familieconflict - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal familieconflict - Mijn Kort Verhaal

Casper Slakes

19 jaar - Havo

1
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Casper Slakes (19 jaar)

? stemmen

familieconflict

Langzaam verdwijnt het waas voor mijn ogen en kom ik weer bij bewustzijn. Ik kreun en wil instinctief naar mijn stekend hoofd grijpen, maar mijn hand blijft hangen op de stoelleuning waar ik op zit. Er hangt nog een hoge piep in mijn oor en ik ben nog steeds duizelig. Ik kan me niet meer precies herinneren wat er gebeurt was, maar ik wist wel bij wie ik was. Ik rammel nogmaals met mijn twee armen aan de stoelleuning. Ik wist dat ze vastzaten met tie-rips, en dat ik ze nooit los zou krijgen zonder een schaar of stanleymesje. Toch schudde ik wanhopig, ergens hopende dat er een wonder zou gebeuren. Maar helaas, ik brak niet los. Sterker nog – het trok de aandacht van de schim die me in de hoek van de kamer bestudeerde. De figuur stond op en liep naar me toe. De zwakke lamp die boven me hing scheen net genoeg licht om te zien dat ik op een stoel in een duistere kamer zat – hoogstwaarschijnlijk een kelder van Dees of gene – maar meer dan dat kon ik niet zien. De persoon stond nu op een meter afstand voor me. Het was duidelijk een vrouw – haar vorm was slank en fit, maar toch indrukwekkend. Ze greep de lamp die boven me hing en scheen hem in mijn gezicht. Meteen kwam de stekende hoofdpijn weer op en werd het geruis in mijn ogen wat luider. Ik kneep mijn ogen tot spleetjes en kon nu de figuur beter beschrijven. Ze zal niet ouder dan 40 zijn, had lang blond haar dat tot over haar schouders viel. Diepbruine ogen en bloedrode lippenstift – of misschien was het ook wel echt bloed. Ze rook er tenminste wel naar.
“Raoul, Raoul…” zei ze. Haar stem was rasperig, alsof ze dagelijks drie pakjes sigaretten er doorheen jaagde.
“Ook jij moet nu toch ook beter weten dan dit?”

Verward schoten mijn gedachten van hot naar her. Ik herkende haar stem niet, maar zij kende mij duidelijk wel.
“Ik weet niet waar je het over hebt.” Antwoordde ik.

Ze zuchtte.
“Raoul, jij moet nu toch ook begrijpen dat je hier niet zomaar binnen kunt walzen, zonder dat iemand het op zou merken? Ik snap dat je het niet uit jezelf doet – ik begrijp dat jij ook je opdrachtgevers hebt – maar dat veranderd niet dat je niet zomaar kunt stelen van ons.”

Langzaam vielen alle puzzelstukjes weer in elkaar. Het geruis leek minder te worden door de verbindingen die mijn hersenen legde.
Mijn naam is Raoul Veenstra, en ik werk undercover in Den Bosch voor de familie Deren. Anne had me op pad gestuurd om de concurrerende familie, de familie Bros, te bespioneren.

Schaapachtig zei ik “ooooh, juist ja.”, gevolgd door een kort snuifje van de vrouw.
“Ik heb alleen niets gestolen, ik was hier om te spioneren. Wat de plannen waren, en waar jullie toe wilden slaan.”

De vrouw keek me emotieloos aan en haalde toen haar neus op.
“Hoe wil je dit dan uitleggen?” vroeg ze, en greep toen naar mijn jaszak.
Instinctief deinsde ik achteruit in mijn stoel, en haar hand bleef in de lucht hangen.
“Waar wil je heen? Je zit vastgebonden in een stoel. Als ik je dood wilde, was je toch niet wakker geworden. Dan had ik harder gemept.” Zei ze. Zij was dus degene die me knock-out had geslapen.
Vervolgens greep ze in mijn linker jaszak en haalde daar een plastic zakje uit. In het zakje lag een flinke hoop wit poeder. Coke.
Sprakeloos staarde ik naar het witte zakje dat ze voor me uit bungelde.
“d… dat is niet van mij! Echt niet!” Zei ik verward.
“Oh, wie heeft het dan in je jaszak gestopt? De kaboutertjes?” reageerde ze cynisch.

Ik had er geen fatsoenlijk antwoord op. Ik zou haar toch nooit kunnen overtuigen dat ik zwart werd gemaakt, aangezien ik op vijandelijk terrein was.

Ze zuchtte.
“Precies, dat dacht ik ook. En daarom zit je nu dus hier.”

Er viel een ongemakkelijke stilte.

“En, eh, wat nu?” vroeg ik na een tijdje.
Ik kon moeilijk stil blijven zitten in de stoel. Na een uur zou Anne al argwaan krijgen, dan zou ze heel de familie hier naartoe sturen – en dan zou het oorlog zijn.

De vrouw keek heel even naar de hoek van de kamer, in gedachten verzonken, en keek me toen weer aan.
“Het is in principe heel simpel. Je bent geen officieel familielid van Deren, toch?”
Ik schudde mijn hoofd.
“Nee dus. Dan heb ik het goed gemaakt. Je krijgt twee keuzes.” Sprak de vrouw.
“Laat maar horen dan.” Reageerde ik.
“Optie A is dat ik hier ter plekke lood door je hoofd heen boor. Heel simpel, snel, opgelost. Optie B is dat je bij ons komt werken. Dat je overloopt.” Zei de vrouw toen.

Mijn hart begon sneller te kloppen. Ik had eigenlijk geen keuze. Of ik werd hier ter plekke doodgeschoten, of ik liep over naar de concurrerende familie en ging bij de familie Deren undercover… undercover. Als Anne erachter zou komen zou ik alsnog onder de grond eindigen voordat ik met pensioen kon, maar dat zou ik – als ik Anne trouw zou blijven – ook.

“Goed. Ik doe het. Ik maak de overstap.” Zei ik tegen de vrouw.

Ze grijsde, pakte een schaar, en knipte me los. Krampachtig bewoog ik mijn vingers die eindelijk weer bloed kregen.

Toen schudde ze mijn hand.
“Welkom bij de familie.”

Ontwerp door Willem Verweijen