur naar beneden beweeg. De ruimte erachter ruikt licht bloemig en in de hoek onderscheid ik een vaas met gele chrysanten. Zijn favoriet. Het moet hier ergens te vinden zijn, en mijn vingers zoeken  een knopje dat de ruimte in een bad van licht zou moeten dompelen. Ik was hier een geruime tijd niet meer geweest, ik wilde hier nooit zijn. Het voelde naargeestig, deed me te veel denken aan. De stap wilde en kon ik simpelweg niet maken. Mijn vingers zijn er nog steeds niet in geslaagd het donker lichter te maken en ik maak een extra stap naar binnen. Met het moment dat ik het knopje vind hoor ik een allesverwoestend kabaal, glas breekt en enkele momenten later vind ik mijzelf terug op de ijskoude aarde.  In mijn ooghoeken ontwaar ik het gestalte van een glazen fles. Zo’n lange, grote, met een half vergane kurk in de opening geperst.

Ontwerp door Willem Verweijen