Een stap te veel - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Een stap te veel - Mijn Kort Verhaal

Charlotte Verhoeven

18 jaar - ASO

47
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Charlotte Verhoeven (18 jaar)

? stemmen

Een stap te veel

Onderweg naar toneel. Dat was ik toen ik hem zag. Ook al was het van een afstand, ik kon zijn prachtige gezichtscontouren en blonde haren perfect bekijken. Enerzijds wou ik op hem afstappen en een gesprek voeren, maar anderzijds kon ik mezelf niet meer bewegen. Daar stond ik dan. In het midden van het voetpad langs de drukke baan in Schilde. Toen keek hij mij plots recht in de ogen. Hemelsblauw waren die, dat voelde ik.

Hij stond ook versteld. Maar niet op het voetpad. In het midden van de straat. De vrachtwagen die eraan kwam had dit niet verwacht en kon niet meer remmen. Ik sloot mijn ogen. Ik hoorde zijn zware stem brullen, een knal en toen niets meer. Toen ik mijn ogen weer durfde te openen, zag ik hem niet meer. Ik zag wel een vrachtwagen met bloed. Veel bloed. Ik keek om me heen en het viel me op dat alle omstaanders mijn richting uitkeken. Ik draaide me om. Daar lag hij. De jongen die ik 5 minuten geleden voor het eerst zag, maar die mijn hart toch meteen sneller liet kloppen.

Ik hapte naar adem, iets wat hij niet meer kon. Door mij.
Als hij mij niet had gezien, was hij gewoon de straat overgestoken en had hij nog een kans. Nog een kans op leven, uitgaan, opgroeien, genieten. Een kans met mij, misschien.

Ik knielde neer naast zijn lichaam. Hij was adembenemend. Plotseling voelde ik iets over mijn wang stromen. Het waren tranen, ik was aan het huilen. Het was ondertussen al enkele jaren geleden dat dat nog was gebeurd. Ik huilde immers bijna nooit.

De politie arriveerde en het aantal toeschouwers verhoogde. Een politieagente pakte me vast aan mijn schouders en nam me mee naar het bankje enkele meters verder. Ze begon mij allerlei vragen te stellen, maar het enige wat ik hoorde was geruis. Ik draaide mij naar de agente en vroeg: “Wat was zijn naam?” “Benjamin”, antwoordde ze, “Benjamin Van Elsen.”

Die naam weergalmde nog een tijdje in mijn hoofd. Sprakeloos wandelde ik naar huis.
Daar aangekomen, nam ik mijn laptop en tikte zijn naam in in de zoekbalk. 6 resultaten. Ik bekeek zijn Facebookpagina, zijn Instagramaccount, bekeek zijn foto’s, waar hij één voor één fantastisch op stond.

Maar dan zag ik plots een resultaat op YouTube. Benjamin had een kanaal, waarop een vijftigtal filmpjes van hem stonden. Ik zette er eentje op en hij begon te praten. Hij vertelde honderduit over zijn dag, zijn gezin, zijn hond, Bob, en zoveel andere dingen. Maar voornamelijk over zijn gevoelens. Ik luisterde hoe hij zo oprecht alles omschreef wat er in hem omging. Een vreemd gevoel bekroop me, alsof hij deze monologen aan mij gericht had.

Wekenlang kon ik aan niets anders meer denken dan aan hem. Op school, op straat, in de winkel, overal waar ik kwam, was hij ook. Hij was die ene jongen in rayon 7 aan de diepvriespizza’s, hij was die stagiaire van geschiedenis. Ik zag hem overal. ’s Avonds deed ik niets anders dan zijn video’s opnieuw en opnieuw bekijken, tot ik uit mijn hoofd kon zeggen wie er op de foto’s stond op de muur achter hem. Hij werd mijn obsessie. Ik was verliefd. Ik was verliefd op een dode jongen.

Maar het besef dat mijn liefde onmogelijk beantwoord kon worden, groeide. Elke dag vergrootte mijn verdriet. Het enige wat mij nog kon opvrolijken, was zijn stem en de manier waarop hij soms bescheiden lachte naar de camera.

De volgende dag nam ik het initiatief om een wandeling te maken. Mijn hoofd leegmaken, was het plan. Ik wandelde langs het park, langs de grote eik in het dorp en voor ik het wist stond ik op de plek waar ik Benjamin had zien verongelukken. Ik sloot mijn ogen en zag hem, al glimlachend, vertellen over de meisjes bij hem op school die hem aanbaden. Maar het deed hem niets. Geen van hen trok zijn aandacht. Hij zei dat hij eens echt iets wou voelen, een aantrekkingskracht vanaf minuut 1.

Toen ik mijn ogen opende, keek ik recht in die van hem. Hij stond in het midden van de straat en wenkte mij. Het geluid van de auto’s verdween, ik hoorde enkel Benjamin zeggen dat hij mij wou zien, dat ik naar hem toe moest komen. Als gehypnotiseerd stapte ik op hem af en bleef vlak voor hem staan. Hij legde zijn hand op mijn wang en zei: “Het doet geen pijn.” Voor ik besefte waar hij het over had, was het gebeurd.

Ontwerp door Willem Verweijen