Een vonkje menselijkheid - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Een vonkje menselijkheid - Mijn Kort Verhaal

Charlotte

15 jaar - Vwo

13
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Charlotte (15 jaar)

? stemmen

Een vonkje menselijkheid

Dresden, 1964

Een winterse bries trekt aan mijn haren en kleding terwijl ik over het plein zwerf. Ik loop rondjes rond de bomen die er staan, warm mijn handen bij een geïmproviseerde vuurkorf met een paar daklozen en help een vrouw een veel te grote kinderwagen over de drempel van een apotheek te duwen. De lucht is zwart en er zijn geen sterren te zien, het enige zijn de sneeuwvlokken die naar beneden dwarrelen. Terwijl ik mijn jas wat verder om me heen trek speur ik de omgeving af op een glimp van een man die ik hier aan zou treffen. Zouden we elkaar zijn misgelopen? We hebben elkaar ook zo lang niet meer gezien, de kans dat hij me niet zou herkennen is vrij groot. Met mijn krappe 1 meter 90, lange grijze jas en hoed in dezelfde kleur ben ik ook geen verschijning die alle aandacht opeist. Ik leun tegen de gevel van een restaurantje en kijk op mijn horloge. Als hij hier met 1o minuten nog niet is ga ik weg. Vanuit het  restaurant klink gelach, een hoge, schelle vrouwenstem die bijna direct wordt opgevolgd door een zwoele, hikkende lach van haar mannelijke tafelgenoot. Van achter de kerk, die recht tegenover mij ligt, strompelt een gedaante die met zijn been sleept en een stok krampachtig in zijn hand klemt. Geen twijfel mogelijk: dat is hem. Ik maak me los van de muur. De vers gevallen sneeuw knerpt onder mijn schoenen en doet me denken aan het dikke, wollige tapijt dat we vroeger in onze woonkamer hadden liggen. Zijn gezicht is veranderd. Ik weet niet wat, maar het is veranderd. De 19-jarige jongen waarvan ik in april 1945 afscheid nam, bestaat niet meer. Hij is veranderd in een man met een stoppelbaard, warrig haar en sjofele arbeiderskleding. Hij schudt me zwijgend de hand. ‘Goed je weer eens te zien.’ Ik knik. ‘Ik ben blij dat we elkaar weer gevonden hebben.’ Nu is het aan hem om te knikken. Omdat hij niets zegt -en ook geen aanstalten lijkt te maken om dat te doen- besluit ik er snel wat tussendoor te gooien. ‘Zullen we hier naar binnen gaan?’ Hij haalt zwijgend zijn schouders op. ‘Prima.’

Het is er warm en licht vanwege de felle verlichting aan het plafond. Er heerst een uitgelaten stemming, die benadrukt wordt door de dansende mensen, de pianist die jazz-muziek op de piano pingelt en de sterke lucht van alcohol. Ik moet me eraan herinneren dat ik hier niet voor mezelf ben, want als ik dat zou zijn zou ik stilletjes weggelopen zijn en had een ander etablissement opgezocht. We zetten ons aan een tafeltje bij het raam. Ik ontdoe me van mijn jas en hoed om vervolgens mijn haar wat te fatsoeneren. Hij staart naar buiten en lijkt zich niet te kunnen herinneren waarom hij met mijn uitnodiging akkoord is gegaan. Ik trek de menukaart naar me toe en spoor hem vriendelijk lachend aan hetzelfde te doen. Wanneer een serveerster ons vraag naar onze bestelling neem ik een koffie. Hij geeft me een berustende hoofdknik en een knipoog. Twee koffie dus. Vreemd dat je na iemand zo lang niet gezien te hebben, elkaar nog steeds zonder een woord te zeggen begrijpt. Ik schuif de menukaart opzij. ‘En, vertel eens, hoe gaat het nu?’

‘Wat moet ik ervan vinden?’

‘Anders?’

‘Dat kun je wel zeggen.’ Hij zucht. ‘Wat is het toch? het ene moment word je door je buren uitgezwaaid, die je op het hart drukken terug te komen. Maar als je er dan bent doen ze net alsof ze je niet kennen en word je alsof je de enige soldaat was weggejaagd.’

‘Tja. Hoewel ik het het me wel een beetje voor kan stellen.’

‘Pardon?’

We hebben de hele wereld meegesleept in een oorlog. We hebben met dezelfde handen waarmee we nu een koffiekopje vasthouden een geweer vastgehouden. We hebben op mensen geschoten. Mensen zoals jij en ik. Met vaders en moeders. Misschien is dit alles ook wel een beetje onze eigen schuld.’

‘Horst, hou op.’ Zijn toon is scherp en er verschijnen rode vlekken op zijn gezicht. ‘We waren soldaten en we hebben gedaan wat we moesten doen. ”

‘Dit was geen normale oorlog! Dat weet je best! Wat we gedaan hebben is onmenselijk!”

Wat zíj gedaan hebben is onmenselijk! Steden met burgers bombarderen! Barbaren, dat zijn het!’

‘Wij hebben toch hetzelfde gedaan met Londen, of niet dan!’

‘Kijk om je heen! Dit alles lag plat!’

‘Wij zijn begonnen! En..’

‘En daarna? Je veroordeelt mij omdat ik me niet zoals jij en de andere lafaards heb overgegeven, maar tot de laatste snik heb doorgevochten! Oog om oog, tand om tand! Jij bent met je handen in je nek naar de Amerikaanse kant gelopen. Ik ben te grazen genomen door de Russen! Ik heb acht jaar in een krijgsgevangenenkamp gezeten!’ Dat wist ik niet. ‘Luister,’ vervolg ik rustiger, ‘begrijp dat ik niet meer bloed in een verloren oorlog wou vergieten.’

‘Probeer mij dan ook te begrijpen. Ik heb te veel gezien, te veel verloren om me hier over heen te zetten. Daarom heb ik doorgevochten tot het bittere einde.’

‘We leven in een nieuwe wereld. Zet je er overheen. Maak toch die overstap!’ Hij schudt resoluut zijn hoofd en staat op. ‘Hans, alsjeblieft, ga niet. Je kan bij mij wonen tot je wat nieuws hebt. Ik ga naar de kerk en heb echte vrede leren kennen en..’

‘Nee.’ Door het beslagen raam zie ik hoe hij wegloopt. Samen met twee jongens die in de ruïnes van Berlijn vechten voor de duivelse idealen die ze niet eens persoonlijk kennen, van wat ooit het Derde Rijk was. Ze zoeken een vonkje menselijkheid en vinden die in elkaar.

 

 

 

Ontwerp door Willem Verweijen