De Kerst Nachtmerrie - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal De Kerst Nachtmerrie - Mijn Kort Verhaal

Elisa G.

19 jaar - Jaar 7 (vergelijkbaar met VWO 6)

3
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Elisa G. (19 jaar)

? stemmen

De Kerst Nachtmerrie

24 december 1876
Hier waren we weer: de dag voor kerst.
Het feest van het jaar, waar iedereen aan meedoet. Wij ook. Het is het moment van het jaar om goed te beginnen aan het komende jaar. Aan oud en nieuw doen we niet. Kerst is ons nieuwe jaar.
Dit jaar is bijzonderder dan anders, alle 16 jarigen, waaronder ik, moeten een test ondergaan. Deze test bepaalt tot welke klasse je behoort, ook al is alles eigenlijk al vast gezet. Ik behoor tot de lage klasse; dit betekent dat ik te slecht ben voor de werkklasse en ik te onzuiver bloed heb voor de elite. Maar ik heb al mijn kansen nog, als ik mijn stinkende best doe kan ik misschien in een hogere klasse terechtkomen. Ik zal ze laten zie wie Rose Drakynoriv is.

25 december 1876
Eerste kerstdag. DE dag. Vandaag moet het gebeuren.
Ik zal ze laten zien dat ik kan jagen als de beste, dat mensenbloed voor iedereen is, niet alleen voor de elite. Ik hoef niet voor ze te werken, ik hoef niet voor ze te buigen, buigen doe je voor mìj.
Ik loop naar de inschrijfbalie, want hoewel ze zeggen dat het niet verplicht is, wordt je eruit gekieperd. Je krijgt dan ook nooit meer een kans om het beter te maken. Veel keus heb je dus niet.
“Rosa Drakynoriv” zeg ik.
“Hier” zegt de mevrouw, “pas goed op hè!”. Ondertussen overhandigt ze me mijn naamkaartje en mijn nummer: 666. Dat voorspelt alleen maar goeds. De duivel is inderdaad de persoon die je aan je zijde wil hebben, hij zou je kunnen laten winnen en hopelijk laat hij zijn spelletjes achterwege. Het enige waar ik nu op moet letten is dat ik mijn tanden in het goede bloed zet.
Langzaam loop ik naar de start, mensen kijken me aan. Met mijn slanke lichaam en mijn fel blonde haar val ik op, hier waren mijn ouders altijd trots op. Fel Blonde kinderen zijn schaars en brengen “geluk”. Ik denk dat ik meer ongeluk breng dan wat anders, maar goed, iedereen zijn eigen visie.
“Jullie kennen de spelregels! Niet verliefd worden op je maaltijd, anders ben je verloren als vampier! Je wil namelijk geen mens worden, saaier bestaat niet!” schalt het luid door de luidsprekers. Man wat is hij toch grappig, niet dus, ha ha ha hilarisch.
“Start! Jongelui pas goed op en succes!”

Het is begonnen.

Iedereen sprint weg, maar ik ken mijn plekje al. Er zijn daar een paar mensen van onze leeftijd, met een klein meisje. Als ik die steeg nou eens leeg drink, heb ik meteen zo’n zes mensen. Ik loop er rustig heen. Mensen zijn zo naïef; elk jaar opnieuw komen ze buiten, terwijl ze dondersgoed weten dat wij elk jaar op jacht gaan.
Ik kom aan in de steeg en zie het meisje slapen. Perfect! Als ik op mijn dooie gemak erheen wil lopen zoeft er plots een geluid langs mijn hoofd. Meteen erna voel ik iets tegen hoofd aan knallen.

26 december 1876
Geschrokken kom ik bij. Een jongen staat voor me. Een melkchocolade jongen. Wat?! Hoe kan dat nu? Die bestonden toch niet meer?  Ik ben zo geschrokken dat ik pas later merk dat hij me heeft overmeesterd. Grauwend kijk ik om me heen. Mijn hoektanden verscherpen en ik kijk hem met een bloeddorstige blik aan.
“Wat betekent dit?! Mensenjong LAAT ME LOS!” grauw ik hem toe. Het enige wat hij doet, is me met een lachje aankijken.
“Denk je echt dat ik bang voor je ben?” grinnikt hij. Sluw kijkt hij me aan. Ik merk plotseling dat hij fantastische bruine ogen heeft. Een warm bruin dat me laat smelten. Snel sla ik mijn ogen neer. Als ik me herpakt heb kijk ik hem weer kwaad aan. Hij lacht om mijn reactie en laat me een rij witte tanden zien. Ik bloos. Hij kijkt me nog steeds aan. Langzaam komt hij naar me toe.
“Amoryn” zegt hij. Ik staar hem aan. DIT KAN NIET. Nee nee nee! Iedere vampier krijgt de naam van zijn geliefde als ze vrij jong zijn; ik was 5 toen ik wist dat “Amoryn” mijn soulmate zou zijn. We moeten dan zelf deze persoon vinden. Dit is hem dus, een mens. Ik barst in snikken uit. Hij kijkt me aan alsof ik gek ben.
“Hey, hey. Rustig. Wat is dit nou? Sinds wanneer moet een meisje huilen als ik mijn naam vertel?” hij glimlacht bezorgd. Zijn hand ligt op mijn wang. Zachtjes aait hij me, hij haalt de tranen van mijn gezicht.
“Hey? Gaat het een beetje?”. Hij kijkt zo bezorgd. Ik probeer mijn tranen in bedwang te houden en zeg mijn naam. Wat een stomme zet! Je naam zeggen? Jeetje wie doet dat nou?! Hij kijkt me even aan. Recht in mijn ogen. Jezus, zijn ogen, zijn ogen! Ik verdwijn, letterlijk. Hij heeft me nog steeds vast en ik herinner me dat ik hier een doel had: het meisje doden. Haar heb ik hier totaal niet meer gezien. Ik wil ook geen bloed meer. Ik wil hem. Zijn ogen, zijn lippen, zijn handen; alles. Levend. Ik wil hem levend en niet dood.

Ontwerp door Willem Verweijen