De Stiltecoupé - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal De Stiltecoupé - Mijn Kort Verhaal

Yannick Lammers

19 jaar - VWO

18
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Yannick Lammers (19 jaar)

? stemmen

De Stiltecoupé

Is een schrijver wel een schrijver als hij niet schrijven kan? Herman zat al weken met deze vraag maar hij kwam er niet uit. Hij dacht van wel, maar is iedereen die schrijven kan dan al gelijk een schrijver? En als iedereen dan een schrijver is, wat is mijn beroep dan waard? Wat ben ik dan eigenlijk waard? De telefoon ging. Mamma, stond er op het scherm. Hij nam op.

-Mamma, waarom bel je zo vroeg?

-Ik wil dat je vandaag even langskomt.

-Waarom dan? Ik heb geen tijd om helemaal naar Den Haag te komen met de trein.

-Maar ik moet je iets vertellen.

-En dat kan niet via de telefoon?

-Nee.

-Oké. Tot vanmiddag dan.

-Tot vanmiddag.

Herman pakte zijn jas van de kapstok en liep naar buiten.

 

Eenmaal aangekomen op Amsterdam Centraal zag hij dat de normale trein naar Den Haag centraal niet reed en hij twee keer extra moest overstappen, in Leiden en Gouda. Hij stapte in de trein en zag dat er geen plaats meer was.

 

Na deze treinrit was hij eindelijk echt thuis, bij zijn moeder. Hij hoorde de vertrouwde Boudewijn de Groot uit de radio komen, zijn moeder zat aan de keukentafel. ‘Kom lekker zitten, Herman.’ Herman ging zitten en vroeg direct: ‘Wat wilde je nu vertellen?’ ‘Ik heb een nieuwe vriend, hij heet Richard.’ Precies op dat moment kwam Richard binnenlopen. Dat moesten ze hebben ingestudeerd. Herman gaf Richard een hand. Het is zo’n handdruk die men geeft voor een belangrijke wedstrijd. Dit was namelijk een belangrijke wedstrijd. Een wedstrijd waarvan Herman zeker wist dat hij ging winnen, hij had immers ook gewonnen van al die andere vrienden en zelfs van zijn vader. Vervolgens hadden ze een kort gesprek, over onderwerpen waarover men praat als men elkaar niets weet te vertellen.

Om vier uur vond Herman het genoeg en ging weer naar huis met de trein. Tijdens de rit dacht hij na over de relaties van zijn moeder die altijd mislukten. Toch verlangde hij zelf ook naar een relatie, al was het maar om van zijn moeder af te komen en zijn volwassenheid te kunnen tonen.

En daar zat ze, op een ijzeren bankje van het station. Haar felblauwe ogen die niet keken, maar glinsterden. De gouden lokken in haar haren bevestigden de ontelbare waarde van haar schoonheid. Dit was de vrouw waar hij al die jaren op wachtte. En nu wachtte zij op haar trein. Herman liep naar haar toe. ‘Waar moet je naar toe?’ Het was een vreselijke openingszin, maar hij wist niks beters. ‘Rotterdam. Jij?’ ‘Ik moet naar Amsterdam, hoe heet je eigenlijk?’ ‘Anna. En jij?’ ‘Herman’ Ze keken even naar elkaar, zonder iets te zeggen. ‘Zullen we een keer afspreken?’ vroeg ze opeens. ‘Ja, ik kan vanavond, jij ook?’ Herman wilde zo snel mogelijk afspreken, zodat zij zich niet meer kon bedenken. ‘Oké, dan reserveer ik bij restaurant Verona, tot dan!’

Terug in Amsterdam kon Herman nog niet beseffen wat er zojuist gebeurde. Hij ging direct tussen al zijn overhemden op zoek naar de mooiste. Hij keek uit het raam en zag hoe een moedervogel de kuikentjes in haar nestje neerlegde. Met de vastberadenheid van die moedervogel wilde hij ook Anna meenemen naar zijn nestje, om haar nooit meer te kunnen verliezen.

 

Het was kwart voor drie en Herman liep naar het station. De trein die hij moest hebben vertrok immers om zeven over zes, om tweeënveertig minuten later in Rotterdam te arriveren. Zoals gewoonlijk zat Herman in de stiltecoupé. Voor de buitenwereld was hij inderdaad muisstil, maar van binnen maakte hij meer geluid dan ooit. Er vlogen honderden, nee duizenden, gedachtes door zijn hoofd, maar hij wist er geen een te vangen.

18:49. Nog elf minuten om naar het restaurant te lopen. Het heette Verona en was maar vijf minuten lopen van het station, had ze gezegd met haar prachtige zoete stem. Hij liep erheen maar zag Anna nog niet staan. Dan zou ze wel alvast naar binnen zijn gegaan, maar op een of andere manier voelde het niet goed. Ook binnen zag hij Anna niet zitten. Hij keek op zijn horloge. Een over zeven. De tijd klopte, ze moest hier ergens zijn. Hij vroeg aan de ober of er iemand een tafel voor twee om zeven uur had gereserveerd. Tot zijn verbijstering was dat niet het geval. Hij keek nog een keer rond, maar Anna was er echt niet. De vijf minuten terug naar het station leken een uur te worden. En wederom kon hij geen gedachtes vangen, ditmaal omdat er een emotie in de weg zat. Pijn. De meest innerlijke pijn die hij ooit gevoeld had. Met die pijn stapte hij in de trein terug naar Amsterdam. Hij probeerde een verklaring te bedenken waarom zij niet is gekomen. Misschien was het een ander restaurant? Een ander tijdstip? Of was ze mij gewoon vergeten? De enige manier om tot een antwoord te komen was om terug te gaan naar het ijzeren bankje. Die avond stond de tv wel aan bij Herman, maar niets drong tot hem door. Op een nieuwsbericht na. Er was een ongeluk met een trein van Gouda naar Den Haag, met meerdere dodelijke slachtoffers tot gevolg. Heel even dacht hij aan Anna. Morgenochtend, zeven over acht moest hij met de trein naar hun overstap. Met die gedachte viel hij in slaap, op de bank met de stropdas nog om zijn nek.

 

Op het ijzeren bankje, waar eerst Anna zat, lagen nu bloemen. Dit verklaarde alles. Zij zat in die trein. Zij was een van de slachtoffers. De pijn die nu door zich heen schoot, was niet te beschrijven. Zij was vertrokken en het voelde als een plicht om zelf ook te gaan en elkaar zo weer te kunnen zien. Hij zag een passerende trein en besloot dat dit zijn laatste secondes waren. Hij keek de trein recht aan en daarna vertrok hij, op weg naar de eeuwige stiltecoupé.

Ontwerp door Willem Verweijen