Fantasie, of werkelijkheid? - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Fantasie, of werkelijkheid? - Mijn Kort Verhaal

Anne Bunkers

17 jaar - Vwo

0
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Anne Bunkers (17 jaar)

? stemmen

Fantasie, of werkelijkheid?

Voorzichtig probeer ik rechtop te gaan staan op de surfplank. Surfen is leuk om naar te kijken, maar om het dan zelf te proberen is een ander verhaal. Tot nu toe is het me nog niet gelukt lang te blijven staan op de plank, maar ik geef het niet op.
Als ik eindelijk rechtop sta voel ik een triomfantelijk gevoel in mijn buik, terwijl ik met de surfplank over de golven heen ga.
De triomf was maar voor even, want een paar seconden later verloor ik mijn evenwicht en viel ik het water in.
“Zesendertig,” zegt mijn vriend James met een kleine glimlach op zijn lippen.
Ik spuug wat water uit en kijk hem boos aan. “Zit je nou serieus te tellen hoe vaak ik omval? Wat ben jij nou weer voor een vriend?”
James duikt lachend weg voor mijn vuist, die hem anders in zijn arm had geraakt, en schuift wat achteruit op zijn plank.
Ik kijk mijn vriend nog steeds boos aan. “Zesendertig lijkt me overigens ook wat overdreven.”
James haalt zijn schouders op. “Zesendertig is toch echt waar.”
“Liegbeest. Waarom moet je ├╝berhaupt tellen? Ik raak er enkel door van slag.”
“Goed, ik beloof niet meer te tellen. Beloof jij dan wat langer dan drie seconden op de plank te blijven staan?”
Deze stomp kon hij niet ontwijken.
Ik kijk even naar de zee, waar de golven weer hoger beginnen te worden. “Nog een keer?”
“Een keertje, dan gaan we weer naar huis.” James kijkt even op zijn waterdichte horloge. “Over zo’n twintig minuten is het zes uur, dan moet ik eten.”
“Een keer,” beloof ik hem, waarna ik op mijn buik ga liggen en naar de aankomende golf zwem.
Het was een steeds hoger wordende golf, een beetje abnormaal hoog zelfs. Zo hoog zijn ze nooit bij deze kust.
Ik ga voorzichtig weer rechtop staan en probeer mijn evenwicht te vinden.
James schreeuwt iets, maar door het geluid van de aanstormende golf kon ik hem niet horen.
Deze golf is wel erg hoog zeg- denk ik.
Toen werd ik door de golf overspoeld en kwam ik met een harde klap op de puntige stenen van de bodem terecht.
Er zweefde wat bloed langs mijn hoofd het water in. Fronsend kijk ik ernaar. Heb ik me zo hard gestoten?
Dan komt er een enorme vis langs me heen zwemmen. Of beter gezegd: een vismens.
Hoe noemde je dat ook al weer? Oh ja, een zeemeermin.
Ze kijkt me fronsend aan, terwijl haar goudkleurige haar als een krans om haar heen zweeft. Haar groene ogen stonden ernstig en vernauwden een beetje toen ze het bloed zag.
“Heb je je gestoten?” vraagt ze met een zachte, melodieuze stem.
Ik wilde best antwoorden, maar dan zou ik een hele hap water in mijn longen krijgen.
De zeemeermin glimlachte, drukte haar hand op mijn voorhoofd en sloot haar ogen.
Na een korte tinteling die zich over mijn lichaam verspreidde kon ik ademhalen.
“Nu kan je praten,” zegt de zeemeermin.
Ik was iets te druk met haar blauwe staart bezig om te antwoorden.
“Gaat het wel?” vraagt de zeemeermin bezorgd.
Ik knik. “Het gaat.”
“Je hebt een wond op je hoofd.”
“Klopt.”
“Is dat door de rotsen?”
Ik knik opnieuw. “Ik was aan het surfen en probeerde een hoge golf, maar toen viel ik van mijn plank af.”
De zeemeermin fronst haar wenkbrauwen. “Zitten jullie surfers niet verankerd aan het bord met een touwtje?”
Ik bloos. “Ik doe dat touwtje nooit om, omdat ik normaal nooit zo diep de zee in ga. Ik ben nog niet zo goed.”
De zeemeermin giechelt even. “Dom van je. Het is maar goed dat ik langs was gekomen, anders was je waarschijnlijk gestorven.”
Dit keer was ik degene die zijn wenkbrauwen fronste. “Nee hoor. Dan was ik gewoon naar boven gezwommen. Juist omdat jij langs kwam raakte ik afgeleid en bleef ik hier.”
“O.” De zeemeermin wilde nog wat toevoegen, maar schrok van iets dat achter mij zat.
Voor ik achterom kon kijken of kon vragen waar ze van schrok drukte ze haar hand weer op mijn voorhoofd en werd alles zwart voor mijn ogen.

Als ik weer wakker word, lig ik in een wit ziekenhuisbed. James, pap, mam en mijn kleine zusje Jessica stonden eromheen, allemaal met een ernstig gezicht.
“Wa-wat is er?” weet ik na een tijdje uit te brengen.
“Je hebt een harde klap op je hoofd gehad,” vertelt mam. “James zag je in de golven verdwijnen en niet meer naar boven komen, dus is hij je op gaan vissen. Toen hij je eindelijk gevonden had was je bewusteloos, dus belde hij meteen de ambulance toen hij je uit het water had gehaald.”
James glimlacht zwakjes. “Je was echt bleek, niet normaal.”
“Gelukkig ben je nu weer veilig,” zegt pap glimlachend. “En wij gaan je nu maar even met rust laten. Je hebt een harde klap gehad, dus moet je goed uitrusten.”
“En de zeemeermin dan?” vraag ik nog, voor ze weggaan.
Et blijft even stil, een stilte waarin James me met opgetrokken wenkbrauw aankijkt en mijn ouders een bezorgde blik wisselen.
“Er was geen zeemeermin,” zegt James dan. “Moet je gedroomd hebben. Ik was binnen een minuut al bij je, en als er een zeemeermin was had ik die wel gezien.”
Ik knik. Vast een droom. Een hallucinatie.
Toch blijft er iets in me knagen, iets dat zegt dat ze er echt was.
Mam glimlacht bij het zien van mijn moeilijke gezicht. “De overstap van wat je dacht te zien en wat er echt gebeurde is heel groot lieverd. Het kan zijn dat je een vis aanzag voor een zeemeermin en er zo van overtuigd was dat je dat herinnert.”
Mam doet een doktersopleiding, dus die kan het weten.
Toch zit er iets in mij dat zegt dat die zeemeermin er echt was en ik er echt een gesprek mee had gevoerd.
Een ding wist ik zeker, mij krijg je nooit meer op een surfplank.
Daar komen enkel ongelukken van.

Ontwerp door Willem Verweijen