Een nieuwe start - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Een nieuwe start - Mijn Kort Verhaal

Danique Dijkema

18 jaar - vwo - atheneum

70
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Danique Dijkema (18 jaar)

? stemmen

Een nieuwe start

De dood van mijn ouders achtervolgt me nog steeds. Mijn moeder die altijd zo positief in het leven stond en mijn vader die de slechtste grappen maakte waardoor mijn moeder bijna moest huilen van het lachen. Het zijn mooie herinneringen.

Mijn broers en ik zijn al drie jaar aan het vluchten voor de leiders van onze planeet Quasium. Ze willen onze familie dood.

Bij elke misdaad die wordt gepleegd op onze planeet, moet de hele familie van de dader worden uitgemoord. Ze zien het als een soort van ziekte die ze moeten bestrijden.

Mijn ouders waren engineers en hadden een raket gebouwd. Ze wilden naar de Aarde vluchten voor een beter leven.

Iemand heeft ze verraden en de volgende dag kwamen ze niet meer thuis. We wisten meteen wat er mis was en vluchtte met de racket van onze ouders naar de Aarde; Andrew, Oliver en ik, James.  Andrew is de oudste. Hij is opgeleid tot astronaut, en weet hoe hij de raket moet besturen.

Het duurde tien dagen  voordat we de Aarde hadden bereikt.

We zouden ons op de Aarde normaal gedragen en opgaan in de cultuur van de mens.

Na drie jaar op de planeet Aarde te hebben geleefd hebben de leiders van onze planeet, Quasium, ons gevonden.

Ik zit alleen in een motelkamer in Brooklyn. Andrew is eten aan het halen. Gisteren vielen mannen ons appartement binnen in Philadelphia, die waren gestuurd door de leiders van onze planeet. We konden ontsnappen. Andrew en ik zijn naar het Noorden gereden richting New York. Oliver richting het Zuiden, hij vond dat het Andrew ’s schuld was dat ze ons hadden gevonden en hij beweerde dat hij alles zelf beter kan.

Ik hoorde voetstappen op de gang. Mijn broer deed de deur open en gooide een zak met boodschappen op de vloer.

‘Ga maar slapen broertje.’ zei hij. ‘Je hebt een drukke nacht achter de rug’. Ik sprong op mijn bed en kwam met een plof neer. Het duurde niet lang voordat ik sliep.

De zon kwam langzaam op, maar iedereen in Brooklyn was nog aan het slapen. Het was zondag, dus niemand hoefde naar zijn werk.

‘Waar gaan we naartoe?’ vroeg ik aan Andrew.

‘Naar Oliver.’ antwoorde hij.

‘Maar hij ging toch naar het zuiden?’

‘Het is te gevaarlijk, hij is terug gekomen.’

Ik hoorde voetstappen achter me. Ik durfde niet om te kijken.

‘Er loopt volgens mij iemand achter ons.’ fluisterde ik naar Andrew. Hij keek om en begon sneller te lopen. De man achter ons begon ook sneller te lopen en er kwamen twee andere mannen bij. Alle drie in een zwart pak gekleed met nette schoenen.

‘Rennen!’ schreeuwde Andrew. De mannen hadden pistolen en begonnen te schieten.

‘Hé!’ schreeuwde iemand achter ons, waarschijnlijk de leider van de drie mannen. ‘We hebben ze levend nodig!’

Ik was in de war, ik dacht altijd dat ze ons dood wilde. Ik struikelde, viel op de grond en ging door mijn enkel. Andrew kwam terug en trok me omhoog. ‘We moeten bij elkaar blijven!’ schreeuwde hij. ‘We zijn er bijna!’

‘Waar gaan we dan naartoe?’ vroeg ik.

‘Brooklyn Public Library!’

We renden een zijstraatje in. ‘Dit loopt dood!’ schreeuwde ik. Andrew bleef doorrennen.

Hij sprong op een container en draaide zich om. ‘Pak mijn hand!’ Hij hees me omhoog en ik sprong op het dak. Ik rende naar het uiteinde en sprong eraf. Aan de overkant stond een auto. Aan de schim in de auto kon ik zien dat het Oliver was. Ik keek om. Twee mannen rende achter mij aan. Geen spoor van Andrew. Ik rende door en sprong in de auto.

‘Waar is Andrew?’ vroeg Oliver.

‘Ik weet het niet.’ schreeuwde ik terug. ‘Maar we moeten gaan!’

Met piepende banden reden we weg.

Ik nam zo veel mogelijk mee uit de kamer. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik had Andrew achter gelaten op het dak. Tranen sprongen in mijn ogen. Misschien zie ik hem nooit meer terug. Ik pakte de laptop van het bureau en liep naar mijn tas om hem erin te proppen. Op het moment dat ik de deur dichtdeed, ging het belletje van de lift.

Ik sprintte naar het trappenhuis aan het einde van de gang. Ik keek over mijn schouder. Het waren weer de twee mannen in het zwarte pak. Ik duwde de deur open.

Met twee treden tegelijk rende ik de trap af. Mijn enkel deed heel veel pijn, maar ik rende door. Boven mij werd de deur naar het trappenhuis opengegooid, gevolgd door het geluid van zware schoenen die de trap af klotsten. De motelkamer lag op de vierde verdieping. Zo te horen kwamen de mannen die mij achtervolge dichterbij. Beneden was een stalen deur. In één beweging duwde ik hem open en schoot er doorheen. De auto van Oliver was weg. Hij had mij in de steek gelaten en was er zelf weer vandoor gegaan. Ik draaide me om en keek recht in de ogen van één van de mannen.

Ik deed mijn ogen open en schrok van het felle licht. Mijn hoofd en mijn enkel deden pijn. Er zat een verband om mijn enkel. Ik keek rond en zag een infuus in mijn rechterarm. Het slangetje liep naar een zak die aan een standaard hing. Ik lag op een operatietafel.

Vaag herinnerde ik me hoe ik hier was gekomen. Het lawaai van de raket. Gefluister. Andrew. Ik moet op zoek naar Andrew, maar mijn handen en voeten waren vastgebonden aan de operatietafel. Ik zat opgesloten in een kleine afgesloten ruimte. Angst overspoelde me. Waar was ik? Hadden ze me gevonden? Waarom leef ik nog?

Ik hoorde voetstappen op de gang. Ze kwamen steeds dichterbij en stopten voor de deur. Met een luid gekraak ging de deur open. De voetstappen kwamen dichterbij en de moed zonk me in de schoenen.

‘Hallo James, dat is een lange tijd geleden.’ Het was een stem die ik nooit zou vergeten.

Ontwerp door Willem Verweijen