Een leven van goud - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Een leven van goud - Mijn Kort Verhaal

Stéphanie Korbee

18 jaar - Vwo

2
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Stéphanie Korbee (18 jaar)

? stemmen

Een leven van goud

Ik deed zo mijn best. Ik probeerde het uit alle macht. Ik strekte mijn hand uit zo ver als maar kon en ik rende harder dan ik ooit had gedaan. Als ik een stap naar voren zette bleef het dier staan, als ik nog een stap deed, kreeg ik een triest gevoel van binnen. Wat ervoor zorgde dat ik niet verder wilde, maar ik deed het toch. Ik zette een grotere stap dan voorheen, het wezen maakte zich vlug uit de voeten en ik kromp ineen. Ik voelde een ijzige steek in mijn hoofd, in mijn hart.
Ik adem diep in en krabbel op, plaats mijn handen onder mijn lichaam en probeer op te staan. Ik kijk op voor het wezen, ik zou hem nu aan kunnen raken en kunnen omhelzen. Maar hij is al lang vertrokken.

‘Lola’, ik reageer niet, ik wil niet en heb er de kracht niet voor. ‘Lola!’, de toon van mijn baas klinkt nu strenger. Ik probeer mijn hoofd op te heffen maar tevergeefs. ‘Lola,’ zegt Marc op fluistertoon, ‘dit kun je niet maken, niet nu. De mensen van de villa in Frankrijk zijn hier.’ Ik hoor hem vertrekken en de mensen op hun gemak stellen. Ik val bijna van mijn bureaustoel af maar kan me nog net aan mijn bureau vastgrijpen waardoor mijn gouden armbandje met bloemen tegen de tafel aantikt. Mijn baas, Marc, verwacht een professionele bankmedewerker maar ik heb een enorme kater en was dus liever in mijn bed blijven liggen. Ik draai mijn hoofd zo, dat mijn neus naar het plafond wijst en ik open voorzichtig mijn ogen.

De sterren aan de pikzwarte hemel zijn fel. Zo fel dat het lijkt alsof ze centimeters voor mijn gezicht zweven. Maar in feite zijn ze lichtjaren ver. Ik zucht en rol om in het vochtige gras en pluk gedachteloos een bloem. Ik maak aanstalten om een blaadje los te rukken, maar iets weerhoud me. Ik draai het plantje, dat niet veel groter is dan mijn vingertop, rond tussen duim en wijsvinger.
Ik ga rechtop zitten, ik herken dit weiland. Ik ben hier al zeker dertien jaar niet geweest. Iets overvalt me, ik ben degene die de keuze heeft gemaakt deze plek voorgoed te verlaten. Ik duw het steeltje van de bloem voorzichtig terug in de ijskoude aarde en kruip naar achter. Ik trek mijn knieën op en sla mijn armen eromheen. Een traan valt op mijn arm en rolt moeiteloos naar beneden.
‘Hallo?’, iemand tikt op mijn schouder en ik veer omhoog. ‘Niet huilen mevrouw’, het is een klein meisje dat tegen me spreekt. Ze heeft een armbandje van madeliefjes om. ‘Het is niet erg als je hier nooit meer komt’, ze steekt haar handje uit en ik pak hem aan. ‘Ik zal voor het veld zorgen’, ze heeft gelijk.

De sterren in het pikzwart lijken feller te schijnen en dichterbij te komen. Ik ruik koffie en hoor het getik op toetsenborden. Ik frons en kreun. De sterren aan de hemel zijn de spotjes in het plafond van mijn kantoor. Ik ga rechtop zitten en rek me uit. Mijn baas loopt weer binnen en commandeert: ‘Drink je koffie op en fatsoeneer je haar.’ Ik voel aan mijn normaal zo strakke knot, die nu meer een soort knoop is. Ik trek het elastiekje eruit en maak snel een vlecht. Marc loopt mijn kantoor weer uit terwijl ik mijn persoonlijke koffiemok met de woorden: ’s werelds beste collega in mijn handen klem. Ik hoor stemmen achter me en draai me om in mijn stoel. Het is hetzelfde stel als van vanochtend, van de villa. Ik schaam me dood. Zij willen hier vast een fortuin lenen en zien mij als vertegenwoordiger. Het is een wonder dat ze niet allang naar de bank aan de overkant zijn vertrokken.

Het stel is al wat ouder. De man draagt een lange wollen jas en heeft een aktetas in zijn hand. Hij steunt met zijn linkerarm op een wandelstok. Zijn vrouw heeft een rode jurk aan met een mantel om haar schouders en een gouden armbandje om haar pols. De twee mensen glimlachen naar me.

De papieren zijn getekend en al hun vragen zijn beantwoord. Toen ik ze vroeg of ze een kopje koffie of thee wilden, antwoordden ze in koor ‘warme chocolademelk’. Toen ik terugkwam had de man op de achterkant van een envelop een prachtige tekening gemaakt van zijn nieuwe villa.
Ik kijk naar de twee al wat oudere mensen, ze voeren een rustig gesprek over wie ze allemaal uit zullen nodigen als ze volledig zijn ingetrokken in hun nieuwe optrekje. Ik bedenk me dat ik me nog helemaal niet heb verontschuldigd dat hun afspraak een uur verzet moest worden. Maar net als ik dat wil benoemen, noemen ze mijn naam. ‘Lola nodigen we natuurlijk ook uit, haar baas niet, dat lijkt me geen gezellige man.’ Ik frons en schraap dan mijn keel, maar de man stopt me alvorens ik iets kan zeggen. ‘We weten dat het je spijt, maar we weten ook dat jij een ander leven hebt dan wij. Wij’ en hij wijst naar zichzelf en zijn vrouw, ‘hebben nu alle tijd van de wereld waardoor we overal op tijd kunnen zijn. Wij kunnen heus wel zien dat je gister een feestje had en we nemen het je niet kwalijk. Geniet alsjeblieft van alles wat je nu nog kunt doen.’ Zijn vrouw pakt zijn hand vast als hij dat zegt. ‘Opgroeien gaat vanzelf.’

Als het stel vertrokken is en mijn kantoor weer net zo stil is als normaal, merk ik iets op. Er ligt een beeldschone tekening van een eenhoorn in een weiland vol met madeliefjes op mijn bureau.

Ontwerp door Willem Verweijen