Deel mijn gedachten - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Deel mijn gedachten - Mijn Kort Verhaal

Suzanne van Spijker

17 jaar - vwo

20
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Suzanne van Spijker (17 jaar)

? stemmen

Deel mijn gedachten

Theevlekken op het behang. Drie dozen ongebruikte tampons. Een poster van de Beatles met oud plakband. De verpakking van een scheermesje. Het zesde boek van Harry Potter, een ezelsoor op bladzijde 394. Een handvol witte schelpen.

Zoveel dingen om naar te kijken, en toch glijdt mijn blik meteen naar de foto boven het bed. Wij als twaalfjarigen in een weiland, veel te grote regenlaarzen, overal modder, breed glimlachend naar de camera.
Het is één van de laatste foto’s waar we nog op elkaar lijken, waarop we nog de tweeling waren, een foto van ‘komen de zusjes ook?’. Een vergeelde herinnering aan een tijd waarin alles nog simpel was.
Ik slik en wend mijn blik af.
Vroeger deelden we een kamer. We deelden alles: kleren, vrienden, gedachten, maar toen we naar de middelbare school gingen, vonden onze ouders het tijd dat we wat minder afhankelijk van elkaar werden. Jij protesteerde, ik vertrok zwijgend naar zolder.
Mijn kamer en kleding werden glimmend, stapels tijdschriften, gouden sieraden, korte jurkjes, mijn vriendenkring uitbundig, groot, vol feestjes, luid en lachend.
Jij werd donkerblauw, stapels oude cd’s, grijze potloden, stil in een hoekje, oordopjes en onzekerheid.
En hoewel ik het probeerde tegen te gaan, werden met onze kamers ook onze gedachten gescheiden. Ik probeerde je te betrekken in mijn wereld, maar het was niet meer ‘komt de tweeling ook?’ maar ‘komt Mortia ook?’. Na een tijdje stopte ik je uit te nodigen.
Dat was het moment waarop de roddels begonnen. Ik werd verkozen tot de mooiere, leukere, populairdere, en jij tot de lelijke, stille, die ene met de rare muzieksmaak en iets te veel vet rond haar middel. Al snel kreeg je een bijnaam: Vita Obesita, en hoewel ik zag hoeveel pijn het je deed als mijn zogenaamde vrienden je zo noemden, deed ik niets.
Daar begon het. Eerst was het heel subtiel, een koekje minder bij de thee, een schep minder aardappelen bij het avondeten, maar binnen een paar maanden ging het naar een halve boterham bij het ontbijt, weggegooide lunches en fanatiek hardlopen.
Al snel was je niet langer ‘de dikke van ons twee’. De bijnaam verdween, maar je obsessie met eten niet.
Ik probeerde met je te praten, maar je snauwde me af, begon je te verstoppen in grote truien en koptelefoons. Ik wist dat er iets fout zat, maar was bang het vertrouwen tussen ons voorgoed te breken.
Toen ik je op vakantie een paar maanden later in je bikini bij het zwembad zag staan, wist ik dat ik hulp moest inschakelen. Je huid was lijkbleek, bedekt met kleine donshaartjes, overal staken botten uit. Je leek in de verste verte niet meer op Vita.
Met onze ouders gingen we naar de huisarts. Hij verwees ons door naar een specialist. Eetstoornis. Anorexia.
Je werd vreselijk boos op me, schreeuwde dat ik jaloers was omdat jij nu eindelijk de mooiste was, en waarom moest ik alles nu verpesten? Je dacht dat ik je zus was. Ik huilde mezelf nachtenlang in slaap.
De wekelijkse sessies met de specialist waren niet genoeg. Nauwelijks een maand later viel je flauw tijdens Engels. Na een nacht in het ziekenhuis werd je naar een eetstoorniskliniek gebracht.
Het hielp niet, je werd overgeplaatst naar een andere kliniek. Ook hier werd je maar niet beter. Ik ging naar de derde klas, jij naar een derde kliniek.

We hadden er vlammende ruzie over. Wrang hoe je de ergste ruzies kunt hebben met degenen waar je het meest om geeft. In een vlaag van overweldigende woede schreeuwde ik dat ik zou willen dat je mijn zus niet was.
Vanaf dat moment ging het snel. Een maand later een nieuwe ziekenhuisopname, dwangvoeding, je woog slechts vierendertig kilo. Plotseling kon je ieder moment sterven, maar die realisatie kwam slechts bij de helft van ons. Onze gedachten waren nog nooit zo gescheiden geweest. Ze bonden je vast aan het bed om te voorkomen dat je de calorieën van de dwangvoeding zou kwijtraken.
Ik kon er niet bij hoe het skelet dan in het bed zat ooit mijn tweelingzus geweest kon zijn, en waarom kon je niet godverdomme wat eten, huilde ik, want je ging dóód.
Je fluisterde: ‘Ik wil niet meer vechten, Mortia. Ik ben klaar met vechten. Ik heb verloren.’
Ik viel op mijn knieën, smeekte, schreeuwde, maar je begon slechts te huilen. Daar zaten we, voor het eerst in lange tijd hetzelfde, verenigd door verdriet. Vijf dagen later stierf je. Er was nauwelijks iets om te begraven.

Nu ben ik alleen, Vita. Zo verschrikkelijk alleen, en het is alsof ik niet meer kan ademen, want mijn tweede helft is afgescheurd en voor mijn ogen verbrand.
Plotseling kunnen mijn knieën me niet langer houden en zak ik ineen op de grond.
‘Het spijt me, Vita,’ huil ik met lange halen. ‘Ik had… Ik had je gedachten moeten delen.’
Ik blijf het herhalen, een schuldbewuste mantra, tot ik buiten adem op het bed val.
Ik staar naar het plafond, terwijl mijn gedachten over elkaar heen buitelen.
Heel lang hield ik mezelf voor dat je niet dood zou gaan, dat het zover niet zou komen. Jouw naam was Vita, en die van mij Mortia, en dus zou ik als eerste doodgaan, hadden we besloten als vijfjarigen. Ik klampte me aan die kinderdroom vast, hopend dat de waarheden uit onze kleutertijd nog steeds van toepassing waren.
Maar we zijn geen vijf meer. We zijn niet eens een ‘we’ meer. Ik ben een ik nu, een Mortia, en hoewel het voelt alsof ik een deel van mezelf moet vergeten, moet ik dat accepteren.
‘Ik ben Vita niet,’ fluister ik. ‘Ik ben mezelf.’

Even later steekt mijn moeder bezorgd haar hoofd om de deur.
‘Gaat alles goed?’ vraagt ze.
‘Ja, het gaat,’ zeg ik met een waterig glimlachje. Ze knikt, draait zich weer om, en als ze op het punt staat om weg te lopen, zeg ik: ‘Mam?’
‘Ja, lieverd?’
‘Ik denk dat ik voorlopig hier slaap.’

Ontwerp door Willem Verweijen