Verhalen Archive - Mijn Kort Verhaal - page 2

Archive for the ‘Verhalen’ Category

Alles anders

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Dit ben ik, Danny Norton. Een geslaagde advocaat, 43 jaar, geen relatie of kinderen en ik focus mij volledig op mijn werk. Mijn dagroutine is eigenlijk opstaan, werken, eten en naar bed. Voor mijn werk reis ik door het hele land. Ik erger mij, als 43 jarige, enorm aan de vertragingen, de ongelukken, en het missen van de trein. Momenteel waan ik mij een weg door de drukte richting perron 5. Mijn klus van vandaag is voor een 55 jarige man die het niet accepteert dat hij moet betalen voor de schade van zijn auto na een aanrijding met een paaltje, die volgens hem omhoog ging toen hij eroverheen reed. Ik moet naar een rechtszaal die ik niet ken, vervelend vind ik dat. Ik woon in Amsterdam, want dan kan ik overal heen met de trein. Of ik van mijn werk hou? Nee. Ik wordt gek van het reizen en de mensen met hopeloze zaken die barsten van het geld en dan toch maar proberen een zaak te winnen. Vervolgens lukt het mij niet als advocaat te slagen, want het zijn zoals ik al zei hopeloze zaken, waardoor mijn reputatie zo nu en dan omlaag gaat. Deze reputatie krik ik dan weer op door een niet al te moeilijke zaak aan te nemen en deze makkelijk te winnen. Ondertussen aangekomen bij perron 5 richting Arnhem kijk ik naar de mensen om mij heen. Vrouwen met kinderen, jongeren, oudere mannen, zwervers op de bankjes en mensen zoals ik, zakenmensen. Ik zie het nut niet van kinderen en een vrouw. Je moet er altijd voor je vrouw zijn, je kinderen moet je proberen op te voeden, wat meestal toch wel mislukt, je ontvangt iedere maand enorm hoge rekeningen, je kinderen zitten de hele dag na school op de bank naar filmpjes te kijken van de nieuwe trend, YouTube, en dan betwijfel je het of ze later nog wel aan je denken of even langskomen voor een bakje koffie als je oud bent. Nee, niks voor mij, dat gezinsleven. Ik zie de trein al aankomen. Als de deuren van de trein opengaan wring ik mij er als eerst in. Ik ga naar de stiltecoupé en zet mijn computer op het kleine tafeltje naast het raam. Ik besluit mijn punten voor de zaak nog even door te nemen. Ik weet dat de gemeente een pittige tegenstander kan zijn in dit soort zaken, zeker als je er zelf al geen vertrouwen in hebt. Ik ben totaal gefocust op mijn computer tot er een vrouw van een jaar of 40 in het gangpad naast mij staat. Aarzelend kijkt ze mij aan en kijkt vervolgens naar haar kleine zoontje dat haar hand stevig vasthoud. Ik zit totaal niet te wachten op een gestreste moeder en een zoon met gedragsproblemen, maar toch knik ik haar vriendelijk toe om haar uit haar twijfel te trekken. Opgelucht zet ze haar zoontje van, ik gok, een jaar of 6 tegenover mij aan het raam. Zelf gaat ze naast haar zoon zitten. Ik ben geen prater tenzij ik in de rechtszaal zit, dus ik zeg geen gedag. Haar zoontje is verkouden, merk ik. Hij hoest en snotterd en zijn ogen zijn rood en betraand. Heel ernstig zal het niet zijn, denk ik. De vrouw ziet mijn vermoeide en geïrriteerde gezicht richting het zieke jongetje en probeert haar zoontje iets stiller te houden. Ik verdiep me weer in mijn computer, maar het duurt niet lang of het zoontje gaat huilen. Hij huilt zoals ik het nog nooit heb gehoord. Ik kijk naar zijn gezicht en krijg een brok in mijn keel. Hij hoest en huilt tegelijk, waardoor hij kotsneigingen krijgt. Het lijkt net alsof ik naar een toneelspel kijk. Een vrouw die haar zoon probeert te sussen en een jongetje die heel ziek is en geen uitweg heeft. Het lijkt voor het eerst sinds jaren dat ik iets voel: verdriet en medelijden. Ik pink snel een traantje weg en probeer mij weer op mijn werk te focussen. Plotseling gaat de moeder vertellen. Ze vertelt dat het jongetje heel erg ziek is en nu naar het ziekenhuis in Arnhem gaat voor zijn laatste kans op een behandeling. Het geld groeit haar niet op de rug en het ziekenhuis in Spanje, waar haar zoontje wel beter kan worden, kan ze niet betalen. Na het verhaal valt er een stilte. “Sorry”, zegt ze. Ik zie haar beschaamde gezicht van haar plotselinge uitval en voel me schuldig. Ik heb mij nog nooit zo egoïstisch gevoeld, door mijn hele leven aan mezelf te denken. Ik geef de vrouw een tissue. De ogen van het zoontje zijn nat en rood. Zijn neus is nog roder en als hij slikt kijkt hij pijnlijk. Ik volg zijn tranen die van zijn ogen langs zijn huid op de grond vallen. Plotseling besef ik mij dat het leven heel erg kort kan zijn. Dat je moet genieten van het leven en dat je zoveel moet geven en zo weinig mogelijk moet nemen als je kan. Ik klap mijn computer vastbesloten dicht. Dan besef ik mij dat ik vandaag al die nieuwe stap kan maken. Ik kijk de vrouw aan die zachtjes over het hoofd van haar zoontje wrijft. Ik open mijn computer en kijk naar mijn bankrekening. 5 mensen zouden hier 100 jaar van kunnen leven. Ik schaam mij kapot voor het bedrag dat er op mijn bank staat en schraap mijn keel. “Ik ben geen arme man, mevrouw. Ik wil u heel erg graag helpen, zodat u met uw zoon naar Spanje kunt gaan en uw zoon beter kan worden! Ik sta het niet toe dat u dit aanbod afwijst en wil u heel erg graag een bedrag schenken. Zou ik alstublieft uw bankrekeningnummer mogen?” De vrouw keek mij beduusd en verlegen aan. “Dank u”, fluisterde ze met een schorre keel. Toen lieten we allebei een traantje lopen. Mijn leven gaat vanaf nu veranderen, ik stap over naar een nieuw leven!

Klavertjes vier en zwarte veren

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Nog vijf minuutjes en dan stap ik de trein in, op weg naar mijn nieuwe leven. Vanaf vandaag ga ik namelijk op kamers. Mijn aankomende studentenleven lacht me toe.
Van tevoren heb ik alles goed uitgezocht, zo ook de treinreis. Ik moet naar rechts als ik het station binnenloop, daarna zullen er borden staan.
Wanneer ik het station binnenkom, moet ik even om me heen kijken waar ik heen moet. Links trekken roze ballonnen mijn aandacht. De heliumballonnen zitten vast tussen de tegels op het perron, ze zweven op ongeveer twee meter hoogte. Vol verbazing loop ik er naartoe. Zal iemand dit speciaal voor mij geregeld hebben?
Als ik bijna bij de ballon gearriveerd ben, knapt hij. Het regent confetti voor mijn ogen. Een gelukkig gevoel verspreidt zich door mijn lichaam, alsof ik van mijn saaie leven een nieuw feestelijk tijdperk inrol.
Achter de confetti zie ik de volgende ballon zweven. Met een glimlach van oor tot oor ga ik ook daarheen. Het is wel een eindje weg, maar als mijn nieuwsgierigheid eenmaal gewekt is, ben ik niet meer te stoppen.
Vlak voordat ik hem kan aanraken, gaat ook deze ballon kapot. Rozenblaadjes cirkelen om me heen. Mijn wangen verkleuren licht en ik krijg het een beetje warm. Dit is geweldig!
Ik sprint naar de laatste ballon die ik zie. Zelfs vijf meter voordat ik daar aankom, klapt de ballon open. Nu ren ik af op een muur van klavertjes vier. Het is net of het geluk gewoon op me afkomt, zoiets gaafs heb ik zelden meegemaakt.
Achter de klavertjes, die nu allemaal op de grond liggen, staat een hek. Ik zie geen ballonnen meer. Misschien moet ik maar eens op zoek gaan naar mijn trein, want de minuten vliegen om. Maar waarom is het hier afgesloten? Ik moet toch echt deze kant op, want na binnenkomst op het station ben ik naar rechts gegaan, zoals ik had opgezocht. Daarnaast zie ik gewoon een trein achter het hek en de bestemming waar ik heen moet, staat op het informatiebord.
Vertwijfeld zet ik mijn voet op het hek en probeer ik er overheen te klimmen. Van achter het hek komt een man aanlopen. Hij is volledig gekleed in het zwart en zelfs zijn gezicht is bedekt onder een zwarte bivakmuts. Zelfverzekerd klim ik verder, in de hoop dat de man me niet opmerkt en zodat ik mijn trein nog kan halen.
Helaas is hij sneller dan ik dacht, want binnen enkele seconden heeft hij mijn arm beet en sleurt hij me van het hekje af. Hier laat hij het niet bij, want hij blijft mijn arm vasthouden en doorlopen naar de andere kant van het perron. Zijn stevige greep doet pijn en ik moet bijna rennen om hem bij te kunnen houden.
In een reflex geef ik een keiharde gil en meteen klemt de man zijn vrije hand om mijn mond.
Nadat we voorbij de confetti zijn, laat hij me los. Voordat ik het doorheb is hij weg, zomaar verdwenen.
Met grote ogen staar ik om me heen en mijn hart klopt in mijn keel.
Wanneer ik naar rechts kijk, zie ik weer ballonnen. Dit keer zijn ze niet roze, maar zwart.
Nog een beetje rillend van het voorval van daarnet, loop ik op deze ballon af. In tegenstelling tot de vorige ballonnen, knapt deze niet vanzelf, dus zet ik mijn nagels erin. Langs mijn handen voel ik iets kietelen en zie ik zwarte veren naar beneden dwarrelen.
De sfeer wordt grimmiger door al deze donkere dingen. Zelfs de lucht lijkt donkerder dan eerst, of is dat gewoon mijn eigen verbeelding?
Verderop zie ik nog twee zwarte ballonnen. Zal ik er wel naartoe gaan? De twijfel slaat toe.
Toch besluit ik erheen te gaan. Als ik op het punt sta de tweede ballon open te klappen, voel ik iets snuffelen aan mijn been. Er staat een grote zwarte hond aan mijn kuit te ruiken.
Ik kijk achterom en constateer dat er een hele groep van deze honden aan komt rennen.
Meteen besluit ik er vandoor te gaan. Tijdens mijn sprint tril ik als een rietje en zweetdruppels ontstaan op mijn voorhoofd.
Een paar seconden later passeer ik de derde ballon, ook deze knapt niet uit zichzelf. Ik blijf rennen en maak geen aanstalten om deze ballon lek te prikken. Voor mijn gevoel heb ik nog nooit zo hard gerend, maar nog steeds lijkt het alsof de honden me op de hielen zitten.
Ik werp een blik achterom om te kijken hoe ver ze werkelijk van me verwijderd zijn.
Mijn hart staat even stil als ik merk dat ze nog dichterbij zijn dan toen ik begon met rennen.
Ineens valt me iets op. Er hangt een briefje aan de halsband van de voorste hond. Ik knijp mijn ogen samen om het te kunnen lezen.
Pas op voor het gevaar!
Wanneer ik weer vooruit kijk, stop ik acuut met rennen. Mijn voeten staan op het randje van het perron, al ver voorbij de witte streep die aangeeft dat het perron eindigt. Precies op dat moment raast een trein voorbij.
Mijn lichaam voelt de zuiging van de trein, ga ik vallen? Nog net op tijd weet ik mijn evenwicht te bewaren, waardoor ik mezelf nog kan tegenhouden.
Het briefje heeft me gered van mijn ondergang, nog voordat ik überhaupt opnieuw begonnen ben.

Het Paradijs

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Als er iets was dat Herr Kaestner had geleerd van de natuurkunde, zou het het besef van eindigheid zijn. Waar het met leer beklede hengsel van zijn ene koffer eindigde, begon zijn verharde hand die rood zag van de kou, net als de neus waaruit hij periodiek stoom blies als de trein van Linthal naar Luzern. Door Schwanden, door Glarus, door Ziegelbrücke, door Pfäffikon, en door, en door, en door; terwijl hij de trein betrad vertelde hij zichzelf nogmaals over de enige, beangstigende zekerheid die hij kende: alles moest een einde hebben.

 

Het ijzeren gevaarte met begin en einde had wagons zover het oog kon zien. Na elke deur vond men nogmaals een deur, enkele tientallen meters verder. Kaestners stoelnummer vond hem eerst. Zijn turkooisgekleurde rugleuning weerkaatste op de hoogglanzende rugzij van de stoel ervoor. Naast hem liep het gangpad, maar ook het raam. De zwarte jas die Kaestner bekleedde kleurde groen terwijl diezelfde natuurkundige uit zijn tas een boek liet opdoemen, gevuld met beelden en figuren en ideeën – door Schwanden, door Glarus, en door, en door, en door. Achterin het boek vol notities vond Kaestner zichzelf terug op een zilveren plaat, met een glimlach naast zijn vrouw.

 

Thuis, dacht hij. Linthal, daar verliet het gevaarte zojuist, dan Schwanden, Glarus, Ziegelbrücke, Pfäffikon, Arth-Goldau… uiteindelijk zou de trein Luzern schampen.

 

De stoel voor de zijne had twee verticale rijen gedecoreerde koperen draadnagels. Zestien per kant, ieder exemplaar zorgvuldig opgepoetst. In het uitgerekende horizontale midden, een embleem: een cycloon gezien vanuit zijn eigen oog, met uitgesneden reliëf. Kaestner glipte zijn hand uit de zwarte mouw die haar hulde en gleed zijn nagel in de uitgehouwen gleuf. Vanuit de laatste pagina van het schrift aanschouwde Frau Kaestner hoe haar man zijn nagel liet vallen door de perfecte insnijding. Zijn uitgestrekte wijsvinger rolde langs het midden als tussen de draden om een klos. En door, en door, en –

 

De conducteurs rode jas reflecteerde in het gepolijste koper. Ergens tussen de kleur van het koper en het vilt zou het haar van Frau Kaestner vallen. Hij trok zijn hand schokkerig terug toen de conducteur hem aansprak. Met een paar schuddende handen gaf hij een verfromfraaid kaartje aan, en alles was weer goed.

 

Het landschap raasde door, totdat dit ook stopte en zijn theorie ook die test doorstond. Dit zou Schwanden geweest zijn. Frau Kaestner, met haar koper-en-vilten haardos, keek met tevredenheid zoals de meeste foto’s dat deden dezer dagen. Herr Kaestner keek naar het embleem – dat verdomde embleem met zijn bedrieglijke eindigheid. Het leek toch minder op een wervelwind, en meer op het chignon dikwijls achterop het hoofd van zijn vrouw, dacht hij. Dat was eindig, dat wist hij zeker. Haar koperdraden haar eindigde halverwege haar rug – ja, dat deed het de vorige keer dat hij haar zag. Ondertussen zou het lager vallen.

 

Hij zocht het begin van de gepolijste symbolische klos om uit te rekenen waar het einde zou moeten zijn. Zijn zicht dwaalde langs het zwarte midden – en toen weer naar buiten: een tiental huizen, een honderdtal mensen op een plein ernaast; alles raasde langs als Glarus en Ziegelbrücke.

 

Hoe lang hij ook keek, hij vond begin noch einde. Zijn draden, de symbolische beweging van de wervelstorm, de haren van de knot — welke hij ook volgde, was eindeloos. Het kon niet. Zijn tanden knarsten tezamen, zijn handen versteenden in concentratie. Bedriegerij, riep hij woordeloos uit.

Hij deed er niets mee. Bergen raasden voorbij in zijn ooghoek, het groen van het landschap versprong steeds langzamer totdat het helemaal niet meer bewoog. In zijn andere ooghoek verlieten een handjevol mensen hun plek – maar Kaestner kon niets zien behalve dat tollende embleem. Zijn hand sloeg op de armsteun; zijn zicht duizelde, maar zijn focus kon niet doorbroken worden door de eindigende zaken. Hij wist, ook al keek hij nog zo lang, dat hij niet oneindig kon kijken. Het universum had een einde. Deze trein had er twee. Het embleem, ach, het embleem – die zou er ook wel minstens één hebben, maar het zou toch meer kloppen in zijn logica als hij er net zoveel zou hebben als het haar van Frau Kaestner in dat chignon; zou dat één eind zijn of in de duizenden einden – hoeveel haren had een mens op zijn hoofd? Wat een angstige realiteit, dacht hij, waarin alles een duidelijk eindpunt had. Deze trein, bijvoorbeeld, zou stoppen in Luzern, zijn eindpunt. Frau Kaestners huid zal ooit vermolmen en haar koperen haar zal loslaten. Dan zou het embleem van haar chignon waar hij nog altijd naar staarde het nog langer volhouden.

 

Het kostte hem maar één afwijkende gedachte, een mentale overstap naar de broze, sterfelijke realiteit: wat komt er na Arth-Goldau? Hij kon zich alleen concentreren op die verachtelijk vage woorden:

 

En door;

En door;

En door.

 

Hij sloeg zijn notitieboek dubbel en klemde het weer in het respectieve vak in zijn kleine koffer met het leren handvat.

 

Zo ver het oog kon zien gaven turquoise ruggen contrast aan het goud, koper en middenbruin van de trein. Toen hij opstond was geen enkele stoel meer bezet. Wagons tot in den eeuwigheid.

 

Hij hoorde alleen het serene ruis van een trein die over een rails dreef. De zucht die hij sloeg weerkaatste voor eeuwig. Een resonans als deze zou Kaestner normaal niet aan zou kunnen, klonk hem nu als de meest verfijnde melodie in de oren. Hij verdronk haast in zijn eigen geluk, zonder de angst voor het tollende embleem, het groeiende haar, de vermolmde huiden, en het station na Arth-Goldau.
Vanuit het grote, trotse raam gaapte de schitterende oneindigheid die dit ijzeren gevaarte met begin noch einde schampte.

Grip

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Ik zit in de trein. De coupé voelt vertrouwd aan. Het doffe, ritmische geluid van de wielen die het spoor raken stelt mij gerust. Mijn rechtervoet tikt zachtjes mee op het ritme.
Ik kijk om mij heen en zie dat er een vrouw tegenover mij zit. Mijn blik glijdt uitvoerig langs haar heen. Haar huid heeft de kleur van melkchocolade. Versierd door een tal lichtbruine zomersproetjes. Een prachtig gezicht. Ze draagt een jurk die net over haar knieën valt met een felgekleurde print en op haar schoot zit een kind. Het jochie kijkt stoer om zich heen. Hij doet mij denken aan mijn eigen zoon toen die klein was. Nog jong, maar al zo bewust van zichzelf. Die kan voorlopig de hele wereld aan. Al helemaal op de schoot van zo’n mooie moeder, bedenk ik mij. Wanneer ik merk dat de vrouw opkijkt en ziet dat ik onbeschaamd naar haar en het jochie aan het staren ben, wend ik mijn hoofd af. Ik voel dat ik wat rood word. Mijn konen gloeien een beetje.
Om de aandacht ergens anders op te vestigen, haal ik vlug het briefje uit mijn broekzak. Het is een klein stukje krantenpapier, gescheurd uit een plaatselijk huis-aan-huisblad. Op de achterkant staat een foto van een afgetraind vrouwenlichaam in een baby roze bikini. Met paarse koeienletters staat er bij geschreven: ‘Geef jezelf een strak lijf cadeau!’. Deze manier van verkoopstimulering voor het een of andere dieetboek doet mij grijnzen.
Wanneer mijn vingers een poging doen tot het omdraaien van het papier, verliezen ze hun grip. Het briefje valt op de vloer van de trein. Het is een smerige vloer. Een klodder mayonaise is er lichtjes over uitgesmeerd.
Een hand naast mij pakt het briefje op. Ik volg de beweging en de hand blijkt van een man te zijn die naast mij zit. Ik kan mij niet herinneren dat hij hier eerder ook al zat. De man draagt een bruin regenhoedje. Ik vermoed dat hij licht kalend is. Dat probleem heb ik in mijn jongere jaren maar al te goed gekend. ‘De eerste zichtbare tekenen van aftakeling’, zei ik altijd breed lachend als iemand mij weer wees op het kale rondje achterop mijn hoofd.
‘Alstublieft meneer’, klinkt het naast mij. De man praat wat bekakt. Ik mompel wat onverstaanbaars terug. Het papier wordt nu opengevouwen in mijn handen geschoven. Dan schiet mij iets te binnen: ‘Jongeman, zou jij misschien iets voor mij willen doen?’ Ik denk even na. ‘Op dat briefje staat welke overstap ik moet nemen.’ De man trekt zijn gezicht in een ongemakkelijke, maar beleefde houding. Hij kijkt even over mijn schouder mee. Dan is het een ogenblik stil. ‘Meneer, u kan nog twee tussenstations blijven zitten, bij het station daarna moet u uitstappen. Ik zal u voortijdig waarschuwen.’ Ik geef hem weer zo’n zelfde knikje en daarmee eindigen we het gesprek.
Mijn gedachten dwalen af naar mijn dochter. Ze heeft zich verheugd op deze mooie dag. ‘Wij zijn zo trots op jou, papa’, zei ze vanochtend nog aan de telefoon. Sinds de diagnose zegt ze dat vaker. Ook dat ze zo zielsveel van mij houdt. Ze lacht er dan bij. Wanneer ze lacht, krullen haar mondhoeken zo schattig omhoog. Als baby had ze al die prachtige glimlach en ik zal er alles voor doen om hem niet te vergeten. Van het idee dát, moet ik even zuchten.
Mijn dochter woont in de stad. Ze kwam er op jonge leeftijd achter dat het platteland niet voor haar bestemd is. Rot verveelde ze zich in dat gehucht, kreeg ik vaak te horen. Dus toen ze op 18-jarige leeftijd haar middelbare school had afgemaakt, vertrok ze naar de grote stad om daar te beginnen aan een studie geneeskunde. Van mij kreeg ze één-kamerappartement cadeau. Gekocht. Dat was praktisch, want dan zou ze geen gedoe hebben met vervelende huurbazen, was het idee erachter. Eigenlijk, wilde ik haar vooral een groot plezier doen. Na drie maanden stopte ze met de studie, ze vond het er gewoon écht niet leuk, had ze mij verteld. Pas veel later kreeg ik van haar broer te horen dat ze toentertijd van de opleiding was geschopt. Tijdens de kennismakingsweek had ze het bed gedeeld met een van de hoogleraren.
Desalniettemin woont ze tot op de dag van vandaag in de stad, in hetzelfde één-kamerappartement.
‘We gaan vandaag samen een boekje maken’, vertelde ze mij vanochtend. ‘Waar we allerlei herinneringen en foto’s van vroeger gaan inschrijven en plakken.’ Ik had gereageerd met: ‘Oh ja? Goh, wat leuk.’ Ze vertelde mij toen, dat dit een plan was dat we de laatste maanden samen hadden bedacht. Toen het nog beter met je ging, had ze er aan toegevoegd. Ik voelde dat de woorden die ze zei, ons beiden zeer deden. Ze grijpen mij naar de keel. Een vervelend, benauwd gevoel was het gevolg geweest.
‘Meneer, u moet hier uitstappen!’ Verbouwereerd kijk ik op uit mijn gedachten. Een man tikt mij aan. Hij zit naast mij. ‘Meneer, u moet er nu echt uit, dit is uw overstap.’ Hij klinkt gejaagd. ‘Zal ik anders even met u meelopen om te helpen met het uitstappen? Die kleine, smalle trapjes in de trein zijn altijd onhandig.’ Ik kan mij niet herinneren dat ik deze man eerder heb gezien. Hij drukt nu een briefje onder mijn neus. Ik bekijk het briefje. De naam die op het briefje staat matcht met de naam die staat weergegeven op het elektronische bord in de coupé van de trein. ‘Hier moet ik er inderdaad uit’, bedenk ik mij dan. Ik geef de man daarom maar een voorzichtig knikje en mompel in zijn richting ‘bedankt’.
Zorgvuldig sta ik op uit de stoel die bekleed is met blauw leer. ‘Doeij menjeer!’, roept een jongetje terwijl ik wegloop. Hij zat tegenover mij. Nog niet bewust van zijn geslis, kijkt hij mij stoer aan.

Grip

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Ik zit in de trein. De coupé voelt vertrouwd aan. Het doffe, ritmische geluid van de wielen die het spoor raken stelt mij gerust. Mijn rechtervoet tikt zachtjes mee op het ritme.                                                                                                                                                                       Ik kijk om mij heen en zie dat er een vrouw tegenover mij zit. Mijn blik glijdt uitvoerig langs haar heen. Haar huid heeft de kleur van melkchocolade. Versierd door een tal lichtbruine zomersproetjes. Een prachtig gezicht. Ze draagt een jurk die net over haar knieën valt met een felgekleurde print en op haar schoot zit een kind. Het jochie kijkt stoer om zich heen. Hij doet mij denken aan mijn eigen zoon toen die klein was. Nog jong, maar al zo bewust van zichzelf. Die kan voorlopig de hele wereld aan. Al helemaal op de schoot van zo’n mooie moeder, bedenk ik mij. Wanneer ik merk dat de vrouw opkijkt en ziet dat ik onbeschaamd naar haar en het jochie aan het staren ben, wend ik mijn hoofd af. Ik voel dat ik wat rood word. Mijn konen gloeien een beetje.                                                                                 Om de aandacht ergens anders op te vestigen, haal ik vlug het briefje uit mijn broekzak. Het is een klein stukje krantenpapier, gescheurd uit een plaatselijk huis-aan-huisblad. Op de achterkant staat een foto van een afgetraind vrouwenlichaam in een baby roze bikini. Met paarse koeienletters staat er bij geschreven: ‘Geef jezelf een strak lijf cadeau!’. Deze manier van verkoopstimulering voor het een of andere dieetboek doet mij grijzen.                                                                                                                                                                      Wanneer mijn vingers een poging doen tot het omdraaien van het papier, verliezen ze hun grip. Het briefje valt op de vloer van de trein. Het is een smerige vloer. Een klodder mayonaise is er lichtjes over uitgesmeerd.                                                                                                  Een hand naast mij pakt het briefje op. Ik volg de beweging en de hand blijkt van een man te zijn die naast mij zit. Ik kan mij niet herinneren dat hij hier eerder ook al zat. De man draagt een bruin regenhoedje. Ik vermoed dat hij licht kalend is. Dat probleem heb ik in mijn jongere jaren maar al te goed gekend. ‘De eerste zichtbare tekenen van aftakeling’, zei ik altijd breed lachend als iemand mij weer wees op het kale rondje achterop mijn hoofd. ‘Alstublieft meneer’, klinkt het naast mij. De man praat wat bekakt. Ik mompel wat onverstaanbaars terug. Het papier wordt nu opengevouwen in mijn handen geschoven. Dan schiet mij iets te binnen: ‘Jongeman, zou jij misschien iets voor mij willen doen?’ Ik denk even na. ‘Op dat briefje staat welke overstap ik moet nemen.’ De man trekt zijn gezicht in een ongemakkelijke, maar beleefde houding. Hij kijkt even over mijn schouder mee. Dan is het een ogenblik stil. ‘Meneer, u kan nog twee tussenstations blijven zitten, bij het station daarna moet u uitstappen. Ik zal u voortijdig waarschuwen.’ Ik geef hem weer zo’n zelfde knikje en daarmee eindigen we het gesprek.                                                                                                                                                      Mijn gedachten dwalen af naar mijn dochter. Ze heeft zich verheugd op deze mooie dag. ‘Wij zijn zo trots op jou, papa’, zei ze vanochtend nog aan de telefoon. Sinds de diagnose zegt ze dat vaker. Ook dat ze zo zielsveel van mij houdt. Ze lacht er dan bij. Wanneer ze lacht, krullen haar mondhoeken zo schattig omhoog. Als baby had ze al die prachtige glimlach en ik zal er alles voor doen om hem niet te vergeten. Van het idee dát, moet ik even zuchten.                                                                                                                                          Mijn dochter woont in de stad. Ze kwam er op jonge leeftijd achter dat het platteland niet voor haar bestemd is. Rot verveelde ze zich in dat gehucht, kreeg ik vaak te horen. Dus toen ze op 18-jarige leeftijd haar middelbare school had afgemaakt, vertrok ze naar de grote stad om daar te beginnen aan een studie geneeskunde. Van mij kreeg ze één-kamerappartement cadeau. Gekocht. Dat was praktisch, want dan zou ze geen gedoe hebben met vervelende huurbazen, was het idee erachter. Eigenlijk, wilde ik haar vooral een groot plezier doen. Na drie maanden stopte ze met de studie, ze vond het er gewoon écht niet leuk, had ze mij verteld. Pas veel later kreeg ik van haar broer te horen dat ze toentertijd van de opleiding was geschopt. Tijdens de kennismakingsweek had ze het bed gedeeld met een van de hoogleraren.                                                                                                                                                                                                                   Desalniettemin woont ze tot op de dag van vandaag in de stad, in hetzelfde één-kamerappartement.                                                            ‘We gaan vandaag samen een boekje maken’, vertelde ze mij vanochtend. ‘Waar we allerlei herinneringen en foto’s van vroeger gaan inschrijven en plakken.’ Ik had gereageerd met: ‘Oh ja? Goh, wat leuk.’ Ze vertelde mij toen, dat dit een plan was dat we de laatste maanden samen hadden bedacht. Toen het nog beter met je ging, had ze er aan toegevoegd. Ik voelde dat de woorden die ze zei, ons beiden zeer deden. Ze grijpen mij naar de keel. Een vervelend, benauwd gevoel was het gevolg geweest.                                              ‘Meneer, u moet hier uitstappen!’ Verbouwereerd kijk ik op uit mijn gedachten. Een man tikt mij aan. Hij zit naast mij. ‘Meneer, u moet er nu echt uit, dit is uw overstap.’ Hij klinkt gejaagd. ‘Zal ik anders even met u meelopen om te helpen met het uitstappen? Die kleine, smalle trapjes in de trein zijn altijd onhandig.’ Ik kan mij niet herinneren dat ik deze man eerder heb gezien. Hij drukt nu een briefje onder mijn neus. Ik bekijk het briefje. De naam die op het briefje staat matcht met de naam die staat weergegeven op het elektronische bord in de coupé van de trein. ‘Hier moet ik er inderdaad uit’, bedenk ik mij dan. Ik geef de man daarom maar een voorzichtig knikje en mompel in zijn richting ‘bedankt’.                                                                                                                                                                                   Zorgvuldig sta ik op uit de stoel die bekleed is met blauw leer. ‘Doeij menjeer!’, roept een jongetje opgewekt terwijl ik wegloop. Hij zat tegenover mij. Nog niet bewust van zijn geslis, kijkt hij mij stoer aan.

Bloedwraak

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Het huis kraakt bij elke windvlaag evenals de houten vloer die kraakt bij iedere stap die ik zet. Ik wil niet dat de vloer kraakt. Het doorbreekt de stilte die ik op dit moment heel hard nodig heb. Vroeger toen ik klein en onbevangen was en met twee staartjes rondliep hield ik van het kraken van de vloer. Het had iets magisch. Ik wist precies welke planken het ergst kraakten en liep altijd expres over juist dié planken heen, tot ergernis van mijn stiefvader die altijd schreeuwde vanuit zijn werkkamer dat ik moest stoppen met het oorverdovende – het waren zijn woorden- gestamp op de vloer. Nu kon hij er niets van zeggen. Nu was mijn stiefvader er niet meer om te schreeuwen om stilte en om me te vertellen dat hij mij haatte. Dat voelde goed. Het is donker afgezien van het kale peertje aan het einde van de overloop. Hij knippert. Aan. Uit. Aan. Uit. Hij knippert op de maat van het tikken van de grote klok die beneden in de eetkamer hangt. Het is een oude houten klok waarvan het tikken tot in alle hoeken en gaten van het huis te horen is. Ik wil dat hij stopt met tikken. Het tikken doorbreekt de stilte die ik op dit moment heel hard nodig heb. Vroeger toen ik klein en onbevangen was en urenlang kon spelen met mijn poppen hield ik van het tikken van de klok. Het had iets vertrouwds. Iets wat hoorde in mijn huis. Altijd om klokslag twaalf uur rende ik naar beneden om zo op tijd te zijn voor het middageten. Als ik te laat was naar mijn stiefvaders zin moest ik weer vertrekken en aten hij en mijn moeder alleen. Zonder mij. Dan liep ik weer naar boven over diezelfde houten vloer waar ik nu ook overheen loop, naar mijn kamer om vervolgens aan mijn poppen te vertellen hoe oneerlijk het was dat mijn schoolvriendjes en vriendinnetjes wel een lieve vader hadden en ik niet. Ik wist dat ik dat tegen niemand anders kon vertellen want als mijn stiefvader erachter kwam dat ik dat vond dan had je de poppen aan het dansen. Naarmate ik verder door de donkere gang loop vallen er steeds meer rode spetters op de houten vloer. Bloedspetters. Het komt van mijn hand. Ik wil dat het bloed weg is. De ijzerachtige geur ervan doet me denken aan vroeger. Aan die keer dat mijn stiefvader mijn heitje-voor-een-karweitje geld afpakte omdat hij dat goed kon gebruiken. Geld ruikt naar ijzer. Dat vond ik bijzonder. Hij vond het achterlijk dat ik dat bijzonder vond; ‘het is immers van metaal gemaakt en daar is niets bijzonders aan.’ Het doet me ook denken aan die keer dat hij me sloeg met een ijzeren buis omdat ik een glas had laten vallen. ‘Het ging niet expres’, zei ik nog. Maar dat drong niet tot hem door. Er drong ook niets tot hem door toen hij mijn moeder voor mijn ogen vermoordde omdat hij erachter kwam dat ze bij hem weg wilde gaan. Het bloed van mijn moeder deed hem niets. De ijzerachtige geur van haar bloed deed hem hoogstwaarschijnlijk alleen beseffen dat hij nu al haar geld kon besteden hoe hij maar wilde. Dat de tralies van gevangenissen ook naar ijzer roken besefte hij niet. Vroeger troostte mijn moeder me altijd als ik was gevallen en er bloed op mijn hand zat. Dan plakte ze er met veel beleid heel zachtjes een pleister op en vertelde ze me met alle lieve woordjes die er bestaan dat ze van me hield. Helaas was een pleister niet genoeg om háár wonden te helen. Toen ik mijn moeder daar had gezien, op dat bed met lakens die eens wit waren, brak ik mentaal. Ik begon in mijn eigen hoofd te leven en ik kwam er niet meer uit. Ik zonk steeds dieper en dieper. Gedachtes overspoelden me alsof het elke dag vloed was. Beelden schoten door mijn hoofd. Er was nooit een moment van eb. Ik werd volkomen ondergedompeld in mijn eigen gedachtes die van buitenaf niet van mijn gezicht af te lezen waren. Nu wel. Ik voel mijn ogen branden als ik terugdenk aan alle dingen die zijn gebeurd in dit huis. Dit huis met intens veel herinneringen die ik het liefst vergeten zou. Maar ik besef me, dat ik er zojuist nog een herinnering aan toe heb gevoegd. Eentje die vers in mijn geheugen staat en er nooit meer uit zal gaan. Een traan vindt zijn weg naar buiten en rolt over mijn wang waarna hij op de grond valt. Bloed met tranen. Ik vervloek mezelf omdat ik moet huilen. Ik probeer het tegen te houden maar het lukt niet, het kan niet. De eenzame traan was als het eerste schaap dat over de dam was en nu volgen er meer. Ik veeg ze weg. Net als vroeger. Ik zet een voet over de drempel van het huis en loop naar buiten. De deur valt met een harde klap achter me in het slot. Ik weet precies waar ik heen loop. De brug is niet ver weg. Eenmaal bij de brug leun ik over de reling en staar ik naar het gitzwarte water dat een grote aantrekkingskracht op me uitoefent. Het water lijkt me te roepen. Ik zet een voet op de reling. Ik weet dat ik het wil maar ik twijfel. Het is hoog, heel hoog. Langzaam zet ik ook mijn andere voet op de reling en balanceer ik op het randje. Mijn gedachten razen als een wervelwind door mijn hoofd. Ik staar naar het water en bedenk me hoeveel rust ik zal hebben. Als ik naar mijn handen kijk weet ik het zeker. In tegenstelling tot vroeger is het bloed op mijn handen dit keer niet de mijne. Het is het rode bloed van mijn stiefvader. En dat beseffend stap ik over de reling. Een paar seconden later is het stil. En zijn het niet mijn gedachten, maar het water dat mij overspoelt.

Het puzzelstukje

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Met een rustige beweging haal ik het broodje met hummus uit mijn rugzak. Ik ben hier al een week en het is prachtig. De bergen torenen boven de wolken uit, de lucht is ijl en het enige geluid is dat van koebellen. Het lijkt alsof het dorp in de jaren ‘80 is blijven hangen. Ik voel me echter leeg. Het is alsof ik naar een foto kijk, het is mooi, maar ik ben niet aanwezig. Met een zucht leun ik achterover op het bankje. Over een paar weken is mijn Gap Year afgelopen, maar ik heb nog steeds geen clue van wie ik ben en wat ik wil. Mijn ouders hadden gelijk. Ze pushten me om rechten te gaan studeren in Leiden, ze zeiden dat dat “altijd een goede keuze is”. De enige die me steunde was mijn zus. “Dit is dé gelegenheid om jezelf te ontdekken!” Ik ben echter nog steeds wie ik altijd was geweest : het rustige, beschaafde, stille meisje Madelief.

 

“Wat doe je hier in je eentje?” Ik deins achteruit bij het horen van de schorre stem. Met rode wangen kijk ik op, recht in een paar donkergroene ogen die door zwarte kohl omringd worden. Ze heeft sproetjes en oranje krullend haar, een typische “ginger”. Het meisje strijkt haar rode haar achter haar oor. Ik reik haar mijn hand toe. “Madelief.” Met een schuine glimlach kijkt ze me aan, ontwijkt mijn hand behendig en geeft me een stevige knuffel. “Zo doen we dat hier. Ik ben Olivia.”

 

Olivia is alles wat ik niet ben en alles wat ik altijd heb willen zijn. Wanneer ik haar vertel over de teleurstellende ervaring die mijn Gap Year is, kijkt ze me vol medelijden aan. “Wat had je gedacht, Madelief? Dat je alles zomaar uit zou vogelen? Door op bankjes naar bergen te kijken? Door in treinen te zitten? Ja, het is mooi, maar zo ontdek je niet wie je bent! Je moet leven! Dingen doen die je meestal niet doet, dingen doen die je nog nooit gedaan hebt.” Ze glimlacht naar me, ze kent alle geheimen van de wereld. Met een zucht staat ze op. “Ik moet gaan, ik zie je nog wel.” Een knipoog en ze is weg. Hoe moet ik haar ooit vinden? Dit dorp is klein, maar ook niet zo klein. Typisch, het is zo’n kind dat erin gelooft dat dingen zich op mysterieuze wijze vanzelf oplossen, als je er maar in gelooft. Met rollende ogen sta ik op en stop ik mijn handen in mijn zakken. Iets schuurt tegen mijn hand aan. Fronsend open ik het papiertje.

 

07/08/2014, 21.00, Grünsee

Ik zie je daar 😉

Onderaan het dal zie ik de vlammende haren verdwijnen.

Al een anderhalf uur ben in onderweg. Het paadje kronkelt door het bos en het is een stevige klim. Ik stop voor de zoveelste keer om de kaart wat beter te bestuderen. Ik zou er moeten zijn. Zenuwachtig veeg ik het zweet van mijn voorhoofd en op handen en voeten klim ik over de rots heen die me het zicht verspert. Wanneer ik recht sta kan ik mijn ogen niet geloven. Midden in het bos is er een meer, met helder water. Boven de bergen hangt een roze gloed, de zon is bijna onder. Ik kan een glimlach niet onderdrukken. Met rustige stappen loop ik naar het meer toe en raak ik het water aan. Het is ijskoud maar zo verleidelijk. Plots wordt het donker en voel ik twee handen voor mijn ogen.

 

“Olivia!” Haar lach weergalmt door het bos en ze haalt haar handen weg.“Ik wist dat je zou komen, je bent dapperder dan je denkt.” Ze knipoogt. Ik probeer mijn rode wangen te verstoppen, wat hopeloos mislukt. Twee andere jongens komen langzaam aanlopen. Heeft ze vrienden meegenomen? Welke van de twee zou haar vriendje zijn? “Hoi ik ben Madelief.” Zeg ik, met veel te zachte stem. Grijnzend kijken ze me aan. “Ik ben Tom en dit is Yann,” zegt de jongen met zwart haar. Hij heeft bruine ogen en draagt een zwart petje. Onder zijn arm draagt hij een stereo, het liedje “Summer of ‘69” schalt door de luidsprekers. Hij draait zich om naar Olivia en knipoogt. ”Je hebt het goed voor elkaar meid. Nou, Madelein, ben je klaar voor een duik?” Een duik? Van de schrik vergeet ik hem te verbeteren. Schoorvoetend kijk ik op. “Ik denk niet dat dat een goed idee is. Ik heb geen bikini bij…” De drie kijken elkaar aan en barsten in lachen uit. Ik had niet moeten komen. “Dat is niet nodig, Madelief.” Olivia legt de nadruk op mijn naam, en tot mijn verbazing zie ik dat ze haar broek uittrekt. De andere twee zijn al weg, en ik probeer een een lach te onderdrukken wanneer ik de twee paar witte billen onder water zie gaan, gepaard met het nodige gegil. De muziek echoot door het bos.

 

Oh and when you held my hand

I knew that it was now or never

Those where the best days of my life

Back in the summer of ‘69

 

Zenuwachtig kijk ik naar Olivia. Ze heeft een handdoek om haar bleke huid geslagen. Ze kijkt me recht aan en glimlacht. Ook al ken ik haar nog maar net heb ik het gevoel haar al heel mijn leven te kennen. Haar ogen zijn net sterren. Ze straalt.  Zachtjes pakt ze me vast. Ik versteen. En dan zoent ze me. Het duurt minder dan een seconde, maar het lijkt een eeuwigheid. Het is alsof ik met mezelf samenkom. Een stukje van de puzzel is gevonden.

 

Ze laat me los en rent naar water, ergens onderweg laat ze haar handdoek vallen. “Kom!” roept ze me toe. Ik twijfel. Mijn hart bonst in mijn keel, al weet ik niet of het van het geluk is of van de spanning. Ik laat los. Alles. Mijn kleren, mijn gedachten, wie ik was. Mijn voeten maken de stap die nu duidelijker is dan ooit .

 

De ontvoering

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Marcus zit in de trein samen met zijn zus, Loa. Ze zijn op weg naar hun opa en oma, waar ze wel vaker heen gaan in het weekend. Marcus zou liever met de stad met zijn vrienden zijn gegaan, maar hij vindt het zeker geen straf om naar zijn opa en oma te gaan. De reis ernaartoe is simpel, ze moeten slechts één keer overstappen. Daarna worden ze bij het station opgehaald door hun opa en oma. Marcus en Loa zijn nu bijna bij de overstap. Ze lopen alvast naar de deuren. De trein begint te remmen, en staat na een tijdje stil. De deuren gaan open. Ze stappen naar buiten en gaan op weg naar het perron voor hun volgende trein. Het is erg druk op het station, ze kunnen zich nauwelijks voortbewegen. Ze raken elkaar kwijt. Marcus raakt niet in paniek, ze gaan wel vaker naar hun opa en oma en hij weet zeker dat zijn zus weet welk perron het is. Marcus loopt dus alvast naar het perron, en als hij daar aankomt ziet hij zijn zus nog niet. Marcus wacht. Maar na 2 minuten is zijn zus er nog steeds niet. Marcus begint nu behoorlijk ongerust te raken. Na 4 minuten wachten besluit hij op zoek te gaan naar zijn zus, misschien is ze wel meteen naar hem op zoek gegaan toen ze elkaar kwijtraakten. Gelukkig is het nu wat rustiger. Wanneer Marcus aankomt op de plek waar hij zijn zus is kwijtgeraakt, ziet hij haar nog steeds niet. Hij begint rond te kijken, maar kan haar nog steeds niet vinden. Hij begint nu behoorlijk in paniek te raken. Na 10 minuten zoeken heeft hij haar nog steeds niet gevonden. Na 1 uur ook niet. Hij besluit het personeel van het station te raadplegen. Zij besluiten op de camera’s te kijken om te zien waar Loa heen is gegaan. Wanneer ze de beelden bekijken, zien ze dat Loa opeens verkeerd loopt en in een leeg steegje terecht komt. En wanneer ze daar inloopt, zien ze dat Loa opeens door een man wordt weggesleurd! En daarna wordt ze in een busje gestopt! Het personeel belt direct de politie. Zij ondervragen Marcus, maar hij heeft niks nuttig te zeggen. Waarom Loa opeens dat steegje inliep is één groot raadsel. Maar waar ze nu is, is natuurlijk nog belangrijker. Op de camerabeelden kunnen ze zien dat het busje richting het centrum reed. Als de politie aankomt, brengen ze Marcus naar het bureau en daar bekijken ze ook weer camerabeelden. Marcus had nooit gedacht dat er zoveel camera’s overal waren. Daarop zien ze dat het busje een straat in rijd en er niet meer uitkomt, maar helaas hanger er geen camera’s in die straat. Ze rijden er met de politieauto heen. De straat is gelukkig een kleine straat, met slechts 20 huizen. Maar in welk huis zit Loa? Het busje is al weg, het zou natuurlijk erg dom zijn om die voor het huis te laten staan. De politieagenten besluiten aan te bellen bij mensen om te vragen of ze misschien een zwart busje voor een huis hebben zien staan. De eerste 4 huizen hebben geen nuttige informatie, maar de 5e gelukkig wel. De bewoner van het huis meldt dat er een busje bij nummer 7 was geparkeerd. De politieagenten bellen versterking. Wanneer die is aangekomen, vallen ze het huis binnen. Maar Loa is er helemaal niet. Er is helemaal niemand. Er zijn gelukkig wel aanwijzingen. Een van die is een vliegticket naar Tripoli, Libië. En Libië heeft geen uitleveringsverdrag met Nederland. Als Loa daarheen is, dan kan de politie helemaal niks doen. Maar Marcus wel. Na onderzoek door de politie blijkt dat Loa met een vreemde man naar Libië is gereisd. Marcus besluit meteen om er zelf heen te gaan om op zoek te gaan naar zijn zus. Gelukkig heeft hij al lang gespaard voor een nieuwe computer, dus hij heeft genoeg geld voor een vliegticket. Hij gaat snel met de trein naar Schiphol en stapt in het eerste vliegtuig naar Tripoli. Pas wanneer hij daar aankomt, realiseert hij zich iets. Wat moet hij nu doen? Hij besluit het luchthavenpersoneel te vragen of zij zijn zus misschien gezien hebben. Gelukkig kan 1 persoon zich nog zijn zus herinneren, er komen niet veel mensen in Tripoli. Zij blijkt samen met die vreemde man in een taxi te zijn gestapt. Met camerabeelden kunnen ze het nummerbord zien. Na een belletje met het taxibedrijf en een banktransactie blijkt die taxi naar een villa buiten de stad heen te zijn gegaan. Marcus belt een taxi en gaat erheen. Wanneer hij voor het huis staat, weet hij niet zeker wat hij moet doen. Het is al avond, het wordt donker. Hij besluit een open raam te zoeken. Gelukkig is er eentje open, aan de achterkant van het huis. Het huis is helemaal omringd door struiken en bomen, dus hij kan niet gezien worden. Hij besluit het huis binnen te gaan, hij heeft geen idee wat hij anders moet doen. Hij heeft al geprobeerd de politie te waarschuwen, maar die geloofden hem niet. Hij gaat naar binnen, het is donker. Hij is in een badkamer terecht gekomen. Hij opent de deur zo geruisloos mogelijk. Hij ziet een kamer waar licht brandt. HIj pakt een stok en stormt naar binnen. Hij ziet zijn zus. Maar hij ziet ook die vreemde man. Marcus roept: wie ben jij! De man blijft heel rustig. Dan zegt hij 7 woorden die Marcus erg schokken: ik ben de vader van jouw zus. Marcus gelooft dit eerst niet, tot zijn zus het bevestigd. Nu is Marcus vraag: waarom heb je haar ontvoerd? Hij antwoordt: omdat ze mijn dochter is en ik haar nooit mocht zien. Marcus weet niet of dit waar is, maar hij weet zeker dat zijn zus niet graag bij deze man blijft, dat ziet hij aan haar gezicht. Dus hij slaat de man neer en neemt zijn zus mee. Hij heeft wel wat vragen aan zijn moeder…

Bang

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Ik loop door naar mijn kluisje op school terwijl ik met mijn vriendin klets over de ziek lekkere jongens op school. ‘Doei tot morgen!’ Ik zwaai naar haar en draai me dan naar mijn kluisje. Ik open het en dan valt er een gekreukeld briefje uit. Langzaam vouw ik het open en dan worden mijn ogen groot.

Kom vanmiddag naar het verlaten landhuis aan de Eikenlaan. Zorg dat je alleen komt, anders is het snel met je gedaan! Het lot van de wereld ligt in jouw handen! Groeten een onbekende.

Het is in gebrekkig handschrift geschreven. Twijfelend trek ik mijn jas aan. Zou ik het doen? Hoe kan het lot van de wereld nou in mijn handen liggen? Ik ben gewoon een debiele puber die verslaafd is aan YouTube. Toch fiets ik richting de Eikenlaan.

Ik gooi de deur dicht en laat me er tegen aan zakken. Hijgend leg ik m’n hoofd in mijn handen. Was ik maar niet in het verlaten huis gegaan. ‘Waar ben je!’ hoor ik het hard gillen. Ik schrik en duw een aantal stoelen voor de deur. Ik probeer het zo zacht mogelijk te doen maar het gekraak van de oude meubels verraadt me al snel. Langzaam voel ik hoe het winderiger wordt in de oude slaapkamer, een teken dat het dichterbij komt. Ik ren naar de open gezwaaide ramen en duw ze dicht. Toch is het ijzig koud in de kamer. Krassende nagels langs een verrotte houten muur vullen de stilte in de donkere ruimte. ‘Ik weet dat je hier ergens zit!’ Ik schrik en hou mijn adem in. Ik voel hoe honderden ogen me aankijken, terwijl ik langzaam naar de aangrenzende badkamer sluip. Bij elke stap die ik zet kraakt de oude vloer. Ik moet naar m’n laptop zien te komen om dit te stoppen! Ik heb één kans, als het misgaat zal het me pakken. Als ik de badkamer bereikt heb pak ik een scheermesje uit het kapotte bakje. Ik leg mijn hand op de deurklink en haal een keer diep adem voordat ik de lange gang in stap. Op mijn tenen sluip ik richting de trap. Het gekraak van m’n voetstappen galmt door het lege landhuis. Als ik bijna bij de trap ben hoor ik een harde knal gevolgd door dat afgrijselijke gegil. Ik begin te rennen terwijl ik het achter me aan hoor komen. Snel schiet ik een kamer in. Mijn ogen schieten de kamer door terwijl ik een andere uitgang zoek. Ik ren door de deur die uitkomt in de grote woonkamer. Daar! Op die tafel staat m’n laptop. Ik loop ernaar toe en begin met het door snijden van de kabel. Kom op, waarom gaat het zo stroef? Ik voel hoe het killer wordt in de kamer en de deuren zwiepen open. Ik zaag zo hard als ik kan. De wind neemt toe en ik weet dat ik niet lang meer heb voordat het me opslokt. Bang kijk ik achterom en daar staat het. Zijn grote armen komen dichterbij tot vlak voor mijn gezicht. Ik knijp mijn ogen dicht en wacht tot mijn gezicht wordt opgeslokt. Maar het blijft stil. Voorzichtig open ik mijn blauwe ogen. Mijn ogen schieten door de lege ruimte voor me en dan weer richting mijn handen. De kabel hij is kapot! Net op tijd. Opgelucht laat ik me tegen de tafel aanzakken. Een spannend verhaal lezen is leuk maar er in zitten is niet grappig meer!

Overgestapt

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

 

Overgestapt

 

Ik ga journalistiek studeren in Amsterdam. Ik kom een kakker die business management studeert tegen. Hij had eigenlijk filosofie willen doen. Bij wezen van rebelsheid  tegen zijn ouders, maar wel onbewust, wordt hij verliefd op mij. Ik, domme koe die ik ben. Ik word ook verliefd op hem. Ik val op arrogantie. We worden een vast koppel, maar erg experimenteel.

Ik ga stage doen bij een krant en word aangenomen, hij volgt het pad van zijn vader om stinkend rijk te worden. We trekken samen in en genieten nog even van het makkelijke leven. Hij vraagt me ten huwelijk, omdat we zien dat we samen een stabiel leven kunnen opbouwen. Het geld stroomt binnen en we kopen een groot huis, in een kakkersbuurt, vol met allerlei kutkakkers. Dat is verder geen probleem, voor ons beiden niet. Hij is een kakker en ik ben met één getrouwd.

We willen allebei graag kinderen, maar eerst wil ik graag carriére maken bij de krant. Ik raak na een jaar in verwachting, net wanneer ik onderdirecteur ben. Het is een zoontje. Hij heet Mauritz, naar zijn vader.

Ik stort me weer op m’n werk en hij beslist om te verhuizen om me maar een beetje meer thuis te kunnen krijgen. Hij wordt ongelukkig met mij en gaat vreemd met een paar van die secretaresse sletjes. Ik heb het door, maar mijn baan gaat voor alles. Ik raak weer zwanger. Nu een meisje. Ons huwelijk verbetert.

Ik probeer wat werk van mijn handen af te nemen door een personal assistant te employeren.

Onze kinderen worden ouder en ze gaan op hockey en ik doe wat hij denkt dat goed is en luister naar niks meer wat mijn moeder mij ooit heeft geleerd. Onze kinderen zijn vervelende kutkakkers, ze hebben geld en ze zijn mainstream. Ik kan er niks meer aan doen. Onze banen zijn te intensief. De kinderen gaan naar feestje, geven feestjes, zuipfeestjes, hockeyfeestjes. Wat maakt het allemaal ook uit. Ze gaan zijn bedrijf toch in. Ze worden nog ouder en maken met grote moeite hun categorale gymnasium wel af.

Wij gaan vaak een weekendje weg en hij begint steeds klaarder te zijn met zijn werk, trouwens ik ook. Ik ga boeken schrijven en stop bij de krant. Onze kinderen studeren af en nemen zijn bedrijf over. We worden steeds ouder en doen allemaal dingen, om maar iets om handen te hebben.

We krijgen net zulke kleinkinderen als onze eigen kinderen. Hij vertelt me dat hij gewoon precies heeft gedaan wat zijn ouders wilden en dat ik eigenlijk net zo ben geweest als al die kakkersletten, maar ook nog eens slim. Ik zeg dan dat hij een fout was en laf, door precies dit pad genomen te hebben.

Elke avond bezuipen we ons met ongelofelijk dure wijn. Ik trek me terug in mijn eigen studeerkamer en hij in de zijne, met zijn geliefde filosofieboeken. Ondanks deze situatie houden we van elkaar en hebben onafgesproken besloten, samen oud te worden. We verhuizen naar onze villa in Zuid-Frankrijk en onze kinderen vechten voor het huis in Amsterdam. Wij kijken niet meer naar ze om.

We hebben allebei een groot aanzien in Amsterdam en zo nu en dan worden we bezocht en wordt er geacht dat wij wel naar Amsterdam komen.

Op een gegeven moment krijgt hij kanker, altijd hadden we gedacht dat ik de eerste zou zijn door mijn rookverslaving. Hij komt te overlijden. Ik denk al lang niet meer aan mijn kinderen of kleinkinderen en nu ook niet aan andere dingen die misschien ooit belangrijk waren. 

 

Het Plan

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Tik, tak, tik, tak. Het geluid van haar schoenen op het trottoir weergalmen door het steegje. De banden van de grote rugzak om haar schouders beginnen te snijden. Ze zet hem neer en gaat op een bankje zitten. Ze heeft nog genoeg tijd voordat de trein vertrekt: het station is om de hoek en ze heeft nog ruim een uur. Ze sluit haar ogen en haar gedachten dwalen af – als in een ouderwetse film spelen de afgelopen maanden zich voor haar ogen opnieuw af.

Het was net zo’n troosteloze dag als vandaag geweest, wanneer de regen onophoudelijk tegen de ruiten slaat en de tijd lijkt stil te staan. Ze had in het klaslokaal gezeten, aan het houten bureau met krassen, luisterend naar het tikken van de druppels op het dak, toen het begin van het plan zich als een houtworm haar brein was binnengedrongen. Het was bijna kerstvakantie, en de kinderen in de klas zaten zachtjes met elkaar te praten. Na vijf pogingen had ze opgegeven om ze wat bij te brengen en uiteindelijke met grote hanenpoten op het krijtbord gezet: “Doe maar wat. Fijne vakantie!”. Het klonk vrolijk, maar zo voelde ze zich niet. De school, met zijn oude, kleurloze inrichting had een aura van depressiviteit. Het was een leerfabriek: grauw, energieloos., kil.

Toen de bel haar en de kinderen had bevrijd was ze rechtstreeks naar huis gelopen, en ze kon het idee wat in haar hoofd was opgepopt niet van zich afzetten. Terwijl ze steeds verder verwijderd raakte van het kille gebouw, was het plan zich gaan ontwikkelen. Het kreeg staartjes, werd groter, groeide, vermeerderde zich, als een parasiet. Ze had het niet tegengehouden, liet het gebeuren. Haar kleren raakten doorweekt, haar lange blonde haren hingen in slierten om haar gezicht en ze begon te rillen. Haar buitenkant werd grauw en koud, maar binnenin explodeerde ze. Haar mond krulde om in een lach.

Ze stak de sleutel in het slot en deed de deur open. Het was donker in de gang en stonk, naar natte hond en oude etensresten. Ze baande zich een weg tussen de stapels kranten en glas, naar de woonkamer -er was niemand thuis, natuurlijk niet. Ze had geen man of vriend. Wel ooit geprobeerd, maar ze was de ware nog niet tegenkomen.

De rest van de avond had ze, luisterend naar de aanhoudende regen en loeiende wind, nagedacht. Het plan was inmiddels zo groot dat het al haar gedachten had overgenomen. Eigenlijk durfde ze het niet, maar het zou haar beter maken. Bevrijden. Ze zou zichzelf kunnen zijn, of nee, zelfs beter! Ze zou de persoon zijn die ze altijd al had willen zijn.

In de dagen, weken, maanden die volgden had het plan zich nog verder ontwikkeld. Ze dacht er altijd aan. Op school, als ze liep, als ze at. Het plan beheerste haar gedachten, maar kon haar ook beangstigen. Als een grote, verstikkende deken bevloog het haar, gaf haar het gevoel dat ze niet meer kon ademen. Dan begon ze te twijfelen. Moest ze het wel doen? Zou ze het wel kunnen? Dan nam het verstandige stemmetje in haar hoofd het weer over. Ze zou het doen. Het moest.

Ze schrikt op: een traan rolt over haar wang. Uiteindelijk bereikt hij haar kin, blijft even hangen en valt uiteindelijk naar beneden. Ze is nog steeds niet helemaal zeker over wat ze in hemelsnaam dadelijk gaat doen, maar is geen tijd meer om te twijfelen. Ze sluit haar ogen weer.

Nu stond ze in de grote spiegel op de badkamer naar zichzelf te kijken. Een wit, fel tl-licht verbleekt haar huid en twee holle ogen kijken zichzelf verbaasd aan. Op de wastafel onder haar liggen een kappersschaar en pakje zwarte haarverf. Zonder erbij na te denken pakt ze de schaar en knipt. Blonde plukjes dwarrelen als herfstblaadjes in de wind naar beneden, op de grijze tegels. Nog een knip, meer herfstblaadjes. Nog een, nog een. Om haar heen vormt zich een cirkel van blonde haren – ze staan symbool voor hetgene dat ze nu achter zich laat.
Nu de verf. Zonder de uitleg op de verpakking te lezen haalt ze het zakje er uit en smeert de verf met lange halen in haar haar. Na een halfuur spoelt ze het uit, fohnt het en dan tilt ze langzaam haar hoofd op om het resultaat in de spiegel te bekijken. Een andere vrouw kijkt terug. Ze heeft zwarte, korte haren die alle kanten uitstaan. Ze lijkt totaal niet op de vrouw van een uur geleden.

Ze wrijft even door haar korte haren, maar trekt al gauw haar hand terug. Het voelt nog steeds onwennig, alsof het niet bij haar hoort. Haar gedachten gaan terug.

Ze zit aan tafel en denkt aan de afgelopen dag: vandaag was ze voor het laatst op school geweest. Het ontslag nemen was verrassend makkelijk gegaan: de directrice had even vanachter haar grote brillenglazen verbaasd gekeken, maar met de uitleg dat ze “iets voor zichzelf ging doen” was ze al gauw akkoord gegaan en had het document ondertekend. Diezelfde dag was ze ook naar de huisbaas gegaan: ook die had even verrast gekeken, maar had verder geen vragen gesteld en zijn handtekening gezet.

Ze schrikt op uit haar gedachten en kijkt op het horloge dan om haar pols zit. Tijd om te gaan – ze hijst de rugzak om haar schouder, staat op en klopt haar broek af. Met kordate pas zet ze koers naar het station, want daar komt de trein al aan. Met piepende remmen stopt hij aan het perron. De deuren gaan met een zucht en een plof open. Ze stapt in en gaat zitten, ze heeft een zitje voor zichzelf. Aan haar rechterkant zit een man met een gerimpeld gezicht en een hele grote weekendtas. Achter haar zitten twee jongens hard te lachen. Ineens voelt ze de neiging om met ze mee te doen. Dus lacht ze, eerst zacht, maar daarna steeds harder en harder. Het voelt onwennig, maar tegelijkertijd ook verrukkelijk, vreugde vult haar lichaam. Wat ze doet is ongelofelijk krankzinnig, maar ze doet het toch. De trein trekt op, daar gaat ze. Dit is haar nieuwe leven.

American Dream

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Gary Johnson liep ijsberend door zijn kamer. De zaken vielen erg tegen en Gary was vandaag erg humeurig. Vanmorgen had hij tegen zijn secretaresse gesnauwd omdat ze vergeten was om een suikerklontje in zijn koffie te doen. Gary was een gierige man. Het verhaal ging dat Gary dat al twintig jaar in de zelfde kleren rondliep maar of dat waar was, wist niemand. Een feit was in ieder geval dat Gary alleen voor zaken zijn centen uitgaf. Gary was 65 jaar geleden geboren als zoon van een steenrijke vastgoedmagnaat. Niets kwam Gary tekort. Hij had alles wat zijn hartje begeerde maar toch wilde hij steeds meer. Toen Gary 25 jaar oud was, nam hij het zakenimperium van zijn vader over en hij werd erg succesvol. Mede door zijn gierigheid had Gary nooit een vrouw gevonden. Daar leek Gary aanvankelijk niet mee te zitten maar de laatste jaren was hij erg eenzaam al zei hij van niet. Hij zei dat hij genoeg had aan zijn geld en dat dat het veel leuker was dan een vrouw.  Geld zeurde tenminste niet en vertelde je niet wanneer je moest stoppen met werken.

Jack Smith had jarenlang zijn land gediend. Jack had aan zijn diensttijd traumatische ervaringen opgelopen en had voortdurend nachtmerries. Hij had steeds dezelfde droom. Jack was in Afghanistan en samen met zijn maten werd hij op een missie gestuurd. Het doel van deze missie was om een Taliban-strijder uit te schakelen. De Taliban-strijder had zich verborgen in de Afghaanse hoofdstad Kabul. Toen Jack en zijn maten het huis naderde, kwam de man naar buiten. Toen hij de Amerikaanse soldaten zag greep hij zijn geweer en een zo ontstond een vuurgevecht. Uiteindelijk werd de man neergeschoten. De missie leek geslaagd maar vanuit het niets werd het team ingesloten door een woedende menigte. Jack en zijn maten werden beschoten en van dichtbij werd een Afghaanse jongen doodgeschoten. Het was iemand uit de menigte die hem raakte maar de soldaten kregen de schuld. Jack’s  maten werden dodelijk getroffen maar Jack wist te ontkomen. Na de dood van zijn maten was Jack een gebroken man en besloot hij het leger te verlaten. Een paar jaar geleden belandde hij op straat en vanaf dat moment was hij elke dag van zijn leven aan het bedelen. Op straat werd hij vaak uitgescholden en gekleineerd. Ook werd Jack door verschillende voorbijgangers als lui bestempeld. Volgens hen was het zijn eigen schuld dat hij op straat leefde en moest hij maar werk gaan zoeken. Jack schrok wakker. Weer had hij dezelfde nachtmerrie gehad. Zuchtend stond hij op en liep naar een drukkere straat in de stad. In die straat was Jack elke dag aan het bedelen maar veel geld kreeg hij niet bij elkaar.

Al mopperend liep Gary door de drukke straten van New York. Een rijke miljonair wilde geen zaken met hem doen en daar was Gary allesbehalve blij mee. Hij besloot een wandeling te maken om tot rust te komen maar echt tot rust kwam hij tot nu nog niet. Gary liep expres met een grote boog om de bedelaars heen. Ook maar een beetje geld uitgeven, werd hem te gortig. Met grote stappen liep hij door tot hij bankje zag waar hij op besloot te gaan zitten. Hij haalde zijn broodbakje met zijn zuinig besmeerde boterhammen uit zijn tas en begon te kauwen. Ondanks al het geld dat hij had, werd hij maar niet gelukkig. Na een kwartier gezeten te hebben, besloot hij terug zijn huis te lopen.

 

Jack was inmiddels op zijn vertrouwde stekje gaan zitten. Opnieuw zat het Jack niet mee. De meeste mensen deden of ze hem niet zagen en liepen met een grote boog om hem heen. Jack was alles kwijt. Zijn gezin, zijn huis en zijn ouders waren overleden. Het waren niet zijn biologische ouders. Jack was geadopteerd en kende zijn biologische ouders niet. Veel over zijn biologische ouders wist hij niet. Het enige wat hij wist was dat zijn biologische vader en  moeder kort een relatie hadden. Nadat Jack geboren was, had zijn moeder hem te vondeling gelegd en werd hij gevonden door de politie die het jongetje op straat zagen. ‘Misschien moet je eens werk gaan zoeken in plaats van zo zielig te doen’ klonk het. Tot zijn verbazing bleek het een agente te zijn. Plotseling gaf de agente hem een klap waarna ze hem nogmaals beschimpte. ‘Dat zal je leren. Je bent een schande voor je land’ zei de agente tegen de man die 12 jaar lang zijn land had gediend. Vervolgens liep ze weg zonder hem een blik waardig te keuren. Nu kwam er een man aangelopen met popcorn en koffie in zijn hand. Opnieuw vroeg Jack om wat geld. De man keek Jack echter boos aan en gooide zijn popcorn en hete koffie over hem heen.

 

Gary had het van een afstandje zien gebeuren. Iemand gooide hete koffie en popcorn over een bedelaar heen. Zonder zich te bedenken liep hij naar de bedelaar toe en vroeg hoe het met ging en of hij dit elke dag moest meemaken. ‘Ja meneer, elke dag’. Plotseling kreeg Gary de tranen in zijn ogen. Deze man woonde al jaren op straat en het enige waar hij zich druk over maakte was geld. ‘Kom met mee’ zei Gary. ‘Ik regel nieuwe kleren voor je’. Toen het tweetal bij het huis van Gary arriveerde, trok Jack nieuwe kleren aan. Gary beloofde hem een huis en Jack vroeg hoe hij Gary ooit kon bedanken. ‘Niet’ antwoordde Gary. ‘Ik heb al genoeg’. Het tweetal raakten bevriend en terwijl ze aan het eten waren, viel het Jack op hoeveel ze op elkaar leken. Jack vertelde over zijn verleden en uiteindelijk besloten de twee om een DNA-onderzoek te doen. Gary was Jack zijn vader en hij wist niet dat hij een zoon had. Jack leefde niet meer op straat en Gary was niet meer eenzaam en zo leven vader en zoon nu samen in grote weelde.

 

 

Tijd voor de overstap…..?

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Gehaast kwam er een verpleegster binnen. Ze controleerde de medicijnen in het kastje en krabbelde wat in de map. Ze lachte verontschuldigend en stak haar hand naar mij op. ‘Dag meneer Bakker!’ Weg was ze weer. Mistroostig staarde ik uit het raam naar buiten. Hoelang is het geleden dat er iemand met mij een praatje heeft gemaakt. Een maand of twee? Of was het drie? De mevrouw van de overkant was bij hem binnen komen vallen met de mededeling dat ze iemand zocht die af en toe op haar kat kon passen. Een week later was ze plotseling overleden. Overdosis medicijnen ingenomen. Hij had geen familie, geen vrienden, helemaal niks. Zijn vrouw was drie jaar geleden overleden en hun huwelijk was altijd kinderloos gebleven. Ik zuchtte en vroeg me voor de zoveelste keer af, waarvoor ik eigenlijk nog leefde. De eenzaamheid vrat aan me. Ik was er klaar mee. ik stond op en liep naar de kast. Pen en papier waren zo gevonden. Met bevende handen schreef ik boven aan TESTAMENT. Na een uur schrijven was mijn pen leeg, was mijn blad vol en waren mijn tranen op. Ik pakte mijn rollator en zocht mijn weg naar beneden, naar de computerhoek. De computer startte langzaam op. Verveel keek ik om me heen. Een oude vrouw had ruzie met haar zoon. Met verhitte hoofden stonden ze tegenover elkaar. Ik draaide me terug naar de computer. Ik opende Google en zocht op euthanasie. Een waslijst met zoekresultaten kwam tevoorschijn.  Ik schreef wat nummers over van levenseindeklinieken. Terwijl de computer afsloot, liep ik weg terug naar mijn eigen huisje. De vrouw en haar zoon hadden nog steeds ruzie. ‘Bemoeial!’ riep de vrouw gefrustreerd. Mens, wees blij dat je nog iemand hebt die om je geeft, dacht ik geprikkeld. Terug op mijn kamer pakt ik de telefoon. Ik draaide op goed geluk het eerste nummer. Een stem vermelde mij dat er nog twee wachtende voor mij waren. Na even wat geduld werd er eindelijk opgenomen. Ik maakte een afspraak voor over een week. Nadat de verbinding aan de andere kant verbroken was, hing ik de telefoon erop. Het leek alsof ik tien kilo zwaarder was geworden.

Vermoeid stapte ik uit de taxi. Mijn handen knepen in de handvaten van mijn rollator. De chauffeur zwaaide mij vriendelijk gedag. Door de draaideur, de lift in naar de tweede verdieping. Ik opende de voordeur en vond daar een brief met de bevestiging van de datum op de mat. De brief kreeg een plaatsje op de kast. Ik voelde me leeg. Waarom was ik nu niet blij? Blij zijn Govert! Dacht ik, maar het enige dat ik voelde was een beklemmend gevoel om mijn hart. Ik was bang voor wat er komen zou. Moe zakte ik op de stoel in de kamer. Ik was bijna ingedommeld, toen ineens de bel ging. Wie zou dat zijn? Ik opende de deur en keek recht in het sprankelende gezicht van een jonge vrouw. ‘Hallo, meneer Bakker! Mag ik even binnenkomen?’ Beduusd opende ik de deur verder voor haar. Ze hing haar jas op aan de kapstok en kwam toen tegenover me zitten. Ze gaf me een hand en stelde zich voor als Jantine. ‘Ik ben bezig met een project ‘adopteer een opa of oma.’ Wij zijn op zoek naar oude mannen en vrouwen die niemand hebben die hun eens af en toe opzoekt’, begon ze enthousiast. ‘Als het klikt tussen een lid van deze organisatie en die man of vrouw dan kun je die man of vrouw adopteren als opa of oma. Ik denk dat het wel gaat klikken tussen ons.’ Nog voor ik iets kon zeggen, ging ze alweer verder. ‘Ik ben Jantine, ben 25 jaar en ben getrouwd met Freek. We hebben een dochtertje van drie, Tessa. Ik doe hier aan mee, omdat ik hoop een opa of oma te krijgen. Ik heb zelf nooit een opa of oma gekend. En u?’ Verwachtingsvol keek ze me aan. Ik slikte en zei toen: ‘Voor mij heen het geen zin, ik leef niet lang meer.’ Ik zag aan haar gezicht dat ze me niet begreep. ‘Euthanasie’, verduidelijkte ik haar. Een droevige trek ging over haar gezicht. Ze dacht na. ‘Mag ik u dan bijstaan in de laatste fase van uw leven?’ vroeg ze, tot mijn verbazing. Er sprongen tranen in haar ogen. Ik vroeg me af of het slim was wat ik nu deed, maar toch knikte ik van ja. Ik mocht haar wel. Met een blijde glimlach om haar mond gaf ze me een hand. ‘Meneer, ik moet nu Tessa van de crèche af halen, maar mag ik vanavond met haar terugkomen?’ Weer knikte ik. Ze pakte haar jas en weg was ze. Goof! Goof! Waar ben je mee bezig. Je maakt die mensen straks kapot, zei een stem in mijn hoofd.

Verterend keek ik naar het meisje op mijn knie. ‘Huup paard!’ riep Tessa. Ik vroeg haar of ze wel eens een echt paard gezien had. Ze knikte trots. Ik zette haar op de grond en pakte een fotoboek uit de keukenla. Na even zoeken had ik de juiste foto gevonden. Ik liet Tessa de foto zien. Het was een foto waar ik als kleine jongen met een paard op stond. ‘Isse opa?’ vroeg ze en ze wees naar ‘kleine ik.’ Ze gaapte verstolen achter haar hand. Haar moeder zag het toch en keek op de klok. ‘Kom Tes, we moeten gaan.’ Tessa gaf haar moeder een hand, samen liepen ze naar het halletje. Ik keek toe hoe haar moeder, haar in haar jasje hielp. Ik hield de deur voor hen open. Van Tessa belandde er een kusje op mijn neus. Samen liepen ze de gang in. Ik zwaaide naar de figuurtjes. Ik sloot de deur en liep naar de telefoon. Ik draaide het nummer van de kliniek. Er werd opgenomen. Ik dacht aan de mensen, die net mijn leven in waren gekomen en zei toen: ‘Kan ik mijn afspraak nog annuleren?’

slechte overstap ooit

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Je vraagt je zeker af waarom ik dit boek schrijf.
Tja, moeilijk verhaal. Laten we bij het begin beginnen.

Het begon allemaal op een – voor mij althans – gewone schooldag. Niks bijzonders eigenlijk totdat ik het lokaal voor mijn derde uur inliep. Ik viel. Je vraagt je zeker af wat zo bijzonder is aan het feit dat ik viel, iedereen valt wel eens. Wat deze val zo bijzonder maakte is dat ik recht in de armen ban de populairste jongen in de klas viel. Ik als nerd… Oja, ik heb me nog niet voorgesteld. Ik ben Lola bakker. De grootste Marvel nerd in mijn klas. In die tijd had ik lang, krullend, bruin haar met een grote bril waar jampot glazen inzaten – zeer cliché eigenlijk – ik droeg nooit merk kleding maar ik maakte ze zelf. Maar terug naar mijn verhaal. Ik viel dus in de armen van de populairste jongen in de klas – valt niet aan te raden -. Had je zijn gezicht moeten zien. Ik was net de laatste veranderingen aan mijn tekening aan het brengen dus mijn tekenboekje en potlood vlogen recht in zijn gezicht. Dat was het moment dat ik een in de problemen zat. Dikke problemen beter gezegd. Er klonken schreeuwen in de klas en op dat moment rende ik voor mijn leven, want je wilt geen 4 schreeuwende jongens op je af hebben rennen. Ik rende zo snel mogelijk naar de meiden toiletten toe en sloot me daar op totdat ik dacht dat de kust veilig was. Toen ik de toiletten uitliep zag ik daar de vriendin van die jongen haar handen wassen. Haar naam was Catalina Alanour. Hoe ze aan die naam komt moet je mij niet vragen. Ik liep net zo snel de toiletten uit als toen ik erin liep en hoorde achter me Catalina mijn naam schreeuwen. “Looooolllllaaaaa!” ik draaide me om, wachtend op wat ze zou doen – leuk feitje, ze is mijn vijand sinds de kleuterschool – “Je weet toch dat die kleuren in jouw kleren niet samengaan met wat ik nu draag.” zei Catalina op de meest bitchy manier. “Ik probeer eraan te denken als ik de volgende keer naar mijn kleding kijk.” zei ik op een heel sarcastische toon terug. Ik liep de toiletten uit en merkte dat ik daar al een dik half uur had gezeten. Ik liep snel een briefje halen bik de receptie om gezeur van de leraar te besparen en liep de les in alsof niks gebeurd was.
De volgende mooie ochtend werd ik wakker met eyeliner overal op mijn gezicht. Bleek mijn zusje weer eens mijn eyeliner gevonden te hebben. Als ze aan mijn spullen komt is de kans 99% dat het op mijn gezicht komt, boeit niet wat het is. Op dat dacht ik ergens aan. Niks bijzonders, gewoon een gedachte. “Hoezo heb ik watervaste eyeliner!” ik schreeuwde dat uit voordat ik er erg in had en hoorde mijn zusje op de achtergrond. Ik zocht naar mijn make-up doekjes en vroeg me af hoezo dat ik überhaupt make-up heb, ik gebruik het nooit. Ik vond de doekjes na een half uur zoeken en veegde de make-up van mijn gezicht af. ik stormde de trap af. ‘looooolaaaaaaaaaa, heb je alles voor school bij elkaar.’ Ik hoorde mijn moeder schreeuwen en keek op de klok. Ik schreeuwde. Het was al negen uur en ik moet om kwart op negen op school zijn. Ik pakte mijn tas, rende naar mijn fiets, sprong op mijn fiets en fietste weg.
Toen ik op school kwam, hoorde ik overal dingen over het nieuwe school systeem. Ik zag wat posters hangen en ging er eentje bekijken. “de overstap, begin aan een nieuwe carrière met je school!” ik zuchtte en liep naar mijn eerste les van die dag. De feit dat we van systeem waren overgestapt, in het midden van de week, viel te merken. De veranderingen leken een beetje op wat je zou tegenkomen in een actiefilm. Ik zag die populaire jongen tegen de muur aanleunen, met een paar van zijn vrienden bij hem. Hij zwaaide naar me. Ik zuchtte en toonde geen interesse. Nadat de bel ging, liep iedereen het lokaal in en er kwam een onbekende leraar naar binnen gelopen – zeg me niet dat we ook waren overgestapt van leraren – de les begon en de verveling net zo snel. We kregen uitleg over het nieuwe systeem en hoeveel het beter was. Toen veranderde de leraar ineens in een Alien en ik zuchtte terwijl ik mijn lazer geweer pakte en die Alien neerschoot. – ook vergeten te vertellen, ben geheim agent – ik stopte mijn geweer in mijn tas en liep weg. Slechtste overstap van schoolsysteem ooit.

Blindgestaard in de duisternis

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Als me naar mijn lievelingskleur werd gevraagd, zei ik altijd dat ik het niet wist. In tegenstelling tot de meeste vijfjarigen kon ik niet kiezen. Alle kleuren van de regenboog spraken me aan, maar allemaal net niet genoeg om te worden uitgeroepen tot mijn favoriet. Omdat alle kleuren een positieve, maar ook een negatieve associatie hadden, noemde ik ze altijd of allemaal, of ik noemde er geen.

Dat zijn nou eenmaal dingen waar je je als je vijf bent mee bezighoudt. Een lievelingsdier had ik overigens wel: een duizendpoot. Ik werd blij van de veelzijdigheid en tegelijkertijd de verwarring die zo’n beestje oproept. Er is zo veel om naar te kijken, dat je het overzicht kwijtraakt.

Inmiddels ben ik tien jaar, acht maanden, veertien dagen en drie uur ouder en ben ik erover uit. Juist in de periode waarin ik me niet meer met die voorheen o zo cruciale vraag bezighield – vriendenboekjes die naar je favoriete kleur vragen hoefde ik toch niet meer in te vullen – vond ik het antwoord. Ik wist het niet; niet omdat ik niet kon kiezen, maar omdat alle kleuren overschaduwd leken.

Het besef kwam plots, op een dag als alle anderen. Ik zat in de trein, in het midden van de wagon, bij zo’n vierpersoons plek met een tafeltje. Ik werd niet heen en weer geslingerd, maar ik zat stil. Niet in een hoekje verstopt, maar gewoon in het zicht, daar op die bank met mijn tas naast me – ik zat immers alleen. Ik kon me inhouden en strekte mijn benen niet uit op de bank voor me. Nu leek het tenminste nog alsof ik open stond voor nieuwe dingen en nieuwe mensen. Tegelijkertijd keek ik weg, uit het raam. Starend in de verte. Oneindig ver, naar een punt dat ik nooit zou bereiken.

Ik keek zo geconcentreerd naar dat ene punt, dat ik vergat om me heen te kijken. Ik verwonderde me niet meer zoals je je als klein kind verwondert als je voor het eerst met de trein reist. Dan is alles nieuw en gaat er een wereld voor je open. Zolang je mama’s hand maar stevig vasthield, kon er niks gebeuren. Het leven was een avontuur, altijd feest. Toen ik vijf was, keek ik overal naar, ongegeneerd nieuwsgierig, en stelde vragen bij alles wat ik zag. In plaats daarvan zag ik mijn omgeving nu langzaam uit een ooghoek verdwijnen.

De stukjes van de puzzel die ik op moest lossen zweefden al de hele tijd voor me; ik had ze moeten zien, maar ik wilde er blijkbaar niet naar kijken. Als ik ze wel zou durven aangrijpen, had ik ze al lang goed bekeken en had ik ze als geheel in elkaar gepast en was het me jaren geleden al gelukt. Nu heb ik me er blind op gestaard, soms met mijn ogen dicht, want dat maakte toch niet uit.

Ik staarde zo lang dat alles om me heen vervaagde, alles werd weggezogen. Zelfs dat ene punt zelf was er op een gegeven moment niet meer. En toen wist ik het. Zwart. Pikdonker, zo donker dat ik niks meer kon waarnemen. Er was niks meer, ook geen overzicht meer om kwijt te raken. Maar waar ik daar vroeger bij een duizendpoot blij van werd, was ik nu weggevallen in een diep, zwart gat.

Zwart is geen kleur zoals andere kleuren; zwart is het gebrek aan licht. Daarom kon ik op mijn vijfde niet benoemen wat er aan de hand was met al die kleuren en kon ik niet aangeven waarom er niet een kleur als favoriet uitsprong. Zwart zat me dwars, ook toen al.

Nu ben ik tien jaar, acht maanden, veertien dagen, drie uur en achttien minuten verder en we naderen de volgende halte. Mensen staan op. Alleen de dapperen durven een andere weg in te slaan of hun eigen weg te creëren. In de trein van het leven rijd je namelijk, als je niet oppast, rechtstreeks naar het eindstation. Misschien maak je wel eens een uitstapje, maar de meeste mensen keren altijd terug naar het hoofdnet. En daar blijven ze ook, tot hun tijd voorbij is.

De meeste mensen hebben liever geen onbekende overstap op weg naar hun eigen eindpunt. Mijn oma niet omdat ze niet meer zo goed ter been is, mijn moeder niet omdat ze dan ongestoord verder kan lezen. En ik niet, omdat ik de onzekerheid niet aandurf… of beter: niet aandurfde.

Ik zit in de trein van het leven met een vastgelopen dienstregeling en besluit op dat moment over te stappen. Over te stappen, op naar een nieuw begin. Ik heb niet opgezocht welke volgende trein ik ga nemen; ik trek mijn eigen pad en stap uit de trein waarin ik zo toevallig vijftien jaar, acht maanden, veertien dagen, drie uur en twintig minuten geleden ben beland en nu ben gestrand.

De trein rijdt het station binnen. Mensen staan klaar om de sleur van het leven te ontvluchten. Het leven had mij inmiddels met rust gelaten, had me laten zitten – nee, ík was gewoon blijven zitten. Nu til ik eindelijk de zwarte deken op om eronder vandaan te kruipen.

Als de deuren open gaan, storm ik als eerste de trein uit. Nu is het aan mij om mijn ogen te openen. Om het licht waar te nemen opdat de kleuren weer verschijnen. Om het zwart uit mijn leven weg te jagen. Om terug te gaan naar mijzelf als vijfjarige, toen ik me nog verwonderde over de wereld en toen ik alle kleuren even mooi vond. Want ik hoef helemaal niet te kiezen.

Bevrijding

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

De letters op de gelige pagina’s van mijn boek beginnen door elkaar te lopen. Langzaam vormen ze een mengeling van woorden, letters. Ik glimlach alleen maar en leg het boek voor me neer terwijl ik er naar blijf staren. Hoe vaak zou ik dit nu al gedaan hebben? Heel vaak, echt heel vaak. Dit alles is ondertussen niets meer dan een koud kunstje. Ik sluit mijn ogen. Langzaam voel ik mezelf weggaan van deze wereld. Deze ellendige wereld met zijn ellendige realiteit.

Nog voor ik mijn ogen open, ruik ik de geur van gemaaid gras en ik voel warme zonnestralen op mijn gezicht. Het is simpelweg heerlijk. Langzaam open ik mijn ogen, al knipperend tegen het felle zonlicht. In de verte staat het kleine huisje waar het hoofdpersonage zou moeten wonen met haar ouders. Omdat ik het boek niet uit heb gelezen, weet ik nog niet wat er te gebeuren staat. Op dit moment gebeurt er in ieder geval maar weinig.

Ik kom langzaam in beweging. De mintgroene jurk wappert in het zomerse windje. De grassprietjes kietelen mijn blote voeten. Ik moet echt vaker naar dit verhaal gaan. Terwijl ik mezelf onzichtbaar maak, loop ik naar het huisje. Zo ben ik alleen zichtbaar voor andere boekreizigers en verander ik de verhaallijn niet.

Het valt me op dat er nog steeds niks gebeurt. Ik ben hier nu al zeker een paar minuten en nog steeds is het hier doodstil. De auteur heeft duidelijk geen tijd besteed aan het beschrijven van de geluiden. Ik zou bijvoorbeeld schrijven over de vredige vogels op de achtergrond. Maar dat terzijde, het is hier doodstil.

Ik schrik dan ook vreselijk zodra de houten deur vreselijk kraakt. Blijkbaar vond de schrijver dat wel een belangrijk geluid. Aangezien het heel raar moet zijn om de deur open te horen gaan en dan niemand te zien, hoop ik maar dat het huis leeg is. Het lijkt er in ieder geval wel op, dus ik loop naar binnen. De deur laat ik voor het gemak maar gewoon open.

Het huisje is van binnen minstens net zo schattig als van buiten. En het ruikt echt heerlijk. De gedachte dat ik nooit meer weg wil uit dit boek flitst door mijn hoofd. Helaas weet ik niet wat er gebeurt als ik te lang hier blijf, dus ik schud de gedachte weg.

Rustig ga ik op verkenning door
het huis. Het lijkt er nog steeds op dat er niemand is en daarbij kunnen ze me toch niet zien.

Ik kijk mijn ogen uit terwijl ik de trap op loop. Hij kraakt akelig. Gelukkig heb ik het begin van het boek wel gelezen, dus ik weet wel ongeveer waar alles is. Het blijft apart om het dan ineens in het echt te zien, ook al heb ik het al zo vaak meegemaakt. Ik loop naar de slaapkamer van de hoofdpersoon, die kamer zou heel schattig zijn.

Dan lijkt de wereld ineens compleet stil te staan.

Daar ligt ze, het hoofdpersonage. Ze ligt op de grond van haar kamer. Ze ligt midden in een grote plas bloed. Het lijkt alsof ik vastgenageld aan de grond sta. Ik heb geen idee wat ik moet doen. Dan hoor ik een klik achter me.

‘Beweeg, en je bent dood.’ zegt een zware stem. Ik hou mijn adem in. ‘Wie ben je en wat doe je hier?’
Dan besef ik het ineens. ‘Hoe kan jij me zien?’ Ik draai me met een ruk om.

Opnieuw leven

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Voor de laatste keer keek Nora naar haar huis. Het huis waar ze zo gelukkig was opgegroeid. Maar nu zal ze er nooit meer terugkomen.
Na het overlijden van haar moeder kon ze er niet blijven.
Alles herinnerde haar aan haar moeder.
Daarom stond ze nu voor de deur, met twee grote reistassen. Terwijl ze haar tranen zo goed mogelijk probeerde terug te dringen, draaide ze zich voor de laatste keer om. Haar hart brak in duizend stukjes toen ze de straat uit liep.
Tegen de tijd dat ze op het treinstation aankwam, begon het al te schemeren. Ze was vreselijk moe. Zonder te kijken naar de bestemming, stapte ze in de eerste trein die ze zag. Zoiets had ze nog nooit gedaan
en al helemaal niet zonder een treinkaartje. Maar nu maakte het niet uit.

Langzaam begon de trein te rijden. Nora was op een stoel geploft met haar tassen voor zich en
viel langzaam in slaap. Het was een lange en emotionele dag geweest.

Nora wist niet precies hoe laat het was toen ze wakker werd. De deur van de coupé ging open en ze wist het meteen: de conducteur. Ondanks dat ze bewust had gekozen voor het zwartrijden, werd ze angstig. Ze trok wit weg en kreeg meteen spijt van haar beslissing. Ineens kwam er een jongen naar haar toe lopen. Hij keek Nora even strak aan en pakte toen een van haar tassen.
‘Volg me en doe alsof we bij elkaar horen,’ zei hij streng. Toen de jongen weg liep, pakte ze snel haar andere tas om achter hem aan te gaan.
‘Ben je gek of zo?’ fluisterde ze kwaad. Hij stopte bij de uitgang van de trein.
‘Je mag me eigenlijk wel bedanken,’ antwoordde hij nonchalant.
‘Bedanken? Voor wat?’ Ze werd langzaam woedend.
‘Bedanken dat ik je gered heb daar. Het was duidelijk dat je geen kaartje hebt en nu heb je die niet meer nodig.’ Nora was compleet in de war en wist zich geen houding meer te geven.
‘Kom je uit de buurt?’ vroeg hij toen hij merkte dat ze niet zou reageren.
‘J-ja,’ stotterde ze.

‘Waar moet je er dan uit?’ Ze opende haar mond, maar toen kwam de conducteur weer binnen.
Hij glimlachte en knikte even vriendelijk en liep toen tot haar grote verbazing door.
‘En zo reis je zonder te betalen,’ zei de jongen met een knipoog. De trein begon steeds langzamer te rijden. ‘Ik moet er hier uit, maar je kan nu gewoon doorreizen.’
‘Ik moet er ook uit hier hoor,’ zei ze snel.
‘Dat is mooi, dan gaan we samen.’ De trein stopte en hij stapte uit met haar tas in zijn hand. Ze kon niet anders dan hem vertrouwen en volgen.
Dit was de overstap naar de rest van haar leven.

 

Ongewenst verkeerde overstap

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

“Willen de passagiers van Boeing 777 instappen. Ik herhaal, willen de passagiers van Boeing 777 instappen.” ‘Kom jongens daar gaan we, instappen!’ Samen met papa en zijn tweelingbroer stapt Noah in het vliegtuig richting Caïro, Egypte. Onderweg moeten ze nog 1 keer overstappen, best, zolang papa erbij is. Die moest voor zijn werk naar Egypte. Daar zullen ze dan een jaar of langer blijven. Mams maakt eerst haar werk in Nederland af en komt dan richting Egypte.

‘Oké jongens, maak je klaar voor de overstap op Boeing 707!’ Roept Alexander, als het vliegtuig de daling inzet. Samen stappen ze het vliegtuig uit. Maar wat is het druk! En waar is papa? ‘O daar’ roept Luke. Samen hollen ze naar papa toe. Papa stapt het vliegtuig al binnen.  ‘Nog even’ roep Noah, ‘dan zijn we er!’ Maar … ‘AAAAAAAA’ gilt Luke. ‘Wie is dat?’ ‘Houd je mond, door lopen!’ gromt een onbekende. Luke voelt  dat ze een vliegtuig binnen worden geduwd. ‘Waar gaan we heen? Papa!! Wij moeten naar Egypte! Niet hierheen!?’ ‘Maak je niet druk!’ bromt de man. ‘Jullie vader moet er zeker niet heen! Opdracht van de baas.’ ‘Dus nemen we jullie mee, komt die vader van jullie vanzelf ook.. ‘Dat is niet eerli….’. Verder komt Luke niet, met een prop in z’n mond gestopt en voor Noah kan protesteren gebeurt het hem ook. Hun handen worden geboeid..

‘Noah!, Luke!’ waar zijn jullie? Alexander zoekt en roept.. Mensen worden onrustig van hem. Maar een ander zegt: ‘Hij is zijn twee jongens kwijt, en het vliegtuig vertrekt zo’,  Oeps…

Achter in het ruim, kijkt Luke Noah aan. Hoe kan Noah hier nou zo rustig zitten, terwijl ze in net ontvoerd zijn? Dan hoort Luke hun vader roepen. Luke’s ogen zoeken die van Noah. Noah schijnt het ook gehoord te hebben, en knikt geruststellend. Ze denken nog in ‘t zelfde vliegtuig te zitten…

Al 13 jaar is Luke de avonturier en Noah de wijze man van hun samen. Maar dit avontuur heeft Luke niet uitgezocht en Noah niet voorzien.. hoe t verder gaat??

Geronk klinkt onder Alexanders voeten, hij raakt nu echt in paniek.. Nynke vilt hem levend als hij de boys niet vindt..  Hij worstelt zich een weg naar de uitgang, maar is net te laat, de deuren sluiten.. Dan gaat hij zo snel mogelijk een foto van z’n jongens aan de stewardess laten zien, helaas.. ze weet van niets.. dan maar aan iedereen… maar niemand kan hem helpen.

Ondertussen wachten Noah en Luke gespannen af: Wat gaat er gebeuren? Waar gaan ze heen? Komen ze nog op de plaats van bestemming? Waarom is het zo stil buiten? Ze zitten in een ongemakkelijke houding wat maakt,  dat het lastig is om ook maar iets te doen. Zelfs om hulp schreeuwen lukt niet. Zelfs Noah is nu hopeloos, dit probleem kan hij niet tackelen,  en Luke weet dat ook.  Uren gaan voorbij, zonder tekenen van verlossing..  Als het vliegtuig eenmaal geland is, horen ze voetstappen, zouden ze…. ??? , maar helaas… het is 1 van de ontvoerders… hij dumpt ze in t toilet, nou ja zeg, waar is dat goed voor? , maar die verdwijnt al snel om niet door de medewerkers gezien te worden. Bagage wordt uitgeladen en daarna als t inmiddels al donker buiten is, worden ze weer tevoorschijn gehaald.  Luke had op goed geluk, met zijn riem  in  een koffer, ‘HELP’ gekerfd. Of dat zin zal hebben? Wie zal t zeggen.. Middernacht.. en niemand die hen ziet..

Alexander is echt de wanhoop nabij, hij heeft al zoveel geprobeerd om te achterhalen waar zijn 2 zonen zijn,  die dag gaat het niet meer lukken. Uiteindelijk heeft hij de moed bij elkaar geraapt om Nynke te bellen.. Dat had hij natuurlijk veel eerder moeten doen, maar ja hij wilde geen onrust zaaien..

Thuis zit Nynke gespannen te wachten bij de telefoon. De jongste twee liggen op bed, die had ze niet mee durven geven aan Alexander, ze zou ze zelf meenemen, zo was t ook goed verdeeld… Terwijl ze zat te wachten, dacht ze aan haar eigen rit naar Caïro. De meeste bagage was al weg, en zij zou de laatste dingen, inclusief de twee meisjes Sara & Rodé meenemen. De meisjes waren nog maar 5, hoe zouden zij die grote reis gaan maken? Ze wist zelf nog niet hoe ze dat moest gaan doen met hen, maar vertrouwde erop dat het goed zou komen. Om 00:03 ging toch eindelijk het lang verwachte telefoontje. Een tikkeltje gespannen nam ze op… ‘Hoi met Alexander’ wat klonk die vertrouwde stem toch raar!  ‘Onze twee jongens zijn verdwenen.’ De telefoon viel uit haar handen, minuten gingen voorbij, tot Nynke de telefoon met trillende handen weer oppakt.  ‘Wat is er gebeurt?’ nu klonk haar stem raar. Alexander zei ‘Ik weet het niet, we moesten overstappen, en bij het instappen in t volgende vliegtuig waren ze verdwenen.’ ‘Ik heb het vliegveld gebeld, alles al gedaan, maar niemand weet waar ze zijn.’ ‘Nynke?’ ‘Ja?’ Ik weet echt niet meer wat ik moet doen!!

Nynke en Alexander hadden lang moeten wachten op hun jongens, Noah en Luke. Wat waren ze blij geweest! En nu, nu zijn ze weg!  Maar waarheen? Waarom?

Hadden ze nu maar gewacht op een vliegtuig dat rechtstreeks ging, waarbij ze geen overstap hoefde te maken? Met al de vragen in haar hoofd, valt Nynke na uren toch eindelijk in slaap…

Eenzaam en verlaten

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Hele wereld lag onder de sneeuw te slapen. Reusachtige treurwilgen bogen zich onder het ballast van sneeuw boven Jessica’s hoofd. Het meid liep langzaam in het maanlicht met haar hoofd verborgen tussen haar schouders. Rode haarlock viel op Jessica’s wang toen zij zich boven de graf boog. Haar eens lustige ogen raakten nu hun glans kwijt. Maar hoe zou zij nou blij kunnen zijn? Haar hele wereld stoortte in toen haar beste en tegelijkertijd enige vrienden stierven in een vliegramp. Dat was een nachtmerrie. Jessica voelde hoe tranen in haar ogen opwelden. Zij haalde diep adem en hief haar hoofd. Tientallen sneeuwvlokken voelden als kleine kusjes op haar huid. Zij bleef met haar gedachten bij haar vrienden. Het meid moest glimlachen toen zij zich herinnerde hoe zij zich ontmoetten. Jessica kon daar echter niet te lang over nadenken. Het was te pijnlijk. Hun blikken in haar geheugen veroorzaakten alleen meer pijn. Jessica gooide zich op haar knieën en nam het grafsteen in haar armen. “Het spijt me” zei ze heel zacht met een trillende van het kou stem. De tranen stroomden als een klein riviertje op haar wang. “Het spijt me,” herhalde Jessica, “dat is mijn schuld.” Jessica beschuldigde zich voor hun dood. Derek, Aaron en Emily waren op weg naar haar, toen hun vliegtuig door een sneeuwstorm spoorloos in de donkere oceaan verdween. Vanaf dat moment voelde Jessica alleen leegte en eenzaamheid, waar ze ook was en wat ze ook deed.

-“Het verlies doet pijn, toch?”zei een schorre stem achter Jessica.

Zij schrok ervan. Toen het meisje achter zich keek, zag ze een lange man zo mager als een lat. De man leunde op een wandelstok en toch kromde zich verschrikkelijk.

-“Wie bent U? Ik geloof niet dat wij elkaar ooit hebben ontmoet, toch?”vroeg Jessica zich af van de grond heffend.

-“Jij hebt gelijk. Wij hebben ons nog nooit ontmoet, maar ik heb echter jouw vrienden leren kennen. Zij waren heel braaf. Zelfs toen hun tijd kwam.”zei de man en liep langzaam naar de graf toe. Jessica deed een paar stappen naar achter en bleef de man sterk aaankijken.

-“Hoe weet U dat?!”riep Jessica huilend “Wie bent U?!”

-“Iemand die iedereen aan het einde ontmoet.”

-“Dood. U bent de Dood.” fluisterde meisje zacht alsof ze bang was voor haar eigen woorden.

De man knikte alleen met zijn hoofd. Voor een moment was het helemaal stil. Daarna draaide de Dood zich om en ging naar het bankje onder een van de treurwilgen zitten.

-“Ik kwam naar jou met een aanbod. Ik weet dat jij je hier niet meer thuis voelt. Het ligt niet aan dit land maar aan jou vrienden. Ik kan je helpen. Ik kan je naar hen toe brengen. Naar de plek waar ze allemaal op jou wachten. Naar de plaats waar je nooit meer pijn zult voelen. Zou je dat willen? vroeg de man onheilspellend glimlachend.

Jessica deed enkele stapjes richting de man en stopte. Zij voelde hoe haar lichaam trilde. Echter was zij niet bang. Niet na wat de man zei.

-“Maar mijn vrienden zijn dood en ik leef nog steeds. Waarom zou ik dood willen gaan?” vroeg Jessica.

De man stond op, ging naar Jessica toe en fluisterde in haar oor: “Omdat je geen enkele reden hebt om te leven.” Nadat hij deze woorden uitgesproken had, deed hij enkele stappen naar achter, draaide zich om en ging weg. Voordat hij helemaal verdwenen was zei hij nog iets. “Ik wacht op jouw antwoord tot volgende middernacht. Jij zult mij hier vinden, en nog maar één verzoek. Kom niet te laat. Ik heb een hekel aan telaatkomers.”

Jessica stond nog een paar minuten stomverbaasd. Zij kon haar eigen ogen niet geloven. De woorden van de Dood klonken nog steeds als de bel van de kerk in haar hoofd. Maar dat verbaasde haar niet. Jessica dacht daar nog vroeger over na maar kon zulke gedachten niet accepteren. De hele weg naar huis dacht ze over de aanbod van de Dood. “Dat is geen slecht ding, toch? Het is alleen maar een overstap. Iedereen moet toch ooit een overstap in zijn leven maken. En nu is mijn tijd.” Herhalde Jessica tegen zichzelf alsof ze zichzelf probeerde te kalmeren. Eenmaal thuis gekomen ging ze meteen naar haar kamer. Het meid kon niet in slaap vallen. Zij bleef hele nacht voor het raam zitten met een kopje thee. “Een overstap.” Herhalde Jessica. “Maar heb ik dan geen andere mogelijkheid?” Dat gedachte bleef in haar hoofd. Het meisje bleef hele dag op haar kamer zitten. Zij wandelde alleen van de ene hoek naar de andere, steeds denkend aan de gebeurtenisen van de laatste nacht. In eerste instantie wilde zij zich voorbereiden op de overstap, maar hoe meer ze daar over dacht, hoe meer bedenkingen zij had. Het was bijna tijd en Jessica moest vertrekken. Zij had nog geen idee wat zij tegen de Dood gaat zeggen. Zij had geen haast. Jessica was ervan bewust dat dit haar laatste avond op dit wereld kon  zijn. Toen zij al op het kerkhof was gekomen, was de Dood nergens te zien. Het meid nam de plaats op het bankje en wachtte tot de klokken van de kerk het middernacht aanwezen.

-“Ik wacht op jouw antwoord.”zei de man achter haar rug.

Jessica stond langzaam op en draaide zich om. Zij wist niet wat ze op dat moment moest zeggen, maar toen zij in de ogen van de Dood keek, kwam het antwoord zelf naar haar toe.

-“Ik moet jouw aanbod afwijzen. Het is waar dat ik een overstap moet maken, maar dat hoeft niet perse een overstap naar een andere wereld te zijn. Ik heb besloten om een mentale overstap te maken. Het is tijd om eindelijk volwassen te worden en zich bij hun dood neerleggen.” zei Jessica en ging weg. Toen zij zich voor de laatste keer omdraaide, zag ze de man niet meer. De Dood verdween in de duisternis samen met het heimelijk gehuil van de doden.

De overstap

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Als mensen aan ‘de overstap’ denken, denken ze aan de stap die tieners maken wanneer ze volwassen worden, of als kinderen van de lagere school naar de middelbare school gaan, of misschien denken ze wel aan dat ene boek van Anthony Horowitz. Ik daarentegen denk aan die ene winter in 2015 waarin ik zestien werd. Mijn overstap is niet het extra zakgeld dat iemand krijgt als je ouders denken dat je verantwoordelijk genoeg bent om daar mee om te gaan. Nee, mijn overstap is letterlijk een stap. Je weet wel, wanneer je je ene voet opheft en voor de andere zet, en dan de andere voet bijtrekt. Want op 12 januari 2015 zette ik een stap die mijn leven voorgoed zou veranderen.

Op 12 januari 2015 werd ik vroeg in de ochtend wakker. Het was een spannende dag, want ik ging samen met mijn ouders en mijn kleinere broertje verhuizen. Een week daarvoor was ik geworden en toen had ik het nieuws gehoord. Sindsdien had ik al de hele week naar de 12de januari uitgekeken. Eindelijk een nieuwe start. Sinds mijn zusje gestorven was aan leukemie waren de woorden nieuwe start nog niet echt aan de orde gekomen. Toen ik die dag wakker werd was ik dus in een redelijk vrolijke bui. Ik neuriede zachtjes ‘50 ways to leave your lover’ van Paul Simon terwijl ik de gordijnen opentrok en tot mijn grote vreugde zag dat het die nacht flink gesneeuwd had. Deze dag kon niet meer stuk dacht ik. Je zult wel al geraden hebben dat ik dat verkeerd gedacht had.

Enkele uren later zaten we allemaal in de auto, en we zagen het huis waar we de komende jaren in zouden wonen in de verte verschijnen. Het was tamelijk groot, met twee verdiepingen, en het was wat overwoekerd met klimop. Ik vond dat dat er best wel cool en spookachtig uitzag. De auto stond nog niet volledig stil toen ik mijn gordel losmaakte en uit de auto sprong.. Achter mij hoorde ik de rest van mijn gezin de autodeuren dichtslaan.

‘Lara’, riep mijn vader, en hij gooide de sleutel naar me toe, die ik handig opving. Ik stak de sleutel in het slot en hoorde de klik voordat de deur krakend openging. En toen zette ik die stap.

Toen ik die stap zette, voelde ik al dat er iets gebeurd was. Er ging een vreemd soort energie door mijn lichaam heen, alsof er een zachte stroomstoot van het puntje van mijn neus tot in het uiterste van mijn tenen ging. Binnen zag het huis er ook veel meer vervallen uit dan vanbuiten. Mijn broertje, hij was vijftien, volgde na mij, en ik zag aan zijn blik dat hij diezelfde energie ook had gevoeld. Maar het vreemde moet nog komen. Leo trok zijn wenkbrauwen naar me op en leek iets te willen zeggen, maar toen haalde hij zijn schouders op. Hij draaide zich om te kijken waar onze ouders bleven en de frons boven zijn ogen werd wel heel diep. Ik volgde zijn blik en zag iets wat onmogelijk was. Mijn ouders stonden doodstil en de sneeuwvlokjes die daarnet nog naar beneden dwarrelden hingen nu doodstil in de lucht. Mijn broer knipperde met zijn ogen en kneep zichzelf eens in zijn arm. Maar dat leverde niets op.

‘Wat gebeurt er?’ fluisterde hij.

‘Geen idee’, antwoordde ik verward. Ik liep naar de nog openstaande deur en wilde naar buiten lopen, maar het was alsof er een onzichtbare muur stond.

‘Oké, dit is redelijk eng’, zei Leo.

‘Oké, kalm blijven, doorzoek het huis en kijk of je iets vindt’, zei ik, meer tegen mezelf dan tegen Leo. Leo knikte en probeerde zich duidelijk zelf ook te kalmeren. Ik deed het gelijkvloers en hij deed de eerste verdieping. Na een halfuur zoeken was het duidelijk dat op het gelijkvloers niet meer dan stof en spinnenwebben lagen. Er lagen in de boekenkast ook een paar boeken over de duivel en demonen en die dingen, maar ik had niet het gevoel dat dat ons zou helpen. Ik was net van plan het op te geven toen ik achter een van deze boeken het hoekje van een goudgele kaft zag. Op exact hetzelfde moment dat ik het uit de kast trok hoorde ik mijn broertje schreeuwen.

 

Met het boek nog in mijn hand rende ik de trap op. Ik zag tot mijn grote schrik mijn broertje tegen de muur gedrukt worden door een onzichtbare kracht. Hij zag eruit alsof hij gewurgd werd. In zijn ene hand had hij een verfrommeld papiertje, waarop ik het getal 512 las. Hij bracht met moeite de woorden ‘pagina 512’ uitbrengen. Het duurde even voor ik doorhad wat hij bedoelde. En toen drong het tot me door. Ik zocht naar pagina 512 maar net toen ik het had, werd ook ik door een onzichtbare kracht tegen de tegenoverliggende muur gedrukt. Met enorm veel wilskracht zorgde ik ervoor dat het boek niet uit mijn handen viel. Ik las de woorden van uit mijn tranende ooghoeken. Het was een of andere Latijnse spreuk, en hoewel het belachelijk leek om ze luidop uit te spreken, leek het nog belachelijker om het niet te doen. Dus las ik wat er stond met de weinige adem die ik had. Onmiddellijk liet de onzichtbare kracht ons los en hoorde ik beneden mijn vaders stem roepen: ‘Waar zijn jullie gebleven?’ Leo en ik keken elkaar hijgend en met grote ogen aan.

Ik weet wat jullie allemaal denken: ja ja, mooi verhaal maar er is geen woord van waar. Maar mijn broer en ik weten allebei dat het echt waar is. Blijkbaar rustte er een oude vloek op dat huis en hebben wij hem verbroken. Dit allemaal duurde misschien niet lang, maar het heeft wel heel veel effect op me gehad. Sindsdien leef ik elke seconde alsof het mijn laatste is. Die stap was misschien heel klein, maar hij had grote gevolgen. Ik weet nu hoe kostbaar het leven is.

 

Einde

 

Gered!

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Gered!

Trillend van angst ziet Evi alle soldaten voor het raam, maar waar is Sjoerd? Hij is 2 uur geleden naar buiten gegaan om te kijken wat er aan de hand was maar hij had allang terug moeten zijn. Evi loopt naar buiten en roept: “Sjoerd! Sjoerd!”, maar ze komt niet boven het lawaai van de geweerschoten uit. “Sjoerd!” Roept ze nog een paar keer. Geen reactie… Evi weet niet wat ze moet doen… “Evi!” Evi hoort het maar ze ziet niet waar het vandaan komt, maar dan ineens ziet ze het… het is Sjoerd!

“Snel we moeten naar binnen!” roept Sjoerd ze rennen samen naar binnen, ze zoeken een veilige plek om te schuilen maar ze zijn nog maar een paar keer in het huis geweest om te kijken of het geschikt was om in samen te gaan wonen, dus ze weten nog helemaal niet hoe het huis precies in elkaar zit. Ze rennen naar de eerste beste deur die ze tegen komen, de kelder yes! Roept Sjoerd. Ze gaan de kelder in en gaan helemaal beneden zitten. Evi zit trillend van angst in de kelder, ik ben bang zegt ze en ze begint te huilen, wat moeten we nou doen zegt ze huilend… ik weet het ook niet Evi, maar we kunnen hier in ieder geval niet lang blijven zitten. Er is geen eten en geen drinken. Sjoerd en Evi zitten nu al een tijdje in de kelder gewoon na te denken en ze durven niet naar boven te gaan, uiteindelijk zegt Sjoerd: “kom we gaan slapen, dan zien we morgen wel verder. Opeens schrikt Sjoerd wakker van een nachtmerrie, maar dan dringt het tot hem door… het was helemaal geen nachtmerrie. Sjoerd hoort bijna geen geweerschoten meer, ik ga even kijken waarom het lawaai minder is geworden zegt Sjoerd. Maar Evi ligt nog te slapen, hij probeert zo stil mogelijk naar boven te gaan. Hij kijkt door het raam en ziet dat de soldaten verder trekken, maar dan opeens beginnen ze weer te schieten. Sjoerd gaat snel weer naar de kelder, Evi is wakker geworden van het schieten. We kunnen nog niet weg, dat is te gevaarlijk zegt Sjoerd. Kom we gaan nog even slapen en hopen dat ze straks weg zijn… BOEM! Evi en Sjoerd schrikken allebei wakker. Sjoerd loopt voorzichtig naar boven, “wat ga je doen?” vraagt Evi. Ik ga even kijken wat dat was. “Nee!” Niet doen dat is veel te gevaarlijk! Roept Evi oké ik beloof dat ik niet zal gaan kijken. Evi is zo moe en bang dat ze weer probeert te slapen als ze weer slaapt gaat Sjoerd naar boven en kijkt voorzichtig door het raam hij ziet niks wat de knal veroorzaakt zou kunnen hebben, hij ziet ook helemaal niemand meer. Dit is het moment! Nu moeten ze vluchten, hij rent naar beneden om Evi te halen. Als ze boven zijn zien ze een helikopter vliegen.  Ze springen en schreeuwen, maar het heeft geen zin de helikopter vliegt gewoon door. Ze rennen snel weg, maar dan ineens zien ze een winkel met nog heel veel eten erin, ze gaan daar schuilen, want daar hebben ze eten, drinken en een schuilplaats. Zo gaat het nog ongeveer 4 maanden door van huis naar huis naar huis vluchtend voor de soldaten, maar opeens komt er weer een helikopter over vliegen. Sjoerd heeft ooit van zijn vader geleerd hoe je zelf een rookbom moet maken dus die had hij een gemaakt voor het geval dat er weer een helikopter over kwam vliegen. Dit keer werkt het, de helikopter land op het weiland voor hun. Ze zijn gered!

Paarse Lipstick

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Paarse Lipstick

“What a strange being you are, god knows where I would be…” de muziek weerklinkt in haar oren. “Hey!” ze voelt een dreun in haar rug. Ze stopt en draait zich lichtelijk angstig om. Lachend kijkt Kiki haar aan. Ze slaakt een zucht van verlichting en knippert met haar ogen. Kiki is weg. “Het zal wel goed zijn”, denkt ze. Wie weet was het iemand anders die tegen haar aanbotste, gewoon een vreemdeling. Kan gebeuren. Langzaam en een beetje op haar hoede manoeuvreert ze door de winkelstraten. Een meter of tien verderop staat een ambulance, midden op een plein. Er staat een meisje met zwart haar, bordeauxrode kleding en donkerpaarse lipstick. Die kleur lipstick staat haar erg goed. Naast haar staat een lijkbleek meisje van ongeveer zes jaar met lichtbruin haar. Ze staren beiden naar de vrouw op de brandcard, de vrouw ziet er niet goed uit. Het meisje met het zwarte haar wendt haar hoofd af en loopt weg met een neutrale gezichtsuitdrukking. Het andere meisje wordt door een ambulancebroeder begeleid richting het voertuig. Ze loopt door, er is ondertussen nog maar weinig te zien.  De versiering van de geel-met-rode snackbar lacht haar ondertussen vrolijk toe. Zucht.

In sommige winkelstraten is het druk, in enkele straten juist niet. In een paar straten lopen gestreste en gehaaste mensen, in andere straten lopen mensen ontspannen en vermaakt. Het verschil tussen alle straten is intrigerend. In haar ooghoek glimt iets, iets van metaal, achter haar. Een mogelijk moordwapen. Ze draait zich om. Er is geen glimmend stuk metaal dat klaar is om een gat in haar te kerven. Zelfs geen mens. Niemand. Ze loopt alleen. Het begint te schemeren. Donkerte brengt pijn. En angst. Flarden van herinneringen komen terug. Bloed. Overal bloed. Maskers, vlak voor haar gezicht. De maskers zijn vaag te zien, tot het licht uit gaat. Donker. Veel pijn. Nog meer bloed. Zucht… Een paar verdwaalde kerstlichtjes steken sterk af tegen de donkere huizen. Het ruikt naar verbrande spullen in de straat. Ze ziet een grote meute mensen staan aan haar rechterkant. Ze twijfelt: doorlopen in dit verbrande steegje, of opgaan in de massa gevaarlijke mensen? Toch maar dat laatste, ze beukt iedereen wel gewoon opzij.

Na een tijdje komt ze een oud plaatselijk sieradenwinkeltje tegen, het ruikt er naar citroen, maar dan muffe citroen. Verspreid door de winkel liggen dromenvangers, glazen kralen en houten hangers. Het is rustig in het winkeltje, er lopen maar een paar mensen. Ze loopt naar de balie en vraagt naar het toilet. “Rechts van het rek met dromenvangers”,  antwoordt de medewerker. Ze beseft dat er geen naam op zijn naamplaatje staat. De deurknop ligt zwaar in de hand en draait naar links, er blijft wat afgebladderde verf aan haar hand zitten. Ze loopt door een gang, als snel komt ze een deur tegen met een bordje erop. ‘Toiletten’, luidt het.

Met moeite gooit ze de deur open. De drempel kraakt. Terwijl ze de duistere kamer betreedt, voelt ze het kozijn van de deur, het is koud en plakkerig, alsof er honing op zit. Tastend in de kamer wennen haar ogen steeds meer aan het donker. De deur van het toilet kan niet op slot, er blijft een klein kiertje open. Een enkele seconde flitst het felle licht aan. Er staat een schim. Ze staat op en tast door de kier, dezelfde plakkerigheid als die van de deur omhult haar vingers. Dan wordt de deur dichtgeslagen, haar vingers zitten ertussen.  De pijn zeurt in steeds extremere mate. Ze probeert haar vingers te bestuderen. ‘Jezus! Waarom ik?’ gaat er door haar hoofd. Met haar andere hand probeert ze de deur te openen, het lukt niet. Ze zit vast. ‘Kut. Kut. Kut!’ schreeuwt ze. Er klinkt geklop op de deur: “Doe de deur open!” roept een vrouwenstem. Ze schiet naar achteren. Ze tast de muur achter haar af, op zoek naar een raam. De muren van de wc reiken van de grond tot het plafond, daar kan ze niet overheen. Ze krabt aan haar voet, ze voelt dat haar schoen nat is. Door de pijn van haar vingers had ze niet gemerkt dat het toilet kapot is en het hokje langzaam volstroomt met water, het water komt tot net boven haar spierwitte schoenen, die ondertussen niet zo wit meer zijn. Ze beukt tegen de deur. “Doe toch open, trut!” roept de vrouwenstem weer. Ze probeert het slot te vinden, het is beter dat de vrouw haar pijn doet dan dat ze verdrinkt, verdrinken schijnt verschrikkelijk pijnlijk te zijn, water kent geen genade. Ze vindt het slot. Een vloed water stroomt naar buiten, ze ziet een vrouw met een mes, flitsen wit licht, maar later ook rood en blauw licht. Ze ziet gezichten. Veel gezichten, ze kan ze niet onderscheiden, alles is wazig en ze voelt zich verlamd. Het laatste wat ze ziet is zwart en bordeaux rood, met een vleugje paars. Die lipstick staat haar goed.

“Geachte vrienden, familie en anderen genodigden. Welkom op dit treurige moment; de begrafenis van Madison Christina Clark. Graag zou ik om te beginnen moeder Heidi Clark het woord willen geven.” deelt de begrafenisondernemer mede, met hoe toepasselijk: een grafstem. “Maddie was een meisje met een bijzonder verhaal: na de moord op haar beste vriendin Kiki heeft ze de overstap naar haar normale leven niet meer kunnen maken. Toch hebben we ons allen verbaasd over hoe ze is doorgegaan, na een moord van vlakbij meegemaakt te hebben. Ze heeft veel geluk gehad, ze had tegelijk met Kiki in het graf kunnen liggen, een pijnlijk besef. Toch is het ergste haar overkomen, haar angststoornis is haar de baas geworden. Volgens de politie zou ze zelfmoord hebben gepleegd in een openbaartoilet. De helende wond van de moord op Kiki is weer opengetrokken. Ik…” haar moeder gaat huilend af, ze kan haar tranen niet meer bedwingen. “Nu zullen we luisteren naar een prachtig lied, uitgekozen door nabestaanden.” Zegt de grafstem. “What a strange being you are, god knows where I would be…”

 

 

Held

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

De sleutels van huis en auto rinkelden in mijn handen. Ik had Carla, mijn vrouw,  gezegd dat ik vanavond niet thuis zou eten. Het was beter zo. Voor geen van ons beide was het goed om vandaag samen te zijn. Wij hielden niet zo van het delen van emoties. Een betaalrekening delen was voor ons al meer dan genoeg.

De stoel naast me was leeg, zoals die tegenwoordig vaker wel dan niet leeg was. Carla zat maar zelden naast me in de auto. Alleen als er officiële bedrijfsfeestjes waren, of als we niet onder een afspraakje met haar familie uit konden komen, reden we samen.

De enige reden dat ik en mijn vrouw nog bij elkaar waren, was Floris. Voor onze zoon hadden we af en toe nog iets samen gedaan. Uitjes naar de dierentuin, af en toe naar de bioscoop en één keer in het jaar, echt alleen op zijn verjaardag, naar de McDonalds. Soms zag ik  zijn tienjarige gezichtje nog voor me, met een ondeugende grijns en smekende ogen. ‘We gaan toch wel frietjes eten, hé? We eten nóóit frietjes, papa.’

Floris was een bijzonder kind. Zo had hij al erg jong geweten dat hij later een held wilde worden. Voor hem was geen kantoorbaan weggelegd, dus was de kans dat hij de zaak over ging nemen algauw verkeken geweest.

‘Ik wil mensen redden,’ wist hij me te vertellen op zijn zestiende. ‘Geen levens kapot maken, zoals jij doet.’

Ik startte de motor en reed de gigantische parkeerplaats van de Zuidas af. De TomTom gaf achtentwintig minuten aan, maar rond etenstijd geloofde ik dat ding nooit zo. Lange files, ongeduldige bestuurders en seksistische radioprogramma’s waren hét recept voor een flinke vertraging. De A1 had me rond zessen al vaker onplezierige autoritten bezorgd.

De regen tikte vrolijk tegen het glas, terwijl de ruitenwissers met man en macht de weg zichtbaar probeerden te houden. Met samengeknepen ogen keek ik naar de natgeregende weg. Er was vandaag aan niets te zien dat er een verjaardag werd gevierd.

Normaal gesproken prees ik God voor het feit dat er nooit een McDonalds in Crailo was geplaatst. Floris’ verjaardag was de enige uitzondering op de regel. Op die dag mocht er van mij best zo’n restaurant in de buurt staan. Om nu bij de dichtstbijzijnde McDonalds te komen moest ik helemaal Bussum inrijden.

Zoals gewoonlijk was het een ramp om te parkeren in Bussum. Uiteindelijk zette ik de auto in een smal zijstraatje, half op de stoep geparkeerd. Ik knoopte mijn nette jas dicht en trok de sjaal recht om mijn nek. Daarna stapte ik uit, het hondenweer in. Met mijn aktetas geheven als paraplu, rende ik naar het lelijke restaurant.

Binnen was het verschrikkelijk benauwd en stonk het naar frituurvet en oud zweet. De ramen waren beslagen van het vocht. Een groepje straattieners keek vreemd op van hun milkshakes en hamburgers, alsof ik de eerste man in pak was die ze ooit hadden gezien.

‘Wat mag het zijn?’ vroeg een chagrijnige  jongedame vanachter de kassa. Haar donkere haren zaten weggemoffeld onder een zwart petje met daarop een gele “M”. Ik wierp een blik op het scherp verlichte bord achter haar.

‘Wat zou je me aanraden?’

‘Een Big Mac met Cola en friet,’ zuchtte ze geërgerd. ‘Zal ik dat maar voor u invoeren?’

‘Ja, doe maar.’

Met schuddend hoofd draaide ze zich om. Uit de verwarmde bakken pakte ze mijn maaltijd bij elkaar en stopte ze snel en geroutineerd in de gekleurde bakjes. De frietjes, die uit het rode verpakking staken, hingen slap naar beneden.

‘Saus erbij?’ vroeg ze, terwijl ze mijn bestelling op een dienblad kwakte.

‘Nee.’

Sinds Floris’ tiende verjaardag was het traditie om friet te eten bij de McDonalds, al was ik ieder jaar minstens tien minuten te laat gekomen. De blikken van mijn vrouw waren normaal al priemend wanneer ik te laat kwam, maar op Floris’ verjaardag werden ze dodelijk.

‘Waar bleef je nou?’ vroeg ze dan op ijzige toon.

Als antwoord gaf ik haar het meest gebruikte excuus van de afgelopen twintig jaar. ‘Druk op het werk.’

Met gezonde weerzin zette ik het dienblad neer op een tafeltje bij het raam en ging ik zitten op de hernia bevorderende bank. Behoedzaam keek ik om me heen, voor ik uit mijn aktetas een waxinelichtje en een aansteker pakte. Na twee keer proberen ging het lontje branden. Het kleine vlammetje viel nauwelijks op door de felle Tl-verlichting.

‘Pa? Ben jij dat?’ Een jongedame van halverwege de twintig kwam bij mijn tafel staan. Haar vriendelijke ogen waren omrand met uitgelopen mascara en haar natte haren vielen als een waterval langs haar hoofd. Ik merkte dat ik mild glimlachte toen ik haar herkende. De eeuwige verloofde van mijn zoon betekende meer voor me dan ik ooit had verwacht.

‘Ik dacht al wel dat je vlug zou komen,’ zei ik, voor ik opstond en haar een dikke kus op de wang gaf. Mila sloeg haar armen strak om me heen en toen ze me losliet, zag ik de tranen glimmen in haar ogen.

‘Ik mis hem zo,’ fluisterde ze. ‘Iedere dag weer.’

‘Ja, ik ook.’

Ze ging tegenover me zitten en pakte haar mobiel erbij, om die vervolgens tegen het doosje van de hamburger aan te leggen. Een foto van Floris in vol militair ornaat lichtte op. Op zijn borst prijkten verschillende onderscheidingen.

Ja, een held was hij wel geworden.

De tranen biggelden nu over Mila’s wangen, haar vuisten lagen op de tafel gedrukt.

‘Gefeliciteerd, Mila,’ wist ik uit te stoten. Ik pakte de Big Mac uit het bakje en scheurde hem in tweeën. Het grootste stuk gaf ik aan mijn bijna-schoondochter. Ik hief mijn halve hamburger, alsof ik proostte. ‘Op onze held.’

‘Op Floris,’ zei ze.

Het waxinelichtje brandde de rest van de maaltijd, als viering en gedenkenis. Zelfs toen we het restaurant verlieten, bleef het kaarsje branden. Mila en ik waren van mening dat dit het passendst was. Er was immers niemand meer om het kaarsje uit te blazen.

Eerste schooldag

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Het is maandag morgen en val half uit bed. Door de gordijnen komt een straaltje licht. Dan bedenk ik me dat ik moet opstaan en een drukke dag heb. Nadat ik mijn kamer uit strompel komt mijn broertje op een drafje naar me toe om me zijn nieuwe tekening te laten zien waarna ik ineens wakker schrik en me weer herinner dat ik slecht zie en daardoor tegen hem zeg dat het vast heel mooi moet zijn.

Als ik uiteindelijk beneden zit te ontbijten bedenk ik me welke trein ik neem en of er een overstap in zit. Deze dag is de eerste dag dat ik naar mijn nieuwe HBO opleiding ga. Ik wil instappen bij mijn vader in de auto die me naar het station brengt. Maar ik ben iets vergeten dus loop ik heel hard waardoor het lijkt of ik ren naar de keukentafel om mijn portemonnee waar mij ov-chippas in zit en mijn sleutels te pakken. Maar omdat mijn sleutels onder een krant liggen zie ik ze niet en vergeet ze alsnog.

Nu ik in de trein zit, lijkt het leven even erg gezellig want een vreemde vroeg me of hij mij kende van de basisschool. Eerst moet ik even nadenken maar na enkele seconden herken ik hem ook en hebben we een gezellig gesprek in de trein . Over hoe het gaat en naar welke school we gaan. Snel genoeg kom ik er achter dat hij veel overeenkomende interesses heeft en vergeet de tijd. Op dat moment denk ik aan hoe het vroeger was samen met die jongen en ik merk dat ik er weinig van weet.  Dit vind ik heel vreemd. Nu denk ik aan alles wat ik ineens ben vergeten. Zo denk ik weer aan het feit dat mijn ouders gescheiden zijn. En aan het feit dat ik slecht zie. Ik vraag me af hoe het zal zijn als mijn klasgenoten het te weten komen. Ik vraag aan mijn basisschool vriend wat hij denkt dat er zal gebeuren. Eerst kijkt hij me raar aan en vraag of ik echt slecht zie. Blijkbaar wist hij het niet dus ik vertel wat ik heb. Nu ik het uitgelegd heb zegt hij “ik denk dat ze het zullen accepteren”.

De treinconducteur zegt via de intercom  dat we bijna bij mijn overstap van de treinreis zijn, maar omdat ik zo verdiept ben in de  conversatie, merk ik het niet en vergeet uit te stappen. Hierdoor heb ik pech en bel ik gauw mijn vader en kijk op internet of ik via een andere weg op mijn eindbestemming kan komen. Dit is mogelijk, alleen kom ik wel een paar minuten te laat. Gelukkig is het de eerste dag en is het meer een kennismakingsdag.

Ik loop binnen in mijn nieuwschool. Ik was er al een keer geweest voor een open avond en inschrijving. Maar toch denk ik dat het een grote school is met veel gezellige lokalen, nu ik binnen kom in mijn lokaal. Na enkele minuten zoeken sta ik in de klas. Iedereen van de klas kan mij zien maar ik hun minder. De mentor zegt dat er vooraan nog een plaats vrij is. En ze zegt ook dat ik beter op mijn tijden moet leren letten. Ik zit nu heel gespannen in het lokaal. De mentor is al ongeveer een half uur van alles  aan het vertellen. Opeens valt mijn oog op een klasgenoot en vraag me af of ik hem vanmorgen ook heb gezien, toen ik in de trein naar school zat. Na het lesuur stap ik op hem af en vraag hem of hij en ik samen kunnen reizen. Hij blijkt Jan te heten en zegt dat dit mogelijk is.

Nu zit ik na een vermoeide dag in de trein, rustig en blij. Want naast me zit een nieuwe vriend. Ook al praten we niet zo veel, het voelt toch als een echte vriend. Omdat we weinig praten, mis ik mijn overstap niet en ben ik op tijd thuis. Als ik aan kom staat mijn vader daar op me te wachten en geeft me een dikke knuffel. Hij vertelt me dat ik mijn sleutels was vergeten. We gaan fijn naar huis en ik denk bij mezelf:”dit was een leuke eerste schooldag!”

 

 

Al Buraq – De Bliksem

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Al Buraq – De Bliksem

Buraq beklom, zoals hij vijfmaal per dag deed, de trappen van de minaret om daar de oproep tot gebed te verrichten. Volgens sommigen in zijn dorp verrichtte hij deze taak al meer dan vijftig jaar. Volgens anderen deed hij dit al sinds de dagen van de Profeet. Volgens weer anderen nog eerder.

Maar hoe het ook zij, al jaren was hij het die het ritme van het dorp bepaalde. Men trouwde na het middaggebed, vierde feest na het avondgebed en na het nachtgebed werd het pasgetrouwde stel weer met rust gelaten. Buraq had de tijden zien veranderen. De mensen van het dorp gingen hun eigen wekkers zetten en vertrouwden alleen nog op Buraq om hun te waarschuwen als het tijd was voor het gebed.

Terwijl hij de wenteltrap van de minaret beklom kreunde hij. Zijn botten kraakten en meermaals nam hij even een pauze om op adem te komen. Eenmaal boven nam hij de tijd om te kijken naar zijn dorp. Vanuit de minaret kon hij zien hoe het ingeklemd lag tussen de Middellandse Zee aan de ene kant en een meer aan de andere kant. Hij had uitzicht op het langgerekte plein waaraan ook zijn moskee stond. Als hij verder keek zag hij de andere minaretten die alleen toebehoorden aan andere moskeeën. Moskeeën die niet zoveel historie hadden als de zijne.

Zijn blik dwaalde af naar de huizen van het dorp. Hij zag de platte daken van de huizen waarop men kippen hield. Hij zag de mannen die op het dak een waterpijp rookten met hun vrienden, hij kon hen ook horen. Hij zag de satellietschotels, de meesten waren afgestemd op Europa. Af en toe zag hij een vrouw de schone was ophangen, meestal was zij ongesluierd. Dan wendde hij zijn blik af.

Weer keek hij naar het plein voor de moskee. Hij zag een groepje kinderen voetballen voor de moskee. De oude mannen die op de binnenplaats van de moskee zaten en die Buraq steevast groetten voordat hij zijn tocht naar boven ondernam, spraken daar dan weer schande van. Als de bal dan per ongeluk hun kant op rolde beet een van de mannen de uitverkorene die de bal moest halen steevast toe dat ze beter de Koran uit hun hoofd konden leren, of iets in die trant. De voetballende kinderen negeerden die opmerkingen op hun beurt weer.

Als Buraq de vele tuk-tuks volgde, kon hij de koffiehuizen zien, die wel zo genoemd werden maar waar men nooit koffie bestelde. Vanavond speelde Real Madrid tegen Barcelona en mannen van alle leeftijden hadden zich verzameld rond de schermen die de koffiehuizen hadden opgehangen. De zon begon langzaam te verdwijnen achter de snelweg die naar de grote stad leidt, het was tijd voor de oproep tot gebed.

‘God is groot, God is groot’ declameerde Buraq.

De oude mannen op de binnenplaats begonnen zich ritueel te wassen als voorbereiding op het gebed

‘Ik getuig dat er geen godheid is dan God’

Een aantal mannen bij de koffiehuizen begonnen elkaar aan te stoten

‘Ik getuig dat Mohammed Gods boodschapper is’

De andere mannen begonnen haarfijn uit te leggen waarom het gebed voor deze ene keer maar moest wachten.

‘Haast u naar het gebed’

‘Luister eens even vriend, je kan de hele avond nog zo lang bidden als je wilt maar deze wedstrijd is live. Geen pauzes, geen genade.’

‘Haast u naar het welslagen’

‘Verdomme je hebt gelijk’

‘God is groot, God is groot’

De oude mannen waren inmiddels klaar met het rituele wassen en gingen de moskee in. De jongens op straat voetbalden nog steeds. En ook de rest van het dorp hield zich bezig met voetbal.

‘Er is geen godheid dan God’

De wedstrijd was begonnen.

Vroeger had Buraq zich op dit moment naar beneden gehaast om zich te voegen bij de gelovigen en het gebed te verrichten. Maar het ontbeerde hem aan de kracht en aan de ijver die hij tot voor kort nog wel bezat.

Buraq keek nog eenmaal om zich heen. Hij keek naar beneden, hij keek naar boven. Hij had het gevoel alsof hij zweefde. Zijn gevoel voor tijd waar vroeger het hele dorp op vertrouwde liet hem nu in de steek. Seconden werden minuten, minuten werden dagen en een dag bij jouw Heer is als een duizend jaar.

Buraq is na die dag nooit meer gezien, bijna het hele dorp is het erover eens dat de man gevallen moet zijn. Zijn lichaam is nooit gevonden. Alleen de oude mannen houden er een ander verhaal op na. Zij menen een figuur in de avondlucht gezien te hebben, maar dat kan ook de leeftijd zijn.

T O E N

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Het is lastiger dan men denkt.

Je hebt hulp nodig om te ademen,

om te bewegen,

om te denken.

Je eigen gedachten zijn niet meer van jou. Je zal alles moeten delen.

Je leven is hun leven.

Ik voel me alleen, ze voelt zich alleen.

Ik voel me onnuttig hier, ze voelt zich onnuttig hier.

Ik wil dit leven niet meer leven, ze wilt dit leven niet meer leven. 

Het enige beetje levende menselijke inzicht dat je bezit, dat je in je bloed hebt stromen.

Het is allemaal aangesloten, het neemt iedere milliseconde in zich op. Zo kan het aan je bloeddruk zien of je in je eigen donkere wereldje zit en bent zoals anders. Of dat je even gelooft dat wat de mensen hier proberen te bereiken met de onmenselijke perfectie de weg is dat het ook écht moet zijn.

Want dat is wat zij- de mensen met wie je verplicht je leven zal moeten delen – zeggen:

” Je zelfdoding gebeurt op het moment dat de samenleving je probeerde lelijk te laten voelen en je het geloofde. ”

Maar wat maakt je nu echt gelukkig, zonder al de pillen die je volgens hen nodig hebt om het juiste pad te vinden.

Alcohol, drugs, pijnstillers? Nee waarschijnlijk niet. 

Automutilatie? Niet permanent nee. 

Omringd zijn met geliefde mensen en samen luisteren naar de muziek die het leven luchtiger maakt? Meestal wel ja. 

Is er eigenlijk wel een echte specifieke manier om er vanaf te geraken? Niet bepaald. 

Iedereen vindt ooit een persoon die je gelukkig maakt. Het moet niet eens altijd in het echte leven zijn. Een persoon die muziek maakt, kan ook goed genoeg zijn. Dat je je kan leggen in hun liedjes, hun verhalen, hun stemgeluid. Gewoon een persoon die jij accepteert en die jou accepteert om wie je bent en om wat je doet.

Iedereen vindt zo iemand buiten ik. Dat was toch wat ze dacht. Ze dacht deze tekst. Ze dacht ieder woord exact. Want dit is haar verhaal. Het verhaal van Odessa. Haar eigen zielige verhaal.

Zielig tot toen.

Tot toen.

Tot toen ze hem leerde kennen.

Leerde houden van hem.

Ze leerde wat leven was.

Ze leerde het echte van dit.

Ze leerde tot toen.

Tot toen.

Tot toen ze hem kwijt raakte.

En weer haar zielige leven iedere keer opnieuw leek te beleven.

Te beleven tot toen.

Tot toen.

Tot toen ze leerde hoe ze kon leven zonder aandoeningen.

En toen?

Nu zijn we in het heden.  

Nog steeds aan het leren, het genieten, aan het luisteren en spreken, bewegen, meemaken en leven. Want waarom er een einde aan maken als je het onbewust zou kunnen verbeteren?

Blijf maar gewoon door gaan Odessa. Gewoon door wandelen.

Jij bent Odessa.

Het einde van mij

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Het einde van mij

5 jaar geleden gebeurde het allemaal. Ik sloop stiekem binnen bij een concert en de bewakers hadden niks door. Ik zag veel mensen, ze hadden het allemaal erg naar hun zin. Ik dacht maar aan een ding de mensen een trauma te bezorgen of hun zelfs te vermoorden. Op dat moment pakte ik mijn mitrailleur en zonder na te denken schoot ik in de ronte tot al mijn kogels op waren. Vanaf dat moment herinnerde ik me niks meer.

Spijt

Elke nacht blijf ik het voor me zien. Hoe ik al die onschuldige mensen pijn doe. Hoeveel spijt ik ook heb ik kan het niet terug draaien. Wat bezielde me, wat was fout met mij? En hier ben ik dan 5 jaar nadat het allemaal gebeurde. Ik ben alleen, alleen in een cel met geen enkele vriend. In die 5 jaar is veel gebeurd. Wat zou ik graag mijn leven opnieuw willen beginnen ,maar zo werkt het helaas niet. Geen enkele nacht heb ik fijn geslapen, in al die 5 jaar. Mijn leven voelt nu zo nutteloos. Waarom zou ik geen einde maken aan mijn leven? Niemand houdt van mij.

Nadat ik de grootste fout in mijn leven had begaan werd ik wakker in een ziekenhuis. Een bewaker had mij in mijn been geschoten en de dokters zeiden dat ik toen flauw was gevallen. Dat gaf mij geen enkele kans meer om te ontsnappen want mijn kamer werd goed bewaakt en ik wist zodra ik weer beter zou zijn, zouden ze mij naar de gevangenis brengen. De dokters assistente met haar veel te serieuze blik zette de radio aan en toen hoorde ik wat eigenlijk nog helemaal niet tot mij was doorgedrongen. Ik was wereldnieuws ,maar niet op de goede manier. De vrouw vertelde dat een man van 29 jaar met bruin haar en een zwarte muts op een massa moord had gepleegd tijdens een concert in de Meierij , daarmee bedoelde ze dus mij. Toen kwam het ergste ze zei dat er bij de schietpartij 6 doden waren gevallen en 24 gewonden waaronder 9 zwaargewonden. Ik was best trots op mezelf maar nu snap ik niet waarom. Ik keek door het raam van de deur en zag daar een bewaker staan. Ik zou de rest van mijn leven in een gevangenis zitten.

De overstap van mijn leven

In het jaar na de massamoord die ik had gepleegd was mijn leven in een keer omgeslagen. Toen ik eindelijk uit het ziekenhuis was werd ik meteen naar de rechtbank gebracht, waar mijn uitspraak zou volgen. Onderweg probeerde ik me nog los te trekken maar niks lukte. Daar zat ik dan in de rechtbank, mijn broer had voor mij een advocaat gereld maar niemand van mijn familie was gekomen. Ze wilden niks meer met mij te maken hebben. Dat snap ik eigenlijk ook wel, maar mijn familie wist net zo goed als ik nu dat ik niet helemaal goed in mijn hoofd was en altijd al rare dingen deed. Zei zouden me toen juist moeten steunen.  De uitspraak van de rechter was dat ik 60 jaar in de gevangenis moest, dat was bijna heel mijn leven.  De gevangenis vond en vind ik echt een HEL, ik heb geen vrienden in de gevangenis, ik heb geen familie hier het enige dat ik had was een psycholoog die mij hielp om weer helder na te denken en te beseffen dat wat ik had gedaan echt niet kon. Elke vrijdag kwam ze naar mij toe om met mij te praten, beetje bij beetje  kon ik voor het eerst in lange tijd weer helder nadenken en begon ik te begrijpen dat ik een psychopaat was met rare ideeën.

In de andere 4 jaar heeft mijn leven een grote overstap gemaakt. Ik was niet meer die psychopaat , maar iemand met veel spijt die niemand over heeft.  Ik heb in die 4 jaar goed na kunnen denken, de psycholoog heeft me daar erg bij geholpen en daar ben ik erg blij mee. Het enige wat me heel erg dwars zit is mijn familie. Geen enkel familielid is in de afgelopen 5 jaar bij mij op bezoek geweest of heeft ook maar iets aan moeite voor mij gedaan. Ook van de paar vrienden die had is niemand gekomen. Ik ben ALLEEN. Niemand houdt van mij.

Geen opties over

Dagen gaan voorbij maar nu ik mijn gezond verstand terug heb vraag ik me eigenlijk af waarom ik nog leef. ‘Niemand houdt van mij’ die gedachte blijft door mijn hoofd spoken. Als ik na 55 jaar weer vrij kom ben ik 89, misschien ben ik voor die tijd allang dood. Ik ga mijn aardige psycholoog vertellen hoe ik mij voel. Zij zal het vast begrijpen en mij een advies kunnen geven. Het is nu vrijdag en de psycholoog is net langs geweest. Het was een erg lang gesprek en ze probeerde me toch moet in te praten ,want zelfmoord plegen zou toch nooit lukken. Ondanks het gesprek met de psycholoog zie ik geen opties meer. Stiekem ga ik tijdens etenstijd opzoek naar iets scherps om een einde te maken aan mijn mislukte leven ,maar ik zie niks scherps. Met een smoes om de kok te gaan helpen kom ik achter de keuken, daar zie ik een scherpe blauwe schaar liggen.  ik pak de schaar, de kok ziet het en rent schreeuwend naar mij toe. Snel schreeuw ik nog  ‘Bedank voor niks iedereen’. Ik prik de schaar in mij keel.  Langzaam voel ik me lichter worden,  al mijn verdriet zakt van me af. Toen zag ik een wit licht. Dit is het dus, het Einde.

De verkeerde overstap

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Het was kerstochtend 2016 Luca wou zijn familie in Frankrijk gaan bezoeken samen met zijn vriend Pieter ze bestelde tickets bij de NS voor 24 euro. De volgende Ochtend stapte Luca en Pieter vroeg uit bed, ze namen de taxi richting het station in Amsterdam. Ze wachten op de trein (maar die komt te laat want het is de NS).

Toen de trein eindelijk was aangekomen stapte ze in de trein richting Frankrijk.                   Na 3 uur kwamen Luca en Pieter aan in Brussel want ze moesten overstappen ze konden kiezen uit 2 treinen. Ze kozen de 2de trein maar bleek dat wel de goede keuze te zijn?

Ze stapte in de trein ze gingen hellemaal achterin zitten Luca speelde spelletjes op zijn mobieltje en pieter speelde met zijn jojo, in het begin was alles rustig maar toen hoorde Luca wat gekke geluiden er kwam een vrouw gillend de wagon van de jongens inlopen ze schreeuwt “ help help de machinist wordt gegijzeld door 2 mannen” het werd doodstil in de trein niemand wist wat ze moesten doen.

Luca en Pieter wouden gaan kijken hou de gijzelaars eruit zagen en of ze nog wat konden doen, zachtjes slopen ze naar de machinist en zagen daar inderdaad 2 mannen staan. Luca kwam met een plan hij zei ‘Pieter heb je die jojo nog waarmee je in de bus speelde’ pieter zei ‘ja maar wat wil je daar mee doen’? Luca had een plan bedacht hij wou de boeven eerst neer slaan met een brandblusser die naast hun hing en dan ze vast te binden aan een stoel met het draad van een jojo.

Maar dat plan ging niet door want de gijzelaars hadden Luca en Pieter al gehoord ze pakten een knuppel en sloeg pieter neer Luca kon de gijzelaar op zijn enkels schoppen zodat hij kon ontsnappen. De politie was ook al ingelicht en blokkeerde de spoorovergang maar de machinist had opdracht gekregen om gewoon door te rijden maar dat ging mis de trein vloog met hoge snelheid over de politie auto’s en ontspoorde en viel op zijn kant.

De gijzelaars probeerde zo snel mogelijk de trein te verlaten ze sprongen uit de trein en rende naar de snelweg waar een handlanger ze op stond te wachten ze stapte in en reed met volle snelheid weg Thomas de politieagent  zette de achtervolging in ondertussen in de trein probeerde Luca Pieter te redden, Luca schreeuwde ‘Pieter waar ben je’ maar Luca zag de jojo van Pieter liggen en wist dat het te laat was.

Ondertussen probeerde Thomas de gijzelaars en zijn handlanger op te pakken en Thomas had een idee gekregen om ze af te snijden en ze dan gevangen te nemen maar dat  mislukte de gijzelaars schoten op de auto van thomas en de auto ontspoorde en botste recht tegen de auto van de handlanger aan, De auto van Thomas stond in de fik en Thomas sprong zo snel mogelijk uit de auto en probeerde de gijzelaars gevangen te nemen dus hij ging schieten en hij schoot er 1 in zijn been ondertussen was er versterking van de politie bij gekomen om de andere gijzelaar en zijn handlanger mee te nemen naar het politie bureau

Luca stond met tranen in zijn ogen omdat hij dacht dat Pieter dood was toen kwam er een jongen naar hem toe en vroeg wat er aan de hand was dat bleek Pieter te zijn Luca juichte van blijdschap.

De politie bood de jongens een lift aan waar ze naar toe moesten en uiteindelijk werd het toch nog een fijne kerst.

Het einde…

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Ik zat in de trein op weg naar mijn vriendje, de liefste van allemaal, want ik zou bij hem logeren. Hij heet John en is 15, zelf ben ik 16. Hij woont een half uurtje in de trein van mij vandaan. Dit keer hadden we bij hem thuis afgesproken. Ik kon ook maar niet kiezen wat ik aan zou doen en heb toch maar voor een lekker sexy, s’zomers jurkje gekozen. Hij woont in een appartement, drie hoog. Ik koet goed opletten want ik moet zo overstappen. Oké, spullen pakken, wachten tot de deuren op zijn en dan naar station 3, dacht ik bij mezelf. Daar moet ik nog 10 minuten met de trein en ik ben er. Ik sta op het station en zie dat mijn batterij leeg is. Dus zet ik hem maar uit. Daar is mijn trein. Ik ben nu voor zijn huis en bel aan. Maar niemand doet open. Gelukkig heb ik voor alle zekerheid de sleutel, bedenk ik me. En dus doe ik de deur open. Ik hoor van alles in de slaapkamer, en ook een hoge gil. Ik loop naar de slaapkamer, en krijg de grootste schrik van mijn leven. Hij ligt daar zoenend in bed met een vreemd meisje. Ik wil me omdraaien, maar sta als aan de grond genageld. Stotterend vraag ik:”wie i is d dat?!” En hij kijkt geschrokken op. Het vreemde meisje ,met de naam Lisa, zegt:”schatje, wie is dat, en hoe komt zij in ons appartement.” John zegt:”Rosa, toe nou, laat het me uitleggen.” “ik zag je zo weinig, en ik was toe aan meer, en dus heb ik Lisa gezegd dat het uit was. En als jij niet hier was, dan was Lisa hier.” En hij sloeg de deken af, en toen zag ik Lisa helemaal naakt liggen. En schreeuwde:” Klootzak, het is uit, ik hoef je nooit maar dan ook nooit meer te zien!” En Lisa schreeuwde net zo hard met me mee. Ik pakte al mijn spullen terug die nog hier lagen. Ik hielp Lisa weer in de kleren en samen renden we huilend zijn appartement uit. Eenmaal buiten vielen we elkaar in de armen, en sindsdien zijn we vriendinnen.  En willen we helemaal niks meer net hem te maken hebben. Samen gingen we naar mijn huis, en bleek dat zij dus die nieuwe van mijn school zou zijn. Ik was blij met mijn nieuwe vriendin. En algauw bleek dat we heel veel gemeen hadden. Ze bleef heel vaak bij mij logeren, want bij haar thuis ging het niet zo goed. Ik bedenk me dat we er goed aan zouden doen eens een keer lekker te shoppen, en daar is ze het helemaal mee eens. Dus we lopen door het winkelcentrum en zien een groepje jongens staan. En ik zie me toch een lekkere hunk. Net als Lisa. Ik stap er op af en zeg stamelend:” hoi, Ik ben Rosa, en jij bent?” “Hee, schoonheid, ik ben Johnny. Zullen we een ijsje halen?” Ik kijk vragend naar Lisa, en ze knikt. Zij en Ronald gaan met ons mee. We gaan naar een superhip tentje. Lisa en Ronald delen een ijsje, eveneens als ik en Johnny. Als het ijsje op is, vraagt hij me voor een date. Ik zeg, wijzend naar Lisa en Ronald:”Ja, maar dan gaan we op dubbeldate met hun.” “akkoord”. We spreken af bij Feletti (een Italiaans restaurant, met hele lekkere pizza’s). En over een week is het al zo ver. Oh, vanavond gaat het gebeuren, ik heb er toch zo’n zin in. En mijn moeder maakt Lisa en mij op. Lisa en ik besluiten de zelfde jurk aan te trekken. We zijn ruim op tijd, en besluiten een romantisch plekje met kaarsen te nemen. Daar komen ze. Als we allemaal ons voorgerecht en drinken op hebben, komen onze pizzaa’s eraan. Na het etentje, gaan we met zijn vieren naar mijn huis. Mijn moeder is er toch niet. Lisa en Ronald gaan naar de logeerkamer, en wij naar mijne. We zitten op mijn bed, en kletsen. Dan vraagt hij verkering, en zeg ik meteen, Ja. Hij buigt naar me toe en we zoenen. Dan glipt zijn tong er in, en draait om die van mij. Na iets dat wel uren leek te duren laten we elkaar los en happen naar adem. Om 23:00 moeten Ronald en Johnny naar huis. En we spreken voor morgen weer af. Als ze weg zijn vertel ik Lisa dat ik nu verkering heb. En tot mijn vreugde heeft zij dat ook. Het was zo gezellig.

~~~

Einde

In Achthoven

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Ik word wakker van het vreselijke lucht alarm, wat deze maand al erg vaak is af gegaan. Ik kijk op mijn blauwe nachtkastje en zie de gele ster liggen waar jood op staat. Ik kleed me snel aan en zet een lelijke bril op. “Deze bril moet je voortaan altijd dragen.” Zei mijn moeder toen we hier in Achthoven kwamen wonen. “Zo weet niemand dat je joods bent.” Ook stop ik mijn vals I D in mijn zak met mijn nieuwe naam: Peter. Ik loop de trap af en zie dat mijn 2 zusjes en mijn ouders al de spullen aan het pakken zijn. “Alweer”, zegt mijn moeder. We rennen snel naar buiten en gaan de schuilplaats in waar iedereen van het kleine dorpje Achthoven al zit, daar zie ik ook mijn beste vriend Willem met zijn grote familie naar binnen lopen. “Hoi.” Begroet ik hem stoer terwijl ik eigenlijk heel bang ben. We horen van alles, en mijn 2 zusjes beginnen te huilen. Ze zijn bang net als ik. Nadat we een kwartier in die koude schuilplaats zitten is eindelijk het verschrikkelijke bombardement weer afgelopen en kan ik weer gaan slapen. Ik ga in mijn houten bed liggen, maar ik kan weer niet slapen. Ik hoor mijn ouders nog heel lang door praten. “Maar wat nou als ze ons toch door hebben!” Hoor ik mijn moeder bang zeggen.” Maak je maar geen zorgen.” Zegt mijn vader geruststellend. De volgende dag ga ik weer naar school in achthoven. Maar mijn beste vriend Willem was er niet. Ik vroeg aan de meester waar hij kon zijn. Maar hij wist het ook niet. Die schooldag kregen we heel veel Duitse les. Ondanks ik het een verschrikkelijke taal vind heb ik toch mijn best gedaan. Aan het einde van deze lastige dag zonder Willem kwam de rector van onze school binnen. Hij vertelde dat Willem en zijn familie waren meegenomen door de Duitsers. Ze zaten in het verzet dat tegen de Duitsers was en namen daardoor een groot risico. En nu zijn ze opgepakt. Ik hoor heel de klas fluisterend tegen elkaar praten. “In het verzet? Ik dacht dat die Duitsers wel aardig waren.” Hoor ik een jongen uit mijn klas zeggen, terwijl hij er van schrikt hoe hard hij praat. Dan gaat de bel. Ik loop boos naar huis en vertel het tegen mijn ouders. “Het komt allemaal wel goed.” Zei mijn vader alleen om me gerust te stellen. Maar ik kon het niet los laten. “Komt hij ooit nog terug?” Vroeg ik aan mijn ouders. “We weten het niet, jongen.” Zeiden ze. “Die rot Duitsers ook!” Gilde ik van boosheid. Opeens horen we een stem. “Hallo, ist da iemand? Bin ich in Achthoven?” Horen we een boze stem zeggen. Mijn moeder maakt een gebaar naar me dat ik heel stil moet zijn. Ik ben bang. Opeens maakt iemand de deur open. Het is een Duitser, dat zie ik aan zijn leger uniform. Ik verstop me snel in de grote servies kast die al een lange tijd leeg staat. De Duitser neemt mijn ouders mee. Als ze weg zijn ren ik snel naar onze buren. Ik vertel dat de Duitsers mijn ouders mee hebben genomen. “Snel we moeten erachter aan!” Gilde ik hard. Maar ze hielden me vast. Ik begon te huilen. “Het is gevaarlijk.” Zei Arthur, mijn overbuurman. “En wij dan? Hoe moet het met ons?” Vroeg ik verdrietig.  “Zal ik mijn ouders en Willem ooit nog terug zien?”

Gevonden

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Gevonden

‘’Het is geen toeval dat jij dat op jouw arm hebt,’’ zei hij en daarmee veranderde alles.

Ik ben Audrey, een tiener meisje en heb hele lieve ouders. Ouders eigenlijk zijn ze mijn ouders niet, ik ben namelijk geadopteerd. Ze vonden mij in een mandje, onder een boom op een stormachtige avond, in het park. Ik huilde niet, dat vonden ze merkwaardig aangezien de omstandigheden. Ze namen mij mee terug naar hun huis. Eenmaal thuis haalde ze mij uit het mandje en ze schrokken zich een hoedje, er zat een bloedvlek op mijn linker arm. Ze opende het lakentje, maar troffen geen enkel druppeltje bloed. Wat ze wel aantroffen was een teken in de vorm van een klein boompje met wortels eraan. ‘’Vanaf vandaag heet jij Audrey, ons gevonden geluk,’’ sprak mijn moeder me liefdevol aan en beiden gaven mij een kus op mijn voorhoofd. Ze hadden namelijk een kinderwens die ze nooit in vervulling kregen tot op die ene avond toe.

Ik groeide op in een boerderij vlakbij een bos met mijn pleegouders Chad en Fenna, beiden hebben blond haar en blauwe ogen, terwijl ik bruin haar en groene ogen heb. Ik ben anders, dat weet ik, alleen heb ik soms het idee om mezelf opnieuw te creëren om op hun te lijken, maar ze vertellen mij telkens dat het voorbestemd was dat zij mij hadden gevonden en dat ik hoe dan ook speciaal ben.
Ik leidde een rustig en vredig leventje en dacht dat alles zo zou blijven totdat het gebeurde, op mijn elfde verjaardag, ik was die dag buiten aan het spelen, mama deed de was en papa repareerde tractor. Ik zag een mooi vlindertje en volgde die. Mama volgde mij met haar blik en haar ogen werden groot, van verwondering, ze riep papa en hij rende naar buiten.
Ik draaide me om en zag een levens groot wezen, iets wat ik nog nooit had gezien, het leek wel een boom, maar dan menselijker, alsof het ook gevoelens en een geweten heeft. Het rare was dat ik geen angst voelde, ik voelde juist een connectie tussen ons tweeën en reikte mijn hand naar hem uit.

Met ons eerste aanraking was het alsof alles om on heen op stop was gezet.
‘’Audrey, ik ben Guido jouw gids,’’ sprak hij tegen mij. Ik keek hem vragend aan. Hij vervolgde zijn verhaal. ‘’Jouw ouders waren de beschermers van de boom des levens, maar ze kwamen om in een gevecht tegen Hedeon. Hij wilde de boom des levens wegkappen, maar gelukkig hebben de beschermers, zoals jouw ouders hem verslagen.’’ Opeens grijnsde hij. ‘’Over ouders gesproken. Chad en Fenna, zij hebben jouw niet zomaar gevonden die ene nacht. Zij waren de vrienden van jouw ouders en jouw ouders maakten hun jouw peetouders en daarmee ook jouw beschermer en bewaker.’’
Hij gaf mij een ketting met een boom hangertje, precies hetzelfde boom dat op mijn linker arm staat. ‘’Maar dit hangertje, het lijkt wel…’’ ‘’Dit is een geschenk van jouw ouders. Het is het teken van de bewaker van de boom des levens, Chad en Fenna hebben deze ketting ook,’’ onderbrak hij mij.
‘’Maar…betekent dit dat ik ook een bewaker ben?’’ vroeg ik met grote ogen. ‘’Nou, tot dat de tijd rijp is,’’ en met die woorden werd alles weer normaal.
Ik keek om me heen en vloog mijn ouders in de armen.
Ik maakte mama en papa gerust en stelde hun voor aan Guido, maar blijkbaar kende ze elkaar al. Nadat ik papa en mama had uitgelegd wat er gebeurde tussen mij en Guido, bleef hij bij ons voor de zekerheid.

Het is onderhand al zes jaar geleden dat dat allemaal is gebeurd en in de tussentijd heb ik al een hoop bij geleerd en ben erachter gekomen dat ik magische krachten heb en met behulp van Guido leerde ik hoe ik de natuur kan beïnvloeden zonder haar te verwonden, ik had altijd al een klik met de natuur, maar ik wist niet dat het zo’n soort klik was. Guido was onder de indruk van mijn leer tempo en hij leerde mij ook andere dingen die wel nuttig zouden kunnen zijn.
Een paar dagen voor mijn achttiende verjaardag merkte ik vreemde dingen op. Ik hoorde stemmen en kreeg steeds pijn scheuten. Ik vertelde dat tegen papa, mama en Guido.

Guido zuchtte. ‘’Het is begonnen.’’
Ik keek hem niet begrijpend aan. ‘’Wat is er begonnen Guido?’’ vroeg ik.
‘’Het is geen toeval dat jij dat op jouw arm hebt,’’ zei hij serieus. ‘’Jij bent namelijk een van de uitverkorenen om de boom in leven te houden.’’
‘’Maar…waarom groeide ik hier dan op als ik een uitverkorene ben?’’
‘’Dat is voor jouw jeugd, want als je je jeugd daar doorbracht en mensen wisten dat jij een uitverkorene bent dan groeide je daar op met heel veel druk op jouw schouders. En dat wilden jouw ouders niet en daarom ben je hier naartoe gestuurd, voor een beter jeugd,’’ hij keek even naar mijn ouders die al een tijdje niks hadden gezegd en keek mij weer aan. ‘’Die symptomen betekent dat de boom jouw nodig heeft en dat jij er klaar voor bent. Als je wil kunnen wij op jouw verjaardag al vertrekken.’’
‘’Sorry, maar ik…ik moet even alleen zijn,’’ ik rende naar buiten met tranende ogen.
Ik weet niet hoe ik dit gevoel moet omschrijven. Ik ben zo in de war, maar ik wil mijn ouders ook niet teleurstellen, beiden niet. Ik hield de ketting en wist dat ik gauw een beslissing moet nemen.
Een paar dagen hierna was het zover. ‘’Mijn beslissing is dat ik mee ga om te helpen en mijn taak te doen net zoals mijn ouders dat hadden gedaan,’’ zei ik zo moedig mogelijk. Guido opende een portaal. ‘’Komen jullie niet mee?’’ vroeg ik aan mijn ouders. ‘’Wij zien jouw wel aan de andere kant, lieverd,’’ zei mijn moeder en blies mij een kus. ‘’Ben je zover?’’ vroeg Guido. Ik knikte.
Samen met Guido stapte ik het portaal binnen niet wetend wat er aan de andere kant plaatsvind.

Mijn liefste

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Herinner je je mij nog? Ik was dat meisje ja, dat een foto van jou maakte vanuit mijn slaapkamerraam. Ik was dat meisje, dat toen per ongeluk haar flits aan had staan op haar Black Berry met touch screen. Ik was ook het meisje, dat zich kapot schaamde toen jij aanbelde bij mijn huis en mijn moeder opendeed. “Goedemiddag mevrouw, ik stond gewoon rustig een balletje te schoppen met mijn vrienden en ineens zag ik dat er een foto werd gemaakt van ons vanuit uw huis. Ik dacht ik bel even aan om het te zeggen, wij vinden dat niet zo fijn namelijk.” Ik hoorde het en kon wel huilen, wat bezielde me, vond ik je leuk? Vond ik het leuk om een foto te maken? Wat was het idee erachter, of was het maar een stomme impulsieve handeling. “Oh jongen wat gek, ik heb een dochter en zal haar vragen of zij die foto maakte, het spijt me voor het ongemak, fijne dag nog, ja dáág!”

Dit was onze eerste ontmoeting, zo zou je het kunnen noemen, denk ik. Maar het grappige is dat alleen ik deze kennis bezit, jij weet van niets.

De tweede keer dat wij elkaar zagen was zo ongeveer tien jaar later. Gek hè? Hoeveel er kan veranderen in tien jaar, mensen kunnen je zeer verassen, zowel qua uiterlijk als innerlijk. Ik stond gewoon gezellig met wat vriendinnen in een bar, vrijdagavond rond een uur of tien, toen jij binnenkwam. Ik spuugde bijna mijn drankje uit, want ik herkende jou meteen. Sommige dingen uit het verleden onthoud je voor eeuwig, vooral beschamende gebeurtenissen. Je was met wat vrienden en ik had al zo’n vermoeden dat je op ons af zou stappen, daar leek je me wel het type voor. Stoere bink, altijd in voor een geintje en vooral soepel met meiden. Maar een meisje zoals ik, daar had je enigszins moeite mee. Ik was niet onder de indruk van slappe praatjes, en ergens voelde ik aan dat jij ook maar een masker voorhield. Je was veel intelligenter dan de woorden die je sprak. Toen zei ik opeens: “Herken je mij nog?” Je keek me nogal verbaasd aan en zei rustig: “Nee, helaas.” Teleurgesteld maar ook begripvol antwoordde ik: “Ah joh, maakt ook verder niet uit, het gaat om het nu, is het niet?” “Mag ik op zijn minst vragen hoe je heet, schoonheid?” Met mijn mooiste glimlach zei ik: “Lydia, knapperd.”

Nu lopen we hier als gekke toeristen rond in Parijs, enorme romantische wandelingen makend, goedkope restaurants bezoekend en ik ben smoorverliefd. Wie had dat ooit gedacht, dat ik in staat was om lief te hebben. Ikzelf misschien nog wel het minst van iedereen. Tot op de dag van vandaag heb ik je nog steeds niet verteld dat ik jou dus al ken vanwege ‘het incident’. En je vraagt er ook niet naar. Waar gaat onze toekomst heen, wie zal het zeggen? Wonend op een onbewoond eiland, of werkend in een veel te drukke stad. Zwoegend en tierend over de opvoeding van onze kinderen. Of iedere avond uit, lachend en dansend samen met zijn tweeën. Het zijn scenario’s die ik me zo goed kan inbeelden, dat ik mij weleens afvraag of ze werkelijkheid zijn. Het voelt zo fijn en zo echt, dat ik het bijna soms tegen jou zelf zeg. Maar in dat opzicht verschillen wij het meeste, jij wil leven in het nu en ik leef vaker in het verleden en de toekomst. Ik ben altijd al afwezig geweest, dat hoort gewoon bij mijn karakter. Dan zijn we weer terug in Amsterdam, in ons veel te kleine appartement.

“Ly, zullen we vanavond Toko Vonn bestellen? Lekker filmpje kijken ofzo?”

“Dat vind ik een goed plan mijn liefste” hoor ik mezelf zeggen, maar ik meen het niet.

Met mijn gedachte zit ik ergens in Moskou, we wonen in een kille flat en hebben een kindje geadopteerd. Ik werk als spion en doe onderzoek naar de persvrijheid, of eerder het gebrek daarvan. Jij hebt stiekem een affaire met een veel te knap Russisch model, waar ik niet tegen op kan met mijn blonde haren en mooie lichaam. Ze is in haar gezicht namelijk veel te knap.

Dagdromen, dagdromen en te veel fantasie, dat is mijn probleem. Hier in Amsterdam hebben we het fijn, ik ben gelukkig en tevreden, maar soms vraag ik me af of ik te snel in zee ben gegaan met jou. Jij bent een plaatje, ik meen dat serieus, maar het is niet genoeg. Je hebt meer diepgang dan een gemiddelde jongen, dat is ook een feit, toch is het niet genoeg voor mij. Ik heb eigenlijk nooit de kans gehad om mijzelf te ontdekken en het leven te verkennen, ik ben bovendien nog erg jong. Wat weet ik nou? Wat weten wij nou, überhaupt? Niets, is het antwoord, maar het voelt zo vervelend.

Toen ik zestien was beeldde ik mij ook al vaak in dat ik een soort perfect gezinnetje zou hebben later, getrouwd, twee kinderen, stereotype gelukkig. Verjaardagen met eindeloos veel gasten, een huwelijk met eindeloos veel gasten. Maar geluk zo eindeloos nep, dat het mij kapot zou maken. Het échte leven, dat is waar ik aan toe ben, nu. En ik hoop dat ik het zal vinden en beleven, dus daarom mijn liefste, maak ik het uit met jou. Liefkozend, Lydia.

Eindelijk zonder ouder!

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Eindelijk zonder ouders!

Ik zit in mijn kamer. Morgen is het zo ver. Mijn moeder is erg gestrest. Mijn vader zegt dat het allemaal wel goed komt en dat hij weet dat ik het aan kan. Mijn moeder heeft al 15 keer gekeken of ik alles in mijn tassen heb zitten. Vanavond gaan we naar een restaurant om het te vieren. Want het is niet zo maar iets, studeren. Morgen ga ik er met de trein naar toe. Ik heb wel een raar gevoel in mijn buik. Ik denk dat ik het gewoon een beetje spannend vind. Ergens zonder je ouders gaan wonen. Het is een grote overstap. Je moet ineens alles zelf doen. Gelukkig ga ik samen met mijn vriend Luuk. Dan ben ik toch niet echt alleen. Het rare gevoel in mijn buik wordt minder. We zitten met z’n allen in het restaurant. Het is een beetje een donker hok en het is er muisstil. Niemand zei iets tegen elkaar. Het is niet bepaald wat je noemt een gezellig afscheid. Eenmaal thuis ga ik maar vroeg naar bed. Morgen weer vroeg op!

Terwijl ik afscheid van mijn ouders neem roept Luuk: Hé jongen schiet eens op, anders komen we te laat! Ik stap snel in de trein en we gaan. Na een tijdje zijn we er bijna. De ouders van Luuk komen Luuks kleine autootje brengen. Dat is in ieder geval iets. We gaan het huisje in richten. Daarvoor moeten we naar veel winkels. Even later hebben we een hele boel dingen gekocht: wasmachine, koelkast, bank enzovoort. Ook zoeken we de supermarkt het dichtst bij, om eventjes wat eten kopen. We hebben genoeg tijd om aan ons ouderloze leventje te wennen, want het is nog een half jaar voordat we naar school moeten.

Een maand later komen we erachter dat onze wasmachine een vieze dikke stof laag over onze kleren gooit. Dus wij gaan terug naar de winkel en we krijgen ons geld terug. Daar kopen we een nieuwe voor. We zetten hem thuis, maar we weten niet hoe we het aan de praat krijgen. Dus we lopen terug naar de winkel om een handleiding te halen. Als we onderweg zijn naar de winkel komen twee mannen op ons af. Luuk zegt tegen mij dat hij ze niet vertrouwt. Wij keren om en gaan precies de ander kant op. Langzaam lopen wij steeds sneller. De mannen doen dat ook. Ze hebben allebei hetzelfde shirt aan. Van voren komt nog iemand aan met precies dat zelfde shirt aan. We gaan links in een straat en we lopen een rondje zodat we toch naar die winkel kunnen. We zijn er bijna, maar een van de mannen duwt ons een steegje in. De andere pakt een mes. We rennen snel naar de andere kant van het steegje, maar daar komt de derde man in het steegje gelopen. Gelukkig gaat er een klein steegje naar rechts. We rennen tot het eind en gaat de winkel in. De mannen komen ook de winkel in. Luuk zegt dat als we er lang blijven dat ze dan wel weg gaan. Op dat moment is het 15:00 uur. We vragen naar de handleiding. Ze zeggen dat er een handleiding in de wasmachine zit. We lopen verder de winkel in. Luuk zegt: we hadden eerst beter in de wasmachine kunnen kijken, dan was dit nooit gebeurd.

Het is nu 19:55. “De winkel sluit over vijf minuten” wordt er om geroepen. We zien de mannen nergens meer. Luuk zegt dat hij even naar huis rent om de auto te pakken en daarna mij op te halen. Dat vind ik geen goed idee. We rennen samen naar huis. Thuis zien we inderdaad de handleiding en we krijgen de wasmachine aan de praat. We gaan slapen. Om 00:29 maakt Luuk mij wakker en zegt dat er in gebroken wordt. Hij heeft de politie al gebeld. We kijken bij de trap naar beneden. Het zijn weer dezelfde drie mannen. Ze zeggen dat “het” hier moet liggen. De politie valt binnen en ze arresteren de mannen. De mannen hadden een sleuteltje gevonden. De politie zegt dat het een schat kan openen en vragen of wij daar iets van weten. Maar wij weten van niks.

De politie gaat de schat zoeken en vindt de schat achter een muur. Er zit een hoop geld in. €100.000,- om precies te zijn. Er ligt een briefje bij waarop staat geschreven dat het voor de bewoner van het huisje is. Wat een fantastisch nieuws! Wij zijn ook een beetje verward, want wie legt er nu €100.000,- in een doosje? Vijf maanden later beginnen we aan onze studie. Wel met genoeg geld, maar dat maakt school niet leuker. Het enige wat ik leuk vind aan studeren is dat je van je zeurende ouders af bent.

Geslaagd!

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Geslaagd!

Stefan is aan het opruimen in zijn kamer. Zijn kamer ligt vol met boeken en schriften. Hij is alle schoolspullen van de middelbare school aan het verzamelen. Hij zit nog 1 week op de middelbare, dan is hij klaar. Ten minste dat hoopt hij, ze moeten de uitslag van het examen nog krijgen. Hij wil de avond van de aller laatste school dag met zijn vrienden alle spullen gaan verbranden die hij nog heeft van de middelbare school. Maar hij moet eerst alles verzamelen, en nog 1 week wachten. Hij gaat veder met het zoeken van spullen. Dan komt hij een roze brief tegen, die krijg je als je uit de les wordt gezet. Hij weet dat hij er veel heeft gehad, maar van wanneer is deze? Opeens weet hij het, het was zijn aller eerste roze brief. Hij kon zich niet meer herinnerde waarom hij die had gekregen, en wat erop stond kon hij ook niet meer lezen. Hij dacht: die roze brief gaat als eerst het vuur in.

3 dagen later krijgen ze de uitslag van het examen. Stefan gaat met zijn vader, moeder en zijn zusje naar school. Heel de aula zit vol. Om 19:45 begint het. Het gaat op alfabetische volgorde van de voornamen, dus het duurt wel even voordat Stefan aan de beurt is, hij wacht gespannen af. Rond 20:45 is het pauze, iedereen gaat even iets te drinken halen in de kantine. Om 21:00 gaat het weer veder. Om 21:30 wordt Stefans naam eindelijk omgeroepen, hij mag naar voren komen. Stefan…… Je bent GESLAAGD! ‘Jeahhh’ is Stefans reactie. Hij loopt terug naar zijn gezin, en krijgt en kus van zijn vader en moeder en een roos van zijn zusje. De avond duurt nog tot 22:00 en dan gaan ze naar huis. De volgende dag is het woensdag, hij moet nog 2 dagen naar school. Die dagen vliegen voorbij want er is niet veel meer te doen op school.

Het is donderdag avond. Stefan heeft al zijn schoolspullen in 2 grote kisten gedaan. Over 15 minuten gaat hij naar zijn vrienden toe. Dan kan alles van de afgelopen 6 jaar worden verbrand. 20 minuten later komt hij bij zijn vriend Wouter aan, de rest van de vrienden zijn er ook al. Eerst maken ze het vuur aan. Als het goed brand, gooien ze de eerst spullen erop. Bij Stefan is dat natuurlijk zijn roze brief. Als alles op de stapel ligt, gaan ze marshmallows roosteren boven hun schoolboeken. Als alles is weggebrand gaan ze allemaal naar huis, het was een gezellige avond.

De volgende dag is het vrijdag hij gaat vast wat informatie opzoeken over de universiteit waar hij maandag begint. Hij wil iets gaan doen in de richting van techniek, met robots. Hij bekijkt de lijst met wat hij maandag allemaal mee moet nemen. Alleen zijn etui, dat is makkelijk. Maar dan bedenkt hij zich opeens, ik heb ook nog een OV-chipkaart nodig. Want de universiteit is in Leiden, hij moet dus 75 minuten met de trein. Hij kijkt op internet, je kunt het ook via internet doen. Hij vult meteen zijn gegevens in en ontvangt binnen enkele minuten een bevestiging via de mail dat alles gelukt is en dat hij zijn kaart maandagochtend kan ophalen op het station. Het weekend verloopt rustig zaterdag moet hij voetballen en zondag gaat hij naar zijn familie.

Maandag is het dan zover hij gaat voor de eerste dag naar de universiteit, hij vindt het wel een beetje spannend. Want alles is natuurlijk nieuw. Om 08:00 zit hij in de trein naar Leiden. 75 minuten later komt hij op het station in Leiden aan. Hij moet een klein stukje lopen naar de universiteit. Daar staat zijn begeleider hem op te wachten.

Om 17:00 zit hij terug in de trein op weg naar huis. Het was een leuke eerste dag, maar het was natuurlijk wel wennen. Want de overstap van de middelbare school naar de universiteit is natuurlijk wel groot. Maar het echte werk is nog niet begonnen. De eerste weken zullen vooral in het teken staan van kennis maken met het vak en de andere leerlingen. Als de eerste paar weken voorbij zijn gaan ze beginnen met de eerste opdracht. Het is al meteen een lastige opdracht maar het verloopt allemaal goed. Stefan heeft het erg naar zijn zin, en is ondertussen ook al gewend aan de universiteit. De overstap ging beter als verwacht.

Harten trein

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Ik kijk nu al twee uur stiekem naar zijn haar, zijn ogen, zijn lippen, hoe zijn blik zo kalm staat en toch zo energiek. Het liefst zou ik foto’s maken en ze ophangen. Praten durf ik niet. Kijken… dat heel voorzichtig wel. De kleur van groene weilanden razen achter hem voorbij. Met de gouden zonnestralen die zijn ogen laten schitteren, is hij misschien wel het mooiste wat ik ooit heb gezien. Ik zal het nooit delen met een ander, dat ik hier zo stilletjes heb zitten genieten.

Ik vraag mezelf af… ben ik de enige? Zijn er nog meer die jouw schoonheid zien zoals ik? Mijn buik zit vol vlinders. En dat zonder enig contact. De hele twee uur kijkt hij alleen nog maar naar buiten. Hij heeft nog maar een half uur om mijn gedachten zo op hol te brengen als nu. Hij heeft geen idee. Of misschien wel, ik hoop het niet. Dan zal de rust verstoord worden.

Hoe zou hij klinken, ruiken en voelen? Het is alsof ik samen met hem alleen op de wereld ben. Zo benieuwd, maar ook zo bang. Ik kijk hoe hij rustig zijn ogen dicht doet en ze even laat rusten. Gefascineerd doe ik hetzelfde. Maar het maakt geen verschil, ik zie hem nog steeds. Is dit liefde op het eerste gezicht? Mijn moeder zou zeggen van niet, hij heeft mij immers nog niet eens opgemerkt. Maar oh laat het hem doen. Laat hem mij opmerken, laat hem dit ook voelen. Laat hem vlinders voelen. Zo fladderend als die van mij dat doen. Misschien is het geen liefde op het eerste gezicht, maar is het dan verliefdheid?

Ik doe mijn ogen na een lange tijd open. Ik schrik, want hij zit er niet meer. Ik kijk naast me uit het raam en zie dat we zijn in Amersfoort aangekomen. Paniek slaat tot me toe. Wat moet ik doen, ik zal hem nooit meer zien! Ik pak m’n jas en tas en val bijna als ik opsta. Ik ren naar de deuren en spring naar buiten. Het station staat vol mensen en de moed zakt me in de schoenen. Zo vind ik hem nooit meer terug! Toch begin ik richting de stationshal te rennen. Mijn ogen scannen de ruimte. Ik voelde de tijd tussen mijn vingers glippen tot plots in de verte zijn gezicht opdook. Ik geef mezelf snel een peptalk en probeer met een zo normaal mogelijk, snelle pas naar hem toe te lopen. Hij loopt de trap af bij spoor vier. Nee! Hij heeft een overstap. Ik begin weer te rennen. Ik ben nog maar twee stappen van hem verwijderd.

Ik tik hem op de schouder. Hij draait zich rap om en kijkt me verward en gehaast aan. ‘Ik weet dat je haast hebt, maar alsjeblieft blijf nog even hier.’ Ik sla een hand voor mijn mond. Ik voel de hitte omhoog komen en doe een stap naar achter. Zijn ogen beginnen te stralen en zijn mondhoeken krullen omhoog. ‘Waarom zou ik nog even moeten blijven?’ Hij geeft me een speelse blik. Het voelt alsof mijn hart stil staat. Tintelingen gaan door mijn lichaam en mijn mond zakt open. ‘Mijn trein gaat pas over zeven minuten. Is dat lang genoeg?’ Ik knik. ‘Ik ben Nicole.’ Het blijft even stil en hij blijft me alleen lachend aankijken. Toen trok hij eindelijk zijn mond open. ‘Tristan. Wil je even ergens gaan zitten?’

Zes minuten lang hebben we naast elkaar gezeten en gepraat. Toen moest hij toch echt zijn trein in, op het opstapje bleef hij nog even staan en draaide zich naar me toe. ‘Wil je niet met me mee komen?’ Ik begin te stotteren maar hij pakt mijn hand en trekt me mee naar binnen.

Tegenwoordig is zijn overstap ook mijn overstap.

Verhuisd

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Verhuisd

‘’En toch valt het mee!’’ zegt Aukje. ‘’Mijn oude school en vrienden waren leuk en aardig, maar ik voel me hier ook al erg thuis. ‘’Aukje is net verhuisd vanuit Rotterdam naar Delft en is deze week volop aan het wennen aan de nieuwe buurt. Ze gaat overmorgen voor het eerst naar haar nieuwe middelbare school… ‘’Kom op, wakker worden!’’ roept Marga, de moeder van Aukje, als ze haar probeert wakker te maken voor haar eerste dag op haar nieuwe school. ‘’Jaaahaah! Ik kom al.’’ roept Aukje vanuit haar kamer. Ze loopt naar beneden en gaat zitten aan de tafel. ‘’Mam, mam, waar is de boter nou weer?’’ vraagt Aukje aan haar moeder. ‘’Die pak ik wel even. Maar schiet wel op, want het is al best laat. Over een halfuur moet je op school zijn.’’ zegt Marga. ‘’Jaja, ik schiet al op.’’ zegt Aukje snel. Ze wast zich even en poetst haar tanden voor ze op de fiets stapt om te vertrekken naar school op de fiets. ‘’Binnen een kwartier kan ik op school zijn, als ik doortrap tenminste.’’ denkt Aukje. Als ze op school is opent ze magister op haar telefoon om te kijken in naar welk lokaal ze zo meteen moet gaan. Aukje loopt richting haar lokaal en ziet daar een groepje meiden staan die waarschijnlijk bij haar in de klas zitten, omdat ze bij hun lokaal staan. Als ze beter kijkt ziet ze Britt en nog een paar andere vriendinnen die ze nog kent van de kennismakingsmiddag en WhatsApp: de klassenapp als voorbeeld. ‘’Hey’’ zegt Aukje haar nieuwe vriendinnen. Waar ze gewoon geen antwoord op krijgt. De groep meiden keren zich weer om en kletsen verder. ‘’Hallo’’ schreeuwt Aukje bijna. Britt kijkt op en ziet nu pas dat het Aukje is. ‘’Oh sorry!’’ zegt Britt tegen Aukje. ‘’Sorry dat ik je niet eerder zag. Tja, we kennen elkaar ook nog niet zo lang. Daar zal het wel aan liggen.’’ lacht Britt. De wiskunde lerares maakt de deur van het lokaal open en iedereen gaat naar binnen. ‘’Zullen wij langs elkaar gaan zitten?’’ vraagt Aukje aan Britt. Waarop Britt nog niet een kan antwoorden of de strenge wiskunde lerares er al doorheen begint te schreeuwen: ‘’Geen sprake van! Ik heb zelf een plattegrond voor deze klas, dus die wordt dan ook gebruikt. Aukje, Aukje heet je toch? Ga anders maar links achterin bij Joshua zitten.’’ ‘’Onee, niet bij Joshua.’’ zegt Britt zachtjes. ‘’Waarom niet langs Joshua?’’ vraagt Aukje aan Britt. Waarop Britt antwoordt: ‘’Dat is de pestkop van de school!’’ ‘’Dan viel het toch niet zo mee als ik dacht: De overstap.” puft Aukje.

Zes minuten

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Het waren die driehonderdzestig levensveranderende seconden tussen de trein richting Utrecht en de trein richting Schiphol Airport. Het was die tien procent van een uur, die nul komma zeven procent van een etmaal. Het waren die zes minuten, die ze anders zou verspillen aan doelloos gestaar, die haar leven deden keren.
Het is niet totdat de treindeuren een altijd-gehaaste groep mensen naar buiten laat, de kille wind haar huid verkoelt en ze zich een weg baant door de menigte naar spoor zeven, dat het nieuws haar bereikt. Een jongen, net zoals zij slechts zeventien lentes jong, is voor de trein gesprongen.
“Dat vind ik nou zó egoïstisch!”, vangt ze op van een middelbare vrouw die haar verontwaardiging lijkt te uiten tegen een conducteur. Ze besluit haar te negeren en gooit haar rugzak naast een bankje. Net wanneer haar billen het koude metaal raken, vangt ze de blik van een rijpere man. Zoals de rimpels in zijn huid verklappen dat hij al meerdere generaties heeft zien opgroeien, verklappen zijn ogen dat het nieuws hem niet in de koude kleren is gaan zitten. Hoewel dit niets voor haar is, begint ze een gesprek.
“Dat is niet niks, hè?” Het moment dat ze de woorden uit haar mond hoort komen heeft ze al spijt van haar onverschillige woordkeuze. Hij draait zijn hoofd naar haar toe en zegt geschokt dat hij even oud als zij moet zijn geweest. Ze knikt. Hij draait nu zijn hele lichaam naar haar toe, en pakt met zijn twee handen de hare. “Beloof je me”, hij pauzeert om te slikken, “dat jij het nooit zo ver zou laten komen?” Zonder er langer over na te denken begint ze hevig haar hoofd te knikken. Het is pas op dit moment dat de nieuwsgierigheid in haar ontwaakt.
“Waarom heeft hij het gedaan?”
“Ja, waarom doen mensen wat ze doen?”
“Iedereen handelt met een reden. Was hij depressief?”
Hij schudt zijn hoofd: “Niet meer dan jij of ik.”
Haar trein arriveert zoals beloofd op spoor zeven en ze kijkt op haar mobieltje. Ze heeft nog drie minuten, honderdtachtig seconden, om met deze man te praten.
“Waarom zou hij zelfmoord hebben gepleegd?”, vraagt ze aan zowel de man als zichzelf.
Ze kijkt naar de rijpere man, wiens blanke huid nog bleker lijkt geworden. Hij schraapt zijn keel en deelt met een heldere maar zware stem mee: “Het enige zekere in het leven is de dood.” Ze knikt, zoiets had ze eerder gehoord. Wie geen zekerheid meer ziet, zoekt het bij de overstap naar welke eeuwigheid dan ook op ons wacht. De man kondigt zijn vertrek aan, schudt met een stevige greep haar hand als afscheid en loopt, nadat hij moeizaam is opgestaan, traag naar een ander spoor. Ook zij pakt haar rugzak en wordt verwelkomd door de open deuren van de trein die al even op haar wachten.
Wanneer de trein optrekt en haar eerder gedetailleerde uitzicht verandert in een waas door de hoge snelheid van de trein, dringt het tot haar door. Zo plotseling als de dood voor deze jongen kwam, komt voor haar het existentiële besef. Ze laat haar huid en haren verwarmen door de felle zon die door het raam breekt en sluit haar ogen. Ze sluit haar ogen en schrijft, in haar hoofd, een brief aan zichzelf.
Beste Meisje,

 Het leven gaat niet altijd over rozen en de dood is niet altijd een doorn. Sterker nog, er zijn geen rozen zonder doornen. De overstap van levend tot dood voor een scholier zoals ik, heeft vormgegeven aan mijn overstap van trein tot trein. Zoals de rijpere man zei, is de dood het enige zekere. Wat daarna komt is echter wederom onzeker. Niemand van ons komt hier levend vandaan, dus: leef. Waardeer de koelte van de wind en de vertrouwde warmte van de zon. Neem dat tweede koekje en voel je erna niet schuldig. Voel met je voeten de sneeuw in de winter en laat in de zomer het zand door je vingers glijden. Zwem in de zee en zwem in de regen. Zie de wereld en wees aardig.

 HFK

Spoor 7

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Je staat op het station te wachten op de trein. Voor je zie je aan de overkant van het spoor een perron. Daarachter nog een en daarachter nog een. Helemaal achteraan komt een sprinter binnengereden. Na een tijdje rijdt die weg. Maar dan zie je ineens een andere trein. Achter de sprinter. Het is een lange, hoge, knal gele trein. Zo hoog dat je het dak ervan niet kan zien. Je vraagt je af hoe die ooit binnen is komen rijden. En dan merk je dat de grote van de trein niet het enige is wat niet klopt. Je ziet mensen uitstappen. Maar je ziet geen deuren. Op de plekken waar de mensen de trein uit komen zie je een soort wit licht. Je kijkt naar de ramen van de trein maar je kan niet ziet wat daarbinnen gebeurt.

En de mensen die er uitstappen zien er ook niet helemaal normaal uit. Je weet niet precies wat er mis is met ze. Ze zijn net zo lang als mensen, dragen normale kleren, gewone kleur huid, haar en ogen maar toch hebben ze iets dat ze niet menselijk maakt.

Dan stapt er een vrouw uit. Ze kijkt om zich heen en dan kijkt ze ineens recht in je ogen. Het is alsof de tijd stilstaat. Jij kijkt naar de vrouw en zij kijkt naar jou alsof je een dier bent in de dierentuin. Dan laten haar ogen je los. De trein begint te rijden en verdwijnt uit beeld. Op de plek waar de trein stond is nu goudgeel licht. Alsof er lampen op schijnen. Of nee, het is meer alsof de trein zelf dat licht uitstraalde en dat het licht even is blijven hangen. Je kijkt om je heen maar er is niemand anders die naar dat perron staart zoals jij. Je vraagt aan degene die naast jou staat of hij die grote gele trein ook heeft gezien? De man haalt zijn schouders op en loopt weg. Je vraagt nog een paar mensen maar niemand heeft het gezien. Je rent het perron af. Er is een hal die alle perrons met elkaar verbindt. Je telt hoeveel perrons er tussen jou en de gele trein zaten, 3. dan moet de trein op spoor 6 of 7 gestaan hebben. Je loopt door de hal langs perron 3, 4 en 5. Maar dan bots je tegen een muur op. Spoor 6 en 7 bestaan helemaal niet! Aan de informatiebalie vraag je of er ooit een perron met spoor 6 en 7 heeft bestaan maar de vrouw achter de balie zegt van niet. Je gaat weer terug naar je eigen perron. Het vage perron is weg! Het enige wat er nog over is, is  dat goudgele licht. Je knippert een paar keer en wrijft in je ogen. Als je nog een keer kijkt is ook het licht verdwenen. Teleurgesteld loop je naar beneden. Je hebt je eigen trein al gemist.

Dan ineens zie je de vrouw. De vrouw die uit die trein was gestapt en je zo had aangekeken. Dan zie je wat er zo raar is aan haar en aan de ander mensen die uit die trein stapten. Om zich heen heeft ze het zelfde goudgele licht als de trein. Je haast je achter haar aan en vraagt waar ze vandaan komt en waar de trein naartoe is. Ze geeft geen antwoord en probeert je af te schudden. Maar je houdt vol. Je blijft haar volgen en je blijft vragen wat er gebeurd is. Ineens zeg je “U mag hier helemaal niet zijn!” Je weet niet waarom je dat zegt of wat je er mee bedoelt. Ze verstijft en draait zich om. “En jij hebt niks gezien.”

 

Hoog in de lucht

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Ik ren voor mijn leven. Er zit een gat zo groot als een kogel in mijn borst. Mijn wonden bloeden en mijn adem stokt.

Als ik mijn ogen open is alles om mij heen wit, er staat een groepje mensen om mij heen en ze kijken me nieuwsgierig aan. Met een schorre stem vraag ik ‘waar ben ik?’. Een kale man met een vriendelijk gezicht zegt: ‘loop maar mee’. We lopen over de witte watten, en dan zie ik het. We staan op een wolk! Beneden ons is een mistig aardoppervlak, mijn hoogtevrees slaat toe en ik loop weg van de rand. Ik snap niks meer van de hele situatie en vraag: ‘ben ik in de hemel?’ De man, die zichzelf voorsteld als Guyan verteld dat dit niet het geval is ‘Toen we je vonden was je bijna dood, we besloten je mee te nemen zodat je je verdere leven hier in rust kunt leiden.’ En zo begon mijn leven op de wolk…….

Passerende wolken werden begroet en bewonderd. Elke wolk heeft zijn eigen vorm, grootte en unieke inwoners. Regelmatig lig ik op mijn rug en kijk ik naar alle wolken. Het mooiste moment van de dag is de zonsondergang, wanneer alle wolken roze, oranje en geel kleuren en vervolgens verdwijnen in de sterrennacht. Onze wolk is die van de muziek en de zang, er zijn ook wolken met verhalen of met kunst. We leven allemaal in een perfecte wereld, maar zullen dit nooit weten omdat we niet kunnen vergelijken. Elke dag hoop ik weer die ene wolk te zien,steeds weer word ik gefascineerd door het onheilspellende donker en de rituele dans van de menigte in gouden gewaden, waarna er een stroom aan water op de aarde neerstort. Met jaloezie kijk ik dan naar de dansende menigte, en dan beeld ik mij in dat ik daar op een dag ook met zoveel passie sta te dansen.

Verstoord kijk ik op naar het lachende gezicht van Wanda. Wanda is mijn beste vriendin. Onze band is heel speciaal, het gebeurt niet vaak dat personen op de wolk een gezamenlijke voorgeschiedenis op aarde hebben. Haar haar is zo zwart dat het een blauwe gloed heeft, ze is kleiner dan ik. Haar sproetjes en de kuiltjes in haar wangen lachen altijd met haar mee. Ze is net als iedereen op deze wolk altijd vrolijk. Samen lopen we naar de plek waar het orkest zo gaat spelen. Iedereen heeft een taak, er zijn veel verschillende instrumenten met elk een eigen geluid. Wanda en ik zingen de vrolijke melodie. Met zoveel muziek maken brengt een vorm van extase met zich mee. Maar deze keer ben ik afgeleid, denkend aan hoe het zal zijn om te dansen.  

S’nachts droom ik over de donkere regenwolk. Maar steeds word ik wakker geschud door mijn plichten op deze plek. ook kan ik mijn vrienden niet achterlaten. Anderen wijzen mij er steeds vaker op dat ik afwezig ben. Zelf snap ik ook niet waarom ik hier niet gelukkig ben. Op deze plek is het goed. Maar toch, op die andere wolk lijkt alles zoveel beter.

Op een warme zomeravond, als ik weer eens dromerig naar de donkere wolk kijk komt ze naast me zitten. Ik schrik van haar aanwezigheid. Kyrocota, de belangrijkste persoon op onze wolk kijkt me bezorgd aan. En ze zegt: ‘gaat het wel goed?‘ Eerlijk vertel ik dat ik hier niet gelukkig ben. Ze lijkt niet verrast door dit nieuws en zegt:’op deze plek is er vrede, liefde en muziek. Jij hoort hier te zijn, waarom verlang je nu naar zo’n donkere regenwolk?’. Ik sla mijn ogen neer en zeg: ‘het spijt me, maar ik wil liever dansen in de regen, dan zingen in de zon. Op die andere wolk lijkt alles zoveel beter, ik wil hier niet langer opgesloten zijn!’. Haar blauwe ogen kijken me verdrietig aan. Ze zucht diep en haalt een hand door haar rode krullen. Vervolgens mompelt ze: ‘als dit jouw wens is, wie ben ik dan om je tegen te houden?’.

Ik moest tweeënzeventig dagen wachten totdat onze wolk eindelijk naast de regenwolk hing. Ik kon nu voor het eerst het tafereel van heel dichtbij bekijken, het was nog spectaculairder dan ik ooit had durven dromen. Nu was het moment aangebroken om het nieuws aan de anderen te vertellen. Ik liep naar de plek waar het orkest speelde, iedereen was er. Met tranen in mijn ogen sprak ik. In hun ogen was het onbegrip te lezen, maar niemand hield mij tegen.  

Wanda rende naar mij toe en omhelsde me stevig, ze had tranen in haar ogen. Dit was de eerste keer dat ik haar verdrietig zag. Met een bevende stem vroeg ze me: ‘zou je echt niet bij me willen blijven?’. Even twijfelde ik, was dit nu echt de juiste keuze? Is de plek waar ik naartoe ga echt wel beter? En is de sprong het risico wel waard? Toch vermande ik me. Ik omhelsde Wanda terug en zei haar dat ik haar zou gaan missen. Toen liet ik haar los en wenste ik haar al het beste. Kyrocota gaf me een laatste knikje. Ik draaide me om, om naar de rand van de wolk te lopen

Om op die andere wolk te komen moest ik eerst een grote sprong wagen. Ik deed mijn ogen dicht en sprak mezelf goede moed toe. Toen ik mijn ogen opende was ik vastberaden, ook al werd het mijn dood, ik moest en zal het proberen. Met een bonzend hart nam ik een grote aanloop en rende ik tot aan de rand van de wolk die ik ooit de mijne noemde. Zonder te kijken naar hetgeen wat ik achterliet sprong ik over de rand van de wolk. In mijn gedachten was ik al geland, maar in werkelijkheid bewoog de donkere wolken steeds verder van mij af. Spartelend probeerde ik vooruit te komen, maar niets hielp. Ik stortte ter aarde, meegesleurd door de zwaartekracht.

 

 

 

Goal!

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Goal!

Het fluitsignaal klinkt, ik trap de bal naar voren, de voetbalwedstrijd is begonnen. Het is koud en midden december, maar de wedstrijd gaat toch door. Met rode wangen van de kou rennen we met 11 meiden over het veld. De meeste van ons hebben nog een dikke legging onder onze sportbroek, onze ouders staan juichend langs de kant. De scheidsrechter holt achter ons aan en de coach roept vanaf de zijlijn, schop de bal, je hebt ‘m. Na enkele minuten sta ik ineens alleen voor de goal, ik kijk, ik schop met mijn linkervoet tegen de bal en ja toen….goal ! het is 1-0. De wedstrijd zet zich voort en we winnen. Alweer. In het winterseizoen worden we kampioen. Zo ging het elk jaar weer, totdat ik de overstap maakte naar PSV, dat was het begin van mijn voetbal droom.

Jaren later, ik zit achter lange tafels samen met de coach en de trainers. Zo meteen begint de persconferentie, de zaal stroomt al vol met mensen, het zijn journalisten, fotografen en fans. Zo dadelijk wordt het grote nieuws bekend gemaakt: de eerste Nederlandse vrouwelijke voetbalster maakt de overstap van een Nederlandse voetbalclub naar een buitenlandse profclub en dan nog wel naar Barcelona. Na veel onderhandelen zijn de clubs de overnamesom overeengekomen. Deze loopt in de miljoenen wat hoogst ongebruikelijk is in het vrouwenvoetbal. In de eerstvolgende weken start ik vanuit een mooi en groot appartement in Barcelona met de trainingen voor mijn nieuwe club. Ik had al geoefend met de taal, maar ik kan mijn teamleden slecht verstaan. Ik kan wel goed Engels praten maar dat kunnen zij dan weer niet. Gelukkig is er wel iemand die goed engels spreekt dat is mijn coach. Samen oefenen we dag na dag op het grote voetbalveld in Barcelona. De competitie start en vol verwachting loop ik het veld op voor mijn eerste internationale wedstrijd.

Het fluitsignaal klinkt, ik trap de bal naar voren, de voetbalwedstrijd is begonnen. Het is warm in Barcelona en we rennen met 11 meiden over het veld. Onze gezichten lopen rood aan en het zweet drupt ervan af. De coach roept vanaf de zijlijn, schop de bal, je hebt ‘m. Dan sta ik ineens alleen voor de goal. Ik kijk, schop met mijn linkervoet en dan boem ! Ik lig ineens op de grond. De uit de kluiten gewassen en te grote keepster van de tegenpartij ligt bovenop me. Ik voel veel pijn in mijn been en moet me inhouden om niet te gaan huilen. De EHBO-ers komen het veld op, bekijken mijn been en dragen me met de brancard het veld af. Ik had me deze eerste wedstrijd heel anders voorgesteld. Na weken, maanden revalideren mag ik weer eens op de bank zitten bij mijn club. Is dit het einde van mijn voetbaldroom? Dan wordt ik ineens aangesproken door een kleine man in een vreemde taal. Ik kan hem niet verstaan. Hij heeft een kaal hoofd en baardje en een voetbalshirt aan van een club die ik niet ken. Dan in gebrekkig Engels stelt hij zich voor als Leo Bosman uit Tobaga. Een klein land nabij de Middellandse Zee. In dit land wonen alleen kleine mensen, de gemiddelde lengte is 1.30. Hij wil me graag aankopen als trainer voor zijn team. Na enig overleg samen met zijn 6 anderen collega’s kwamen we tot een overeenkomst en binnen enkele maanden ging ik op reis naar Tobaga. Ik mocht verblijven in een klein huisje en kreeg een klein autootje, een mintgroene Fiat 500. We hadden een club van 11 kleine voetbalsterren, die razend snel de bal rondspeelden op het grote veld en keer op keer wisten te scoren. Samen met mijn team hadden we al gewonnen van alle vrouwelijke clubs uit het land en uit de omringende landen. Tot ik op een dag mijn “oude” coach uit Barcelona weer tegenkwam. We planden een wedstrijd tegen Barcelona en van het een kwam het ander. In 2022 worden we voor het eerst kampioen in de Women World Championship Cup. Er zouden nog vele kampioenschappen volgen. Dan ineens “piep-piep-piep” mijn wekker gaat. Mijn moeder staat onderaan de trap te roepen dat ik eruit moet komen, ik moet naar school. Ik doe mijn ogen open en kijk verbaasd rond. Was dit nu mijn voetbaldroom of droomde ik van voetbal?

 

Voor de laatste keer

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Ik zit op de rand van mijn bed, starend naar mijn telefoon. Misschien ben ik nu sterk genoeg? Misschien heeft de tijd zijn werk gedaan? Misschien ben ik eindelijk klaar voor de overstap?

Het is allemaal begonnen in mei. We kregen een relatie en waren blij met elkaar. Elke zaterdag fietste je naar mijn huis zodat we samen konden zijn, het voelde gewoon perfect maar dingen begonnen te veranderen naar mate we een relatie hadden.

Een hele lange tijd heb ik na moeten denken over wat er mis is gegaan. Lag het aan jou of toch aan mij? Of waren we beide schuldig? Eerst dacht ik dat het door onze tegenslagen kwam. Ik met veel stress om mijn cijfers of jij die niet lekker in zijn vel zat. Onze gesprekken waren in die periode niet echt gesprekken meer. Het was net alsof ik een vreemdeling voor je was. Ik dacht dat je geen relatie meer wilde, dat je me niet meer leuk vond of dat je een ander had.

 Ik zit op de rand van mijn bed, starend naar mijn telefoon. Tranen rollen over mijn wangen terwijl ik hier aan denk maar ook laait er een woedde in mij op, waarom deed je er zo weinig tegen? Ik weet het niet, wat ik wel weet is dat ik al die tijd gelijk had.

Samen liepen we door het bos toen je het vertelde. Een goede vriendin van je, Elise, moest je iets vertellen. Iets dringends had ze gezegd. Ik wist gelijk dat ze je leuk vond. Ik probeerde te peilen wat je ervan vond. Je begreep me niet of je wilde me niet begrijpen, in ieder geval maakte elke minuut mij zenuwachtiger.

Vrijdag kwam dan eindelijk het verlossende woord, ik had gelijk gehad, ze vond je leuk. De enige vraag die door mijn hoofd spookte was waarom je bij mij zou blijven en niet naar haar zou gaan.

Een dag later zijn jullie gaan praten. Ik hield mijn hart vast en bereidde me voor op het ergste maar wat ik later hoorde overtrof alles. Zij had jou gezoend, jij haar niet maar zij jou. Verder wilde je er niks over kwijt, was je kortaf en mocht ik er niks over vragen.

Je had haar verteld dat je het met haar te doen had maar dat je een relatie had dus wat was mijn probleem?

Diezelfde avond ben je weer naar haar toe gegaan, je zei dat van praten niet echt veel was gekomen omdat ze na de zoen zo zenuwachtig was dat ze weg was gerend. Je wilde het goed met haar afsluiten omdat ze een goede vriendin van je was. Ik wilde niet dat je zou gaan maar ik kon je niet tegen houden, snapte je dan niet hoe ik me voelde? Zou je dit ook hebben gedaan als wij eens ruzie zouden hebben?

 Ik zit op de rand van mijn bed, starend naar mijn telefoon. Was zij dan zo speciaal? Zou hij dat ook voor mij hebben gedaan? Daarna was er een kleine periode dat ik weer hoop had. 1 zwarte pagina in een boek vol met witten was toch niet zo erg?

Je was op een feestje en belde mij spontaan, gewoon om te vragen of je nog berichtjes van mij had gemist, omdat je mijn stem wilde horen en omdat je met mij wilde praten. Ook tijdens de vakantie hebben we veel gebeld maar dat stopte plots toen je weer thuis kwam. Een grote ergernis kwam in mij naar boven en ik had je gevraagd mij niet steeds te negeren. De zwarte pagina lag toch achter ons?

Je begon steeds botter te reageren. Alles wat ik deed was dom en raar. Ik voelde me die periode heel naar en dacht dat ik misschien iets fout had gedaan. Het was toen ik de quote: “Do you ever just miss how someone acted when you first met?” las toen ik begreep waarom ik me zo voelde. Ik miste de oude jou. De jongen die lieve berichtjes stuurde als hij wakker werd. De jongen die niet midden in de nacht weg ging. De jongen die er voor me was.

De vraag bleef onbeantwoord. Alles maakte je boos en ik wilde het niet nog erger maken. De dag dat je naar me toe zou komen vroeg ik je om naar het meertje te gaan. Daar heb ik het je maar meteen verteld. Alles wat me dwars zat, alles wat ik dacht maar ook dat ik geen relatie meer met je wilde. Dit kwam hard aan en even had ik het idee dat je weer de jongen was geworden die ik had leren kennen.

 Thuis begonnen de huilbuien, ook al stond ik achter mijn besluit. Ik nam de telefoon niet meer op en heb mezelf toen 48 uur in mijn kamer opgesloten. De gedachte om alle foto’s uit mijn telefoon te moeten halen, onze gesprekken te moeten wissen, de liedjes uit mijn playlist te moeten halen en de gedachte dat ik dacht dat je Elise aan het bellen was, maakte alles er niet makkelijker op.

 Ik zit op de rand van mijn bed, starend naar mijn telefoon. Misschien ben ik nu sterk genoeg? Misschien heeft de tijd zijn werk gedaan? Misschien is het nu eindelijk tijd voor de overstap?

Ik denk het wel.

Starend naar de laatste foto van ons tweeën. De foto waar je blauwe ogen, dezelfde blauwe ogen die maanden geleden hun glans waren verloren, serieus naar mij keken terwijl ik gierde van het lachen. Het was alsof ik de enige was voor jou, alsof niemand anders er toe deed. Helaas heb je het tegendeel bewezen. Met veel pijn in mijn hart kijk ik nog een laatste keer naar de foto. Dit was de laatste stap die een mooi maar moeilijk hoofdstuk zou afsluiten. Ik klik op opties, mijn vinger zwevend boven het woord verwijderen. Dit was dan het moment, vanaf nu zou alles veranderen en zou ik deze overstap maken. Ik zal je nooit vergeten.

Het Burringtons Lot

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Het Burringtons lot

De brief schuift door de brievenbus en valt langzaam op de grond. Dreigend prijkt een doodshoofd op de voorkant. James kijkt op zijn horloge, 7:12, staat dan op uit zijn stoel, raapt de brief op en scheurt hem open.

19 september 2016
Kom niet naar De Staelmit. We wachten je op.
We zullen je vinden. Jij, je familie,
Jullie gaan eraan.

Weer valt de brief op de grond. James Kijkt naar zijn bevende handen.
Wat was vader van plan?

Zijn handen zijn nog nat als hij de telefoon oppakt.
‘Ik heb slecht nieuws, meneer McBurrington,’ zegt een maar al te bekende stem.
‘Commissaris, wat is er?’ Maar James weet het al. Hij voelt het.
‘Uw vader, meneer Jason MacBurrington, is helaas overleden. Vermoord.’
Het kon niet anders. De brief, van twee dagen geleden. Vader die gisteren halsoverkop vertrokken was, duidelijk nerveus. Zijn afscheidswoorden hingen nog steeds dreigend in de lucht.
Vaarwel, mijn zoon…

8:48. Langzaam loopt James het museum binnen. Hij ziet de bekende bordjes en linten, de politiemensen en de mensen van het forensisch team. En daar ligt zijn vader.
‘Meneer McBurrington, ik weet dat dit uw vader is, maar ik zou u willen vragen of u ons kan helpen bij het onderzoek. Door uw zijn al vaker mysteries opgelost die anders nooit opgelost zouden zijn.’
‘Ja, tuurlijk,’ zegt James kort, meer uit gewoonte dan uit overtuiging.
Als hij dichter naar zijn vader loopt, valt hem iets op. Zijn vader was net in pak geweest toen hij vertrok, nu lag hij met zwarte joggingbroek en ontbloot botenlijf in een onnatuurlijke houding op de grond. Niet alleen onnatuurlijk, meer gemaakt. Alsof hij neergelegd was. En er stond iets op de grond geschreven:
Ik had gezegd dat we u zouden opwachten. Nu u bent geweest is uw dochter aan de beurt, dan uw zoon. Wereld, bereid je voor op revanche, REVOLÚTIE!!
Met atbash zal u weten: 887775663551. Oxford Street, 666

Uw zoon, de wereld, stond er. Ik, wij… Atbash, 887775663551. Oxford Street. 666.

9:25.’Al iets te weten gekomen, Meneer McBurrington?’ De commissaris was naast James komen staan, terwijl hij geconcentreerd naar zijn papier staarde.
‘Atbash…887775663551… Wat betekent dat?
‘Atbash is één van de oudste geheimschriften die er bestaan, Hebreeuws. Het houdt in dat alle letters van het alfabet juist precies de tegenovergestelde letter worden, aan de andere kant van het alfabet. A wordt Z, B wordt Y, etc. Dit is wat je zou krijgen als je het hierbij zou gebruiken.’
James wijst de tabel op zijn papier aan:
0 1 2 3 4
9 8 7 6 5

‘Vertaald is 887775663 dan 112224336. Ik heb alleen geen idee wat dat moet betekenen.’
‘klinkt als een soort code,’ klinkt een meisjesstem van achteren. Verschrikt kijkt James op.
‘O, dat is mijn nichtje, Ginny’ zegt de commissaris, ‘Ze komt je helpen.’
James concentreert zich weer op zijn papier.
U, uw zoon, de wereld, galmt het door James zijn hoofd. 9 cijfers, 3 dingen. 12:4=3. 112, 224, 336.
‘Hoe laat is mijn vader vermoord?’ vraagt James.
De commissaris kijkt op zijn horloge, 10:34 uur. ‘Zo’n tien en een half uur geleden.’
12 uur vannacht.
Vader, nummer 1:12 uur. Zoon, nummer 2:24 uur. Wereld, nummer 3:36 uur
De code, het geeft aan wanneer wat gebeurt. Mijn vader is om 12 uur vermoord, ik… wordt om 12 uur vanmiddag vermoord, en de wereld om 12 uur vannacht.’
Een golf paniek trek door het lichaam van James.
‘Oké. Dan hebben we alleen Oxford Street, 666 nog. Dat lijkt me een straat en een huisnummer. Hoe laat is het?’
11:01.
‘Het is maar twintig minuten naar Oxford Street.’

11:28. James en Ginny slaan de hoek om en rijden Oxford Street in.
Ze stoppen voor nummer 666 en springen uit.
‘Een winkel? Wat moeten we hier?’ zegt James verbaasd.
‘Geen idee.’
Achter de bar staat een oud mannetje. Langzaam kijkt hij op als James en Ginny binnen komen.
‘Waarmee kan ik u helpen?’ vraagt de man.
‘Hallo, ik ben James McBurrington…’ begint James
‘Aa, mijnheer Burrington, we verwachtten u al. Kom maar mee.’ Het mannetje neemt de twee mee naar een verborgen kamertje achter in de winkel. Binnen is het donker. En stil. Dan gaat de deur krakend dicht en schiet er een flits door de kamer.
Een klok slaat twaalf uur. Twee handen pakken James in een ijzeren greep bij zijn keel.
‘whaa…’ sputtert James.
‘Het is twaalf uur. Nu heeft Andós Traytheodus vrije toegang tot de wereld. Revanche, REVOLÚTIE!’ klinkt de dreigende stem van Ginny in zijn oor.
‘Nee, dat had je niet verwacht, hè? Dat je trouwe hulpje je moordenaar zou zijn? Wraak zullen we nemen!’ Ginny’s stem is van gefluister veranderd in hysterisch geschreeuw.
Half stikkend probeert James zich los te trekken, maar het haalt niets uit.
‘Je wil weten wat dit alles is, hè? Waarom je vader is vermoord!’ fluistert Ginny in James’ oor. James stopt met vechten en kijkt Ginny paniekerig aan.
‘Hij was de sluitsteen, van de Priorij, en jij de sleutel,’ vervolgt Ginny, ‘Je vader zat ons in de weg! Wij wilden ons doel bereiken, en hij hield ons tegen. Op De Staelmit stond het grootste geheim van de Priorij von Priokilosmaen. De wereld moet het weten maar de Priorij wilde het vernietigen. Nu ben jij de enige die ons nog in de weg staat!’
James stoot zijn knie in haar buik en gooit haar om. Hij rent weg, maar hoort Ginny achter zich weer overeind krabbelen. Dan voelt hij een vlammende pijn in zijn arm. Snel trekt hij het mes uit zijn vlees en gooit het met een felle beweging naar achteren. Ginny valt geluidloos op de grond. Met een ruk draait James zicht om en ziet dat het precies raak was, ze is dood. Nu heeft ook hij een moord op zijn geweten…

‘Gefeliciteerd, Meneer McBurrington, ’zegt de commissaris, ‘Dankzij u is de zaak opgelost.
‘Maarre… ik krijg zeker nooit meer te horen wat er nou op die Staelmit staat hè?’
‘Inderdaad.’

de enige kans

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Daar zat ik op mijn broer te wachten, in een kleine donkere kamer. Het was er pikdonker en dat was met een reden. De directeur van het instituut zei niet voor niets: “Licht is geld.” Alles wat er gebeurt in het Clarisse Instituut, gebeurde met een reden. Zelfs de meest onnozele dingen, maar door die dingen kwam het dat wij het rijkste jongensinstituut waren. iedere ouder droomde ervan om hun kind hier te kunnen plaatsen. Het was hier ook heel gezellig en leuk, behalve als je geen geld had zoals mijn broer en ik. Dan behoorde je tot de spotgroep: je had geen vrienden, geen fatsoenlijke kleren en geen fatsoenlijke opleiding. Net omdat de “normale” opleiding zo duur was voor sommige ouders, hadden ze een goedkopere opleiding opgestart. Helaas was die opleiding niet wat de meeste ervan verwachten. Je zou zeggen dat je gewoon een lager diploma krijgt, maar dat is het totaal niet. Je wordt niet opgeleid tot diplomaat, dokter of ingenieur zoals de rijkere jongens, maar tot huurmoordenaar.

Daarom zat ik daar, in die kleine donkere kamer. De dag dat je 15 wordt, begint de opleiding. Eerst is er een gesprek, daar krijg je te horen dat je les gaat krijgen over zelfverdediging, het uitwissen van sporen en zoveel meer. Natuurlijk geven ze je de keuze of je de opleiding wilt volgen of niet, maar geloof me het is niet veel beter als je nee zegt. Na het gesprek begint de indeling van de twee groepen: je hebt de zwakkelingen en de sterkeren. Mijn broer en ik horen natuurlijk bij de sterkeren. Na de indeling werden we teruggebracht naar de slaapzaal. Het Clarisse Instituut had super chique slaapkamers, tenzij je geen geld had, dan sliep je in de slaapzaal tussen een zestigtal jongens. De lichten gingen uit om acht, want een moordenaar in training moest voldoende slaap hebben. Tussen het gesnik van anderen door, babbelde ik wat met mijn broer die in het bed naast mij lag.

’s Morgens was het direct ontbijten en daarna moesten we rondjes lopen. Je kan je het waarschijnlijk al voorstellen dat niet iedereen die rondjes haalde. ‘s Middags hadden we een half uur rust. Iedereen lag te slapen behalve, mijn broer en ik. Hij begon te praten over het leven dat we zouden hebben als we konden ontsnappen, maar dat was iets waar we enkel van konden dromen. We dwaalden weg in onze gedachten.

Plots verdwenen mijn gedachten door een luide sirene. Het brandalarm! Als die sirene afging, kon je twee dingen doen: lopen naar de dichtst bij zijnde nooduitgang of ontsnappen door het raam. Natuurlijk kozen we het raam, maar dat was misschien niet de beste beslissing. We sprongen van het derde verdiep naar beneden. Zodra we op de grond waren, begonnen we in de richting van het bos te lopen. We geraakten tot aan de bosrand, daar plofte we op de grond neer en vielen in slaap door vermoeidheid en pijn.

De volgende dagen konden we overleven door de lessen die we in het instituut hadden gehad. Net toen we de hoop wilden opgeven, zagen we de stad. De beroemde stad waar iedereen zijn leven perfect was! We liepen het plein op en waren omsingeld door foto’s van kinderen die ontsnapt waren en nu dus gezocht werden. Net toen we dachten dat ze onze ontsnapping niet hadden opgemerkt, maar al snel liepen we op een foto af van mij en mijn broer.

Ons eerste gedacht was: we moeten de stad uit! Hoe zouden we dat doen? Nadenkend zochten we een steegje om de nacht te overleven. Dit was niet gemakkelijk want in elk steegje bevond zich wel iemand die in zijn leven gefaald had. Net naast het station vonden we een leeg steegje. We zouden via de trein ontsnappen. Dat was toch ons plan. Met een gerust hart vielen we in slaap.

Het was twee uur, luide sirenes begonnen te klinken. Dat geluid betekende dat er ontsnapten gevonden waren. Dit wist ik door de lessen die we gevolgd hadden. Hoe dichter het geluid bij je was, hoe dichter de ontsnapten waren. Het geluid in het steegje was zo fel dat we wisten dat het over ons ging. We liepen zo snel mogelijk het steegje uit. Langs rechts werden we bestormd door agenten, de enige weg was naar het perron! Zonder na te denken liepen we naar daar. Gelukkig zagen we net de trein van half drie aankomen! Dit was de kans. Weg uit deze stad! Een nieuw begin. We sprongen de trein op en deden de deur dicht. Door de geblindeerde ramen konden we naar buiten kijken. We zagen de agenten alles doorzoeken en net toen een jonge kerel ons in het oog had, vertrok de trein.

Door de speaker hoorde we de conducteur zeggen: “ Diegenen die naar Europa gaan, overstappen naar wagon twee alstublieft.” Dat was het ons teken van geluk.

Een stap te veel

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Onderweg naar toneel. Dat was ik toen ik hem zag. Ook al was het van een afstand, ik kon zijn prachtige gezichtscontouren en blonde haren perfect bekijken. Enerzijds wou ik op hem afstappen en een gesprek voeren, maar anderzijds kon ik mezelf niet meer bewegen. Daar stond ik dan. In het midden van het voetpad langs de drukke baan in Schilde. Toen keek hij mij plots recht in de ogen. Hemelsblauw waren die, dat voelde ik.

Hij stond ook versteld. Maar niet op het voetpad. In het midden van de straat. De vrachtwagen die eraan kwam had dit niet verwacht en kon niet meer remmen. Ik sloot mijn ogen. Ik hoorde zijn zware stem brullen, een knal en toen niets meer. Toen ik mijn ogen weer durfde te openen, zag ik hem niet meer. Ik zag wel een vrachtwagen met bloed. Veel bloed. Ik keek om me heen en het viel me op dat alle omstaanders mijn richting uitkeken. Ik draaide me om. Daar lag hij. De jongen die ik 5 minuten geleden voor het eerst zag, maar die mijn hart toch meteen sneller liet kloppen.

Ik hapte naar adem, iets wat hij niet meer kon. Door mij.
Als hij mij niet had gezien, was hij gewoon de straat overgestoken en had hij nog een kans. Nog een kans op leven, uitgaan, opgroeien, genieten. Een kans met mij, misschien.

Ik knielde neer naast zijn lichaam. Hij was adembenemend. Plotseling voelde ik iets over mijn wang stromen. Het waren tranen, ik was aan het huilen. Het was ondertussen al enkele jaren geleden dat dat nog was gebeurd. Ik huilde immers bijna nooit.

De politie arriveerde en het aantal toeschouwers verhoogde. Een politieagente pakte me vast aan mijn schouders en nam me mee naar het bankje enkele meters verder. Ze begon mij allerlei vragen te stellen, maar het enige wat ik hoorde was geruis. Ik draaide mij naar de agente en vroeg: “Wat was zijn naam?” “Benjamin”, antwoordde ze, “Benjamin Van Elsen.”

Die naam weergalmde nog een tijdje in mijn hoofd. Sprakeloos wandelde ik naar huis.
Daar aangekomen, nam ik mijn laptop en tikte zijn naam in in de zoekbalk. 6 resultaten. Ik bekeek zijn Facebookpagina, zijn Instagramaccount, bekeek zijn foto’s, waar hij één voor één fantastisch op stond.

Maar dan zag ik plots een resultaat op YouTube. Benjamin had een kanaal, waarop een vijftigtal filmpjes van hem stonden. Ik zette er eentje op en hij begon te praten. Hij vertelde honderduit over zijn dag, zijn gezin, zijn hond, Bob, en zoveel andere dingen. Maar voornamelijk over zijn gevoelens. Ik luisterde hoe hij zo oprecht alles omschreef wat er in hem omging. Een vreemd gevoel bekroop me, alsof hij deze monologen aan mij gericht had.

Wekenlang kon ik aan niets anders meer denken dan aan hem. Op school, op straat, in de winkel, overal waar ik kwam, was hij ook. Hij was die ene jongen in rayon 7 aan de diepvriespizza’s, hij was die stagiaire van geschiedenis. Ik zag hem overal. ’s Avonds deed ik niets anders dan zijn video’s opnieuw en opnieuw bekijken, tot ik uit mijn hoofd kon zeggen wie er op de foto’s stond op de muur achter hem. Hij werd mijn obsessie. Ik was verliefd. Ik was verliefd op een dode jongen.

Maar het besef dat mijn liefde onmogelijk beantwoord kon worden, groeide. Elke dag vergrootte mijn verdriet. Het enige wat mij nog kon opvrolijken, was zijn stem en de manier waarop hij soms bescheiden lachte naar de camera.

De volgende dag nam ik het initiatief om een wandeling te maken. Mijn hoofd leegmaken, was het plan. Ik wandelde langs het park, langs de grote eik in het dorp en voor ik het wist stond ik op de plek waar ik Benjamin had zien verongelukken. Ik sloot mijn ogen en zag hem, al glimlachend, vertellen over de meisjes bij hem op school die hem aanbaden. Maar het deed hem niets. Geen van hen trok zijn aandacht. Hij zei dat hij eens echt iets wou voelen, een aantrekkingskracht vanaf minuut 1.

Toen ik mijn ogen opende, keek ik recht in die van hem. Hij stond in het midden van de straat en wenkte mij. Het geluid van de auto’s verdween, ik hoorde enkel Benjamin zeggen dat hij mij wou zien, dat ik naar hem toe moest komen. Als gehypnotiseerd stapte ik op hem af en bleef vlak voor hem staan. Hij legde zijn hand op mijn wang en zei: “Het doet geen pijn.” Voor ik besefte waar hij het over had, was het gebeurd.

Teddy

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Bomen raasden razendsnel voorbij terwijl ik loom naar buiten staarde. Ik gaapte zachtjes toen ik ergens een gedempte knal hoorde. Er klonk een luide piep door de luidsprekers. Iemand sprak de reizigers toe, maar ik luisterde niet. Elke dag reisde ik verder. Verder de wereld in. Mijn beer lag rustig in mijn armen. Teddy was mijn enige waardevolle bezitting die ik nog over had. Ik keek weer naar buiten. De lucht werd langzaam donker. Het was alweer laat aan het worden. Regen spatte zachtjes tegen de ruit en ik keek naar mezelf in de weerspiegeling van het glas. Mijn haar was warrig en mijn kleding zag er vies uit. Dat was te verwachten, aangezien ik dagenlang had gereisd zonder enige vorm van onderhoud. De conducteur verscheen en gaf hem het geld voor het ticket. Naast Teddy was het geld dat ik had meegenomen ook handig. Dankzij het geld kon ik reizen. Ik wist nog steeds niet waar ik heen wilde, maar dat deed er niet toe. Ik was onderweg en dat gaf mij het gevoel dat ik een doel had.

‘’Voelt u zich wel goed, juffrouw?’’ De conducteur keek me vragend en lichtelijk bezorgd aan.

Ik schudde mijn schouders en knikte met een geforceerde glimlach. De conducteur leek het niet te geloven, maar omdat ik hem stug aan bleef staren gaf hij het op. Hij verliet het coupe in stilte. Mijn hoofd draaide zich weer naar het raam toe. In de verte leek licht te branden. De stad was niet zo ver weg meer. Naarmate we de stad naderden leek het licht vreemd te flikkeren. Waren het wel lampen? Er klonk alweer een luide piep door de luidsprekers. Er volgde geen stem. In plaats daarvan klonk er een rare en luide ruis door het coupe. Onwillekeurig trok ik Teddy iets dichter naar me toe. Verschrikt keken mijn ogen naar het licht in de verte. Grote vlammen kleurden de lucht rood en oranje.

‘’Verzet je niet en er zal je niks overkomen. Verzet je en een pijnlijke dood zal volgen.’’ Er klonk een stem achter me.

Mijn lichaam verstijfde. Zwarte vlekken dansten voor mijn ogen, totdat ze mijn gezichtsveld hadden bedekt met duisternis.

*

Mijn handen waren gebonden en mijn mond was dichtgeplakt. Ik krabbelde met moeite overeind. De kamer was donker en muf. Overal om me heen lagen mensen, sommige waren wakker terwijl anderen sliepen. Angst sloop langzaam terug mijn lichaam in toen ik me die avond in de trein herinnerde. Luide knallen schokten door het gebouw.

‘’Wie ben jij?’’ Een oude man naast me keek me nieuwsgierig aan. Zijn baard was groezelig en er zat een mysterieuze vlek op zijn trui.

Mijn schouders haalden zichzelf op. Vol verwachting keek de man naar mij, alsof ik hem het meest geweldige nieuws ooit zou gaan geven. Helaas voor hem kon ik dat niet. Mijn stem deed het niet. Ik kon me niet herinneren of die dat ooit wel had gedaan.

‘’Gaat het wel, meisje?’’ De man keek nu bezorgd.

Alweer haalde ik mijn schouders op. De man keek gefascineerd toe.

‘’Ik ben Thomas.’’ Vertelde de man mij. ‘’Heb je je stem soms verloren?’’

Ik knikte kort en draaide me weg van de man. Ik had geen behoefte aan sociaal contact. Ik moest hier weg. Ik moest verder reizen, maar eerst moest ik Teddy vinden. Zonder Teddy was ik alleen.

‘’Welkom bij de Overstap.’’ Een luide stem galmde door de kamer. ‘’Wij instrueren iedereen om kalm te blijven. Wij willen alleen maar helpen.’’

Een lampje flikkerde aan en ik zag wie er had gesproken. Een jongeman stond in de deuropening. Hij had een geweer in zijn armen. De mensen om me heen mompelden. Iedereen keek argwanend naar het wapen.

‘’Waarom zijn we hier?’’ Dezelfde oude man van eerder, Thomas, stelde de vraag die iedereen te bang was om te stellen.

‘’Jullie zijn hier om het begin van een nieuw tijdperk in te luiden. Binnenkort zullen jullie de nieuwe mensen zijn en de wereld voorzien van betere mensen. Mensen die niet liegen en niet aan geweld doen. Jullie zullen mensen zijn die vol zitten met liefde en vriendschap.’’

Ook deze keer klonk er geroezemoes in het publiek. Ikzelf snapte niet helemaal waar die jongen het over had. Het boeide me ook vrij weinig. Wat andere mensen deden had me nooit veel geïnteresseerd.

‘’Wat is dat voor onzin? Een nieuw tijdperk? Maak dat de kat wijs!’’ Thomas sprak alweer.

De jongen richtte zijn geweer op de man. Voordat iemand kon protesteren, niet dat iemand dat durfde, klonk er een oorverdovende knal door de kamer. De kogel schoot netjes door het hoofd van de oude man. Een dun straaltje bloed sijpelde uit de wond toen de man naar de grond viel.

‘’Zoals jullie nu hebben kunnen zien wordt commentaar niet getolereerd. Volg mij maar en dan zullen jullie liefdevolle levens beginnen.’’ De jongeman leek compleet onaangeroerd door wat hij zojuist had gedaan.

Langzaam kwamen de mensen overeind en ik volgde. Net toen ik de uitgang bereikte hield de jongen me tegen.

‘’Jij bent niet zoals de anderen. Die blik in je ogen herken ik van mijlenver. Jij bent al eerder aan de Overstap ontsnapt.’’ De jongen grinnikte zachtjes. Die lach kwam me vaag bekend voor. ‘’Jij was immers ons eerste proefsubject.’’

Ik probeerde door te lopen. Wat die jongen te zeggen had snapte ik niet. Ik wilde het ook niet snappen. Zijn woorden klonken eng. Wat had die bedoelt met proefsubject?

‘’Niet zo snel.’’ De jongen blokkeerde me met zijn arm. Zijn hand drukte tegen mijn borst. ‘’Heel jammer dat jij niet bent gelukt.’’

Hoewel ik wist dat zijn woorden belangrijk waren, kon ik me niet concentreren. Mijn gedachtes lagen nog altijd bij Teddy.

‘’We hebben je brein teveel aangepast. We probeerden je emoties te controleren en hoewel we daarin slaagden, hebben we niet de juiste emotie versterkt. Het enige wat we bij jou hebben laten zitten is angst. We hebben alle liefde uit je weggehaald. Je houdt nu alleen nog maar van je beer.’’

De overstap

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Elke zaterdag gaat ze er met tegenzin naartoe. Het is koud buiten. Het seizoen van de slaap is begonnen. Alles lijkt te zijn gevlucht voor het witte deken dat van december tot maart over het land ligt. De zon verdwijnt achter besneeuwde heuvels en laat een oranje spoor achter op de hemel, een leven brengend in het fletse palet. De silhouetten van bomen tekenen af tegen de horizon als hongerige handen die naar iets op zoek zijn. Het is stil hierbinnen. Voor haar zit een oude, corpulente vrouw met een bleekwit gezicht. Ze lost een kruiswoordraadsel op. Het lukt duidelijk niet zo goed. Ze heeft al vijf keer om hulp gevraagd en zit al tien minuten te zuchten.

Ze wil iets doen. Een boek lezen, ook een kruiswoordraadsel maken, naar muziek luisteren, een weg vinden uit haar gedachten. Hoe lang zou ze blijven? Ze zal hen vertellen dat ze nog een afspraak heeft en maar voor een uur of twee kan blijven. Waarom blijft ze ook gaan? Het is vier jaar geleden. Ze moet gaan, het zou gemeen zijn niet te gaan.

Ze kijkt weer naar buiten. De verlaten weides gaan over in achtertuinen van rijhuizen. In bijna elk huis brand een licht. Ze stelt zich voor dat er in elk van die huizen een gezinnetje zit dat aan de haard een gezelschapsspelletje speelt. Het is tien na vijf. Over precies vijf minuten komt ze aan en heeft ze twee minuten om naar perron vier te lopen en de volgende trein naar Brussel te nemen. Ze is anderhalf uur onderweg om bij hen te raken. Ze heeft al vier jaar geen auto genomen. Toen ze twee jaar geleden achttien werd, vertikte ze het haar rijbewijs te halen.

Telkens wanneer ze haar ogen sluit en alles donker wordt, komt een overweldigende hoeveelheid licht, die haar verblindt. Gevolgd door het gieren van autobanden en een knal die haar met een onzichtbare kracht naar voren duwt. Dan is er niks meer. Stilte.

In het raam ziet ze, naast het landschap ook haar gezicht, gereflecteerd in het glas als dat van een geest. Ze lijkt nog altijd zestien jaar. Dezelfde krullenkop met sproeten en dezelfde zoekende bruine ogen. Hij kon nooit ophouden over haar ogen.

“Ik heb nog nooit zulke ogen gezien”, zei hij altijd. Het irriteerde haar. “Stop met zo te slijmen” Dan werd hij heel ernstig, ging met zijn vingers door haar haar en zei: “Het is geen compliment”

Ze hield van zijn handen, groot en zacht die zich in de kou rond die van haar plooiden en haar verwarmden.

Toen ze wakker werd met het gepiep van een machine in haar oren en de stank van verdampte ether in haar neus, zocht ze onder de witte lakens naar zijn handen, maar ze vond leegte.

Straks zal ze naar foto’s moeten kijken en oude verhalen aanhoren. Elke zaterdag weer. Het verleden laat haar niet los, het lijkt alsof ze er niet uit kan ontsnappen. Ze zou niet moeten gaan, maar ze hebben haar nodig om hem weer tot leven te wekken.

De trein komt zeurend tot een halt. Het is kwart na vijf. Ze voegt zich bij de drammende rij passagiers om naar buiten te gaan.

Het station loopt vol van mensen. Niemand merkt elkaar op, ze lopen gehaast door zonder te kijken. Zonder te zien waar ze zich bevinden. Tijd kan soms verblindend zijn. Ze begint te lopen, voelt de schouders van anderen tegen die van haar kloppen, maar durft niet om zich te kijken. Nog een minuut. Welk perron was het nu weer? Oh, god, nee welk perron was het nu weer? Ze blijft even staan, denkt na. Perron vier, ja het was perron vier. Ze kijkt op haar horloge. Ze heeft nog dertig seconden. Ze is aan perron zes en moet terugkeren. Perron vier, perron vier, denkt ze. Ze loopt naar adem happend de trappen op en vervloekt zichzelf dat ze niet vaker gaat joggen. De trein staat er. De deuren zijn open. Ze kan het halen, maar ze stopt. De trein dendert weg en ze glimlacht.

De jongen zonder hart

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

De jongen zonder hart

Vroeger was ik positieve jongen met lieve ouders. Maar dat kan zo veranderen! Het was een mooie dag en ik was op mijn kamer aan het gamen. Even vrolijk als altijd. Maar vandaag zou mijn leven drastisch gaan veranderen. Het was 6 uur en mijn moeder vroeg of ik kwam eten. We zaten gezellig met zijn allen aan tafel. Maar het zou de laatste keer zijn dat we met zijn allen gezellig aan de tafel zaten. Ik had mijn eten op en ging naar boven, om mijn huiswerk te maken. Ik had veel huiswerk maar gelukkig ging het redelijk snel. Het was alweer tijd om te gaan slapen. Ik gaf mijn moeder en mijn vader een zoen. Maar later bleek dat het een hele speciale zoen was. Ik lag lekker te slapen en opeens hoorde ik een gil. Ik schrok heel erg en wilde weten wat er aan de hand was. Ik liep de trap af en zag twee mannen in zwarte pakken met een mes. Op de grond lagen mijn ouders met een snee in hun keel. Ik was bang en wist niet wat ik moest doen. Ik wist dat mijn vader boven een telefoon had liggen voor als er een noodgeval was. Dit was zeker een noodgeval! Dus ik liep snel weer terug naar boven en belde de politie. De politie had me geadviseerd om boven te blijven en niet in de beurt te komen van die twee mannen. Maar ik luisterde niet. Ik liep toch naar beneden. Ik keek de woonkamer in en zag de twee mannen niet meer. De twee mannen die mijn leven hebben verwoest. Ik liep voorzichtig de woonkamer in en zag mijn ouders op de grond liggen. Mijn ouders waar ik altijd van heb gehouden. Ik ging tussen ze in liggen en barstte in tranen uit. Ik dacht dat mijn leven kapot was. Sinds die tijd ben ik veranderd als persoon. Al het positieve is veranderd in haat een wraak. Ik ben veranderd, zowel van buiten als van binnen. Maar vooral op de belangrijkste plek van ieder persoon, “in mijn hart.” Ik ben niet meer wie ik was, ik ben het tegenovergestelde geworden. Duisternis is wat ik voel van binnen. Of ik een hart heb? Nee daar is een kil donker gat. Alle haat zit daar. Alle haat die ik heel mijn verschrikkelijke leven mee heb moeten dragen. Door al die momenten, die verschrikkelijke momenten. Mijn leven, mijn compleet verwoestte leven. Dat heeft ervoor gezorgd dat ik nu ben wie ik ben. Geen doodnormale jongen, maar een jongen waar je niet bevriend mee wil zijn. Normale mensen leven voor het leven en voor de lol, maar ik niet. Ik leef voor mijn wraak, mijn zoete wraak. Ze zullen boeten voor wat ze me hebben aangedaan. Ooit zullen ze voelen wat ik al die tijd voelde. Die afschuwelijke tijd die ervoor heeft gezorgd dat ik ben wie ik nu ben. “Een jongen zonder een hart.” Maar ooit, ooit zal dat gaan veranderen. Ik zal mijn plan om wraak te nemen uitvoeren. Ook al is het niet voor mezelf, dan maar voor mijn ouders. Mijn ouders waar ik altijd van heb gehouden. De ouders die ik nooit meer zal gaan zien. Of toch wel… Ik was mijn plan om wraak te nemen aan het voorbereiden. En opeens zag ik een foto. Een foto die allemaal herinneringen naar boven haalde. Een foto van mij en mijn ouders. En opeens ging er schok door me heen, die precies mijn hart raakte. Toen zag ik wit licht. Het leek wel alsof ik in de hemel was.  En daar zag ik ze. Het waren mijn ouders. Ze leken wel geesten. Geesten met één doel, namelijk mij weer terug veranderen in wie ik eerst was . “Een jongen met een hart.” Ik keek naar ze en ze vertelde mijn iets. En dat was: “Wraak zal niets veranderen, zo ga je alleen maar lijken op dat genen wat je haat”. Daarna kwam er een flits en was ik weer terug op de plek voor mijn wraak. Alleen dat plan om wraak te nemen ging ik niet meer uitvoeren. Ik wilde geen wraak meer. Ik wilde gaan genieten van mijn leven. Die dag wanneer mijn ouders die zin zeiden, heeft me weer terug gebracht naar wie ik eerst was. “Een jongen met een hart.”

Zwart wit

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Ik hoor voetstappen. Ik sta onder een soort afdakje. Naast me liggen opgestapelde houtblokken. De voetstappen worden steeds luider. Hij staat boven me! Mijn hart gaat als een gek tekeer. SHIT! Ik kijk omheen, het duizelt voor mijn ogen, wit, wit en nog meer wit. Langzaam wordt het beeld scherper. Een schep! Er staat een schep naast de houtblokken. Voetje voor voetje schuif ik naar de schep toe. Geen geluid maken. Ik schuif nog een beetje naar voren. Voorzichtig steek ik mijn hand naar voren. Mijn vingers glijden over de ruwe steel van de schep. Bijna. Nog een paar millimeter. Langzaam kantelt de schep. Niet vallen. Met mijn gedachtes beweeg ik de schep naar mijn hand toe. Yes. Ik heb hem.  Rampscenario’s komen in me op, straks wordt het alleen maar erger. Ophouden nu. Ik schuif onder het afdak vandaan en kijk naar boven. Waar is hij? Waar is hij gebleven? Een vogeltje hupt over het afdak. Was jij het maar. Een zucht van opluchting verlaat mijn lichaam. een harde klap verstoort mijn rust. Langzaam wordt alles zwart.

Ik staar naar buiten. Mijn ouders zijn niet thuis en  vrienden heb ik niet meer. Kleine sneeuwvlokjes vallen naar beneden, allemaal tegelijk, maar toch één voor één. Was ik maar net zoals iedereen. Langzaam vormen de sneeuwvlokjes een grote witte massa. Waarom moet ik anders zijn? Mensen lopen met hun kinderen over de witte massa. Vanuit mijn ooghoek zie ik jou staan. Je zwarte haar zit onder de witte vlokjes. Zwart, wit. Je haar wordt beetje bij beetje witter. Ik schrik op van een rinkelend geluid. Telefoon. De telefoon haal ik van de hoorn. ´hallo´ ´Manon ik weet dat je me hoort. Zeg nou wat!` ´hou-i´ ik schrik van mijn eigen stem. ´Je bent nog niet van me af´. De verbinding wordt verbroken. Mijn handen worden klam, de hoorn glijdt uit mijn hand en komt met een harde klap op de grond terecht. Nee, denk ik. Nee, nee, nee dit kan niet! Na alles, hij is terug. Als verdoofd  staar ik naar de telefoon, waar ik net nog zijn stem uit heb gehoord. Ik laat me voorzichtig op de grond zakken.

Langzaam kom ik bij. Alles is zwart. Een zwaar gehijg vormt een klamme plek in mijn nek. Voorzichtig draai ik mijn hoofd, om te kijken waar het gehijg vandaan komt. Ik schrik van de krakende stem. ´Zo, zo, zo. Manon is wakker. Dacht je nou echt dat je me kon verslaan met een schep?` Ik moet hier weg. Ik draai mijn hoofd om. Daar zit hij. Een grote man, zijn benen slungelig lang, een gespierd bovenlijf en een vierkant hoofd. ´HA HA HA´ . ´Klootzak´ roep ik, mijn stem slaat over. ´DENK MAAR NIET DAT JE ME HIER VAST KAN HOUDEN! IK BEL DE POLITIE´ Had ik dat wel moeten zeggen?  Veel tijd heb ik niet om na te denken. Hij komt mijn kant op Ik schiet in de paniek. Zweetdruppeltjes lopen over mijn rug naar beneden. ´Ik zorg er voor dat je nooit meer praat´. Ik probeer op te staan, maar het mag niet baten. Een onmenselijke pijn schiet door mijn mond.

Het is al donker. Ik zie een schim. Over het pad beneden mij loopt een man, hij sleept een zak achter zich aan. Een witte zak in de vorm van een.. is dat wat ik denk wat het is? Hij sleept de zak naar een huisje toe. Precies tegenover mijn huis. De man doet in het huisje het licht aan. Hij opent de zak en haalt daar… ´ik voel de tranen over mijn wangen rollen. Waarom hij? Omdat hij met mij heeft gepraat? De man heeft Lange slungelige benen, een gespierd lijf en een vierkant hoofd. Hij is het! De man die mijn stem heeft ontnomen. Als ik terugkijk naar het huis, is hij weg. Waar is hij? Paniek stroomt door mijn aderen. Ik span al mijn spieren af. Hij is hier! Gaat het door mijn hoofd. Ik moet me verstoppen. Ik kijk om heen en zie een kast staan, ik ren er naar toe en sluit mezelf er in op. Net op tijd.

Ik hoor de voordeur piepend opengaan. Gestamp op de gang. En nu de trap. Hij komt steeds dichterbij. De vader van Nisse is hier! Het is benauwd in de kast. Mijn zintuigen staan op scherp. ‘Je bent nog niet van me af’ herhaalt een stemmetje in mijn hoofd. Mijn slaapkamerdeur zwaait open. Door de spleet in mijn kast zie ik zwart wit. Mijn hoofd tolt. Ik zoek de gedachte. Waar ken ik dit van? De zwart witte persoon loopt mijn kant op: ‘Dood ga je’ schreeuwt hij. Ik moet wat doen, NU. Ik tast in het rond. Mijn hart bonst in mijn keel. Ik voel een zwaar voorwerp naast me liggen. Mijn hersenen werken op volle toeren. Wat is dit? De persoon komt steeds dichterbij. ‘Ik weet dat je in de kast zit’. Mijn handen worden klam. Ik probeer me te concentreren op het voorwerp. Een geweer! Ik klem mijn klamme hand om de loop en glijd langzaam naar de trekker. ‘Kom er uit!’ buldert hij. Dit is mijn kans. Op 1, 3…. 2…. 1, NU! Ik trap de kast open en richt de loop op de persoon. Dan zie ik je.. Ik laat de loop zakken en je loopt naar me toe. ‘Gelukkig ben jij het, ik dacht dat je dood was! ik dacht dat jij me kwam vermoorden’. ‘Manon, dat zou ik toch niet kunnen doen?’. Ik voel zijn hand over mijn rug glijden richting het geweer. ‘Wacht, waarom riep je dan DOOD GA JE?’. ‘Jij was het! Het was helemaal niet je vader’. Het lukt je het geweer af te pakken en richt het op mij. ‘Dag Manon… sorry van je tong’. ‘Maar ja.. je kan niet altijd het prinsesje zijn. Een felle pijn schiet door mijn buik. Er vormt zich een rode vlek rond mijn lichaam. Het laatste wat ik zie is zwart wit.

wekker

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

En opeens gaat die stomme wekker af! Voor mij is het nog veel te vroeg in de morgen. Ik sta maar half wakker op en ga naar de badkamer en mijn haar lijkt op een ontplofte struik. Pfff. Hoe ga ik dat weer platleggen? Ik ga er met de kam door maar na een half uur leg ik mij er bij neer dat het toch niet veel beter gaat worden. Ik slof naar beneden en val bijna in mijn eten in slaap. Ik kijk op de klok en het is al acht uur dertig en ik denk fuck! Ik kom veel te laat aan op school! Tien na negen storm ik de klas binnen en iedereen kijkt mij zo aan alsof ik een alien ben die met zijn ufo is binnengevlogen. Het derde uur werd er gemeld dat er telefoon voor mij was. Wat een rotdag! Ik kom bij het onthaal en hoor mijn vader snikken aan de telefoon en hij zegt me:” je moeder heeft zelfmoord gepleegd kom je naar huis?” Ik kijk naar de vrouw aan het onthaal en ze knikt dat het mag. Ik kon mijn oren niet geloven en liep met tranen in mijn ogen naar huis. Eenmaal thuis vertelde mijn vader wat er precies gebeurd was en gaf mij het briefje die op haar nachtkatje lag.

Als je dit leest ben ik er niet meer.

Het ligt niet aan jullie maar aan mij.

Ik kon het niet meer aan.

Ik hou van jullie

Liefs mama

 Ik scheurde het papier en rende naar mijn kamer. Ik lag op mijn bed en huilde wel drie uur lang tot mijn kussen meer water bevatte dan de Stille Oceaan . Ik liep mijn kamer uit, keek mijn vader aan en opeens werd ik woest! Ze had me achtergelaten! Ik besefte dat ik er nooit was voor haar en haar nooit hielp en nooit wat had gemerkt! Oh God wat ben ik toch egoïstisch! Ik rende naar de kast en pakte alle pillen die ik zag. Ik snelde naar mijn kamer met die pillen en slikte er eerst tien dan twintig tot ik niks meer voelde, alles was opeens minder erg. Ik bleef slikken tot het zwart werd en opeens zag ik een helder wit licht en TRING TRING TRING!

Ik schrok wakker al wenend en totaal geschrokken. Ik snelde naar beneden en omhelsde haar als nooit tevoren.

Verliefd op het eerste en laatste gezicht

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Ik loop tussen door de smalle van straten van Utrecht, die afgebakend zijn met hoge gebouwen, langs de grachten. Ik kom voorbij ‘Pathé Rembrandt’. Deze klassieke, gezellige maar toch commerciele bioscoop brengt nostalgie in mij naar boven; mijn eerste film, mijn eerste echte date, mijn eerste echte afwijzing. Ik raak verzonken in al mijn herinneringen terwijl ik in mijn buik datzelfde zenuwachtige gevoel voel, dat ik voelde toen ik samen met mijn eerste echte vriendinnetje naar binnen stapte. Ookal was dat dezelfde avond dat ik mijn eerste echte afwijzing te verwerken kreeg, is het gevoel dat ik toen ik met haar de bioscoop binnen stapte weer terug. Vlinders in mijn buik. Ookal heb ik een afwijzing te verwerken moeten krijgen op diezelfde avond, denk ik heel positief terug over die avond maar ook aan haar. Ik vind dat zulke gebeurtenissen je sterker maken en bewuster over wie je echt bent. Ookal heb ik moeite met überhaupt het gezicht van het meisje voor mij te trekken, het gevoel is er wel.
Ik sla links af en verwijder mijzelf stap voor stap van de grachten, richting het Neude. Ook het aanzicht van het neude zelf brengt geweldige herinneringen in mij op; koningsnacht, mijn eerste echte avondje uit. ‘Kingsnight’ beter gezegd. Onbekend met het uitgaansleven, hadden wij de avond van ons leven gehad.
Kijkend alsof dit kleine beetje Utrecht van mij en niemand anders is, loop ik tegen een meisje op die wacht om over te steken. De duw die ik gaf veroorzaakte dat zij bijna viel, wat als gevolg heeft dat zij gedesoriënteerd en uit balans op het fietspad staat. Een voorbij komende fietser weet haar ternauwerdood te ontwijken en realiseert evenmin wat er zojuist gebeurde.
Terwijl adrenaline in zijn hoogste versnelling door mijn bloed pompt, draait zij om en kijkt mij boos aan. Verschrikt als dat ik ben, weet ik niet wat ik moet zeggen. Met een bek vol tanden, is een canon van excuses het enige wat ik kan zeggen. Veel helpt het niet. Het is slechts mijn uitgestoken hand die haar enigzins geruststelling biedt. Zij pakt mijn hand met haar kleine vingers, althans haar vingers oogden klein naast mijn handen. Mijn bloeddruk zakt, eindelijk kan ik haar goed in mijn opnemen. Als een geoloog die een geschrift bestudeert, bestudeer ik ook haar gezicht terwijl ik haar dichter naar mij toe trek als een schip dat in een veilige haven komt na gevaren te hebben over hevige wateren.
Bedwelmd onder haar geurtje dat een sterke indruk van appel geeft, kijk ik naar haar gezicht. Ik gok dat ze niet veel ouder is dan ik, misschien zelfs net iets jonger. Haar neus is ietswat spits en haar ogen zijn, integendeel tot haar smalle wenkbrauwen, groot en zowel prachtig als helder. Gekleurd als een zee maar schitterend als de zon. Haar lippen volgen de trend die haar wenkbrauwen hebben gezet en zijn eveneens smal. Alhoewel ze geen spitse kin heeft, heeft zij een zeer aanwezige kaaklijn. Haar goudkleurige haar dat niet heel veel verder strijkt dan haar schouders hangt half voor de sproeten die haar jukbeenderen decoreren. Haar haar krijgt een scherp accent door de laaghangende zon die een gouden randje er omheen vormt. Mijn inspectie wordt onderbroken.
‘Hallo?!’ ‘Hey! vind je dat normaal?’ Zij bijt van zich af als een moeder die haar jongen beschermt tegen een indringer. ‘Sorry het was niet de bedoeling, ik dacht aan iets anders en toen…’ ‘En toen besloot je me op het fietspad op te gooien?’ Haar ogen spuwen vuur, net als haar karakter. Wauw, er kwamen vonken uit haar ogen die een vuur in mijn onderbuik deden oplaaien. ‘Je ogen fonkelen als kometen’. Fuck, dat zei ik hard op. Wie zegt zoiets?! Het helpt wel. Haar giftige uitstraling maakt plaats voor een blik die onbegrip uitstraalt. ‘Wat zei je over mijn ogen?’ Uit angst voor nog een scheldsonnet herformuleer ik mijzelf. ‘Kan ik het goedmaken door je mee te nemen uit eten?’
Wat haat ik mijzelf. Als een geslagen hond sta ik ongemakkelijk de schijn op te houden dat ik niet van binnen krijs, tegenover één die haar tanden wél durft te laten zijn. Desondanks was ik helemaal klaar om de meest de-motiverende lettergreep uit de Nederlandse taal te horen te krijgen, als gevolg op mijn uitnodiging voor een etentje: Nee. Althans, uitnodiging? Zelf verwoord ik het liever als de meest ongelukkige herformulering van een domme opmerking sinds de mens erachter kwam dat de aarde rond de zon draait. ‘Zei ik zon om de aarde? Ik bedoelde andersom’. Dat ging eigenlijk anders, maar dat is aan historici en niet aan mij om uit te leggen. Al snel verandert haar verwarde blik gek genoeg op zijn beurt weer in een andere blik, een blik die afweging uitstraalt. ‘Wat? Vanavond. Nee sorry.’ Het karakter van de felle moeder heeft plaats gemaakt voor het karkater van een meisje. ‘Girl’s night out. Maar dan nog, let gewoon op waar je loopt, oké?’ En ze loopt weg.
Dat was het dan. Geen één weerwoord verliet mijn mond op de afwijzing die achteraf best genuanceerd was. Beter dan ik verwacht had tenminste. Slechts seconden later draait zij zich om en roept mij na ‘Je volgende date verzoek zou ik toch wat anders brengen!’ Mensen kijken naar mij om en kijken haar na. Wie naar haar kijkt ziet een zelfverzekerd meisje die onder een weggezakte avondzon met een brede grijns richting centraal loopt. Wie naar mij kijkt, ziet een jongen, geslagen door 24 verschillende emoties maar hij kan er geen één identificeren. Aan deze jongen is maar één ding duidelijk, hij heeft een nog bredere grijns dan het meisje.
Het is drie maanden later dan toen dat verhaal plaats vond. Ik ben nog steeds smoorverliefd. Op haar, terwijl ik haar nooit meer gezien heb. Ooit zal ik de overstap moeten maken, overstap naar de realiteit. Toegeven dat ons avontuur bij dat verhaal zal blijven. Maar ik doe het niet, kan het niet. Waarom? Alles is leuker wanneer je verliefd bent.

Wees Niet Bang

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

Wees Niet Bang

“Jonge, sta dan op”. David, de grootste pestkop van de wereld, stond klaar om me weer te slaan. “Wat is hij een mietje zeg.” “Ik kan toch niet opstaan als jij mij continu slaat, of wel dan?” Ik mag dan wel bang zijn, maar waarom word ik continu gepest, dacht ik. Echt, als ik het lef had, dan lag hij nu al op de grond. Waarom moet die David mij hebben? “David, rot op.” Yes, gered, dacht ik. Ik zag Jesse, mijn enige vriend, aanlopen op t pleintje. “Je hebt geluk met je vriendje, ik pak jou nog wel.” “David, ik hoor je wel, als je problemen wil moet je het zeggen.” Oh god wat ben ik blij dat ik de sterkste vriend van de wereld heb. “Nee, wij gaan al weg, boys, kom mee.” David lijkt best veel op mij, qua uiterlijk dan. Hij heeft blauwe ogen en zwarte haren. Anders dan ik is hij breed gebouwd, heeft hij veel spieren en is hij gigantisch. Ik ben zelf best groot, maar niet zo groot als hij. “kom man, dan gaan we naar het centrum”, zei Jesse.

We waren onderweg naar het centrum, maar er was iets. Ja, ik ben een schijterd, maar dit was geen angst. Ik had het gevoel alsof ik hier niet naartoe moest gaan. Mijn gedachte werd onderbroken. “Liam, let op!” Shit, “Sorry meneer”. Ik was zo diep in gedachten dat ik bijna tegen iemand opreed. We zijn er. Het winkelcentrum. “Zo waar wil je gaan kijken?”, vroeg Jesse. Ik wilde eigenlijk niet winkelen, je weet wel, met het onderbuikgevoel. “Laten we naar de snoepwinkel gaan.” Als er vandaag toch iets zal gebeuren, dan maar met een volle maag. “Wat jij wilt”, zegt Jesse. We liepen naar binnen en we praatten over wat we zouden kopen. “Chocolade is mijn ding vriend.”, zei Jesse. Ikzelf ben meer een jongen van de gummibeertjes, dat was ook mijn reactie. We liepen naar binnen en nog geen seconde later hoorden we een alarm, gevolgd door een kalme stem: “Er is brand in het gebouw, zoek de dichtstbijzijnde uitgang en blijf onder alle omstandigheden kalm.” Niet iedereen bleek te luisteren. Iedereen rende in paniek naar de uitgangen. Er waren helaas maar 2 uitgangen. We zagen nergens brand dichtbij, dus we besloten te wachten tot het merendeel van de mensen naar buiten was gegaan. Blijkbaar waren we niet de enige die dat dachten. Er stonden nog 5 mensen bij ons. Een knappe vrouw met lange blonde haren, een jongen en een meisje hand in hand, ik schatte van dezelfde leeftijd en 2 doorsnee mannen. Allebei in pak met een klein baardje. Ik keek om me heen. Er was niemand meer. Maar wat me opviel, er was nergens een brand te bekennen. Er waren geen tekens van rook of vuur. “Jesse, kom man, ik vertrouw dit niet.” Jesse dacht dat ik weer bang was. “Jonge, je bent echt veel te bang.” Ik antwoorde daarop: “kom nou maar gewoon.”

We liepen naar de uitgang. Vlak voordat we uit het winkelcentrum wilden lopen gingen de deuren dicht. Het waren van die rolluiken die je ook bij gesloten winkels ziet. Hij klapte dicht. Iemand merkte dat te laat. Ik had nu iets gezien wat ik never nooit zal vergeten. Een van de mannen in pakken zat op zijn mobiel en zag de uitgang niet. Hij liep door en de deur scheidde zijn hoofd van zijn lichaam. Daar lag een hoofd. Het hoofd keek me aan, het staarde naar me. Je zag geen licht meer in de ogen. Ik kreeg een angstig gevoel van binnen. Een paar seconden was het stil. Toen kwamen er 2 geluiden ter gelijke tijd. De jonge vrouw schreeuwde en de deur aan de andere kant ging ook dicht. Dit kon geen toeval zijn. Ik zei tegen Jesse: “Dit is niet goed man.” Jesse antwoordde niet. Hij staarde alleen naar het afgehakte hoofd. Al mijn haren gingen overeind staan toen ik een fluisterstem hoorde. Het was in mijn hoofd. Het deed pijn. Kom naar voren. Laat jezelf zien in het herentoilet op verdieping 2. Toen hij dat zei, ging ik dood vanbinnen. Fuck, daar is precies een jaar terug om 12 uur iemand brutaal vermoord, er was niks meer van de man over. De politie had geen idee gehad wie de dader was. Geen bewijs. De stem kwam weer. Elk kwartier vermoord ik iemand als jij niet komt opdagen. Ik keek om me heen. De mensen keken me aan. Nu besefte ik dat ik op de grond was gevallen. Ik keek nogmaals om me heen. Mijn oog viel op een man op de eerste verdieping, ik zag dat de man een capuchon droeg en dat zijn rode ogen me aankeken. Hij had op de plek waar zijn gezicht zou moeten zitten, een zwarte waas. Ik vertelde aan de mensen over wat ik had meegemaakt. Ze geloofden me niet. “What the …” De blondine wees naar een loopbrug die in het winkelcentrum. Daar hing de andere man. Zijn ogen eruit gekrast en hij hing aan een twee touwen aan zijn armen. In zijn buik stond gekerfd: “het eerste kwartier is om.” Jesse fluisterde: “iedereen verstop je in die kledingwinkel! Ik ging achter de toonbank zitten. Een kwartier lang wachtte ik vol spanning af. Toen hoorden we voetstappen. Wat gebeurt er?! De kamer vulde zich met mist op de grond. Ik hoorde een krijs, met mijn hart bonkend in mijn keel, ik zag een schaduw. Ik kreeg een onbehagelijk gevoel. De schaduw naderde. Toen hij bijna bij me was, loste hij op. Ik stond op. Daar lag het jonge stijl hetzelfde erbij als de man. Maar nu stond er: mijn geduld raakt op! Ik moest iets doen. Ik voelde het, ik mag geen watje meer zijn! Ik stormde naar het toilet, ik deed de deur langzaam open. Ik zag hem daar staan, die gruwel. Ik zag mijn leven voorbij gaan. Ik zag iets , hij is geen mens. Hij was een poltergeist.

De verschrikkelijke cruise

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

De verschrikkelijke cruise

Als ik dit had geweten was ik nooit meegegaan. Ik wist natuurlijk niet dat deze cruisereis zo vreselijk kon aflopen. Het begon allemaal toen ik en mijn vriendin Rebecca waren geslaagd op de universiteit. Onze ouders waren zo trots dat ze een reisje op een cruiseschip voor ons wilden betalen zodat we even konden ontspannen. Natuurlijk vonden Rebecca en ik dat super leuk. We gingen op internet zoeken en vonden een cruiseschip die een redelijk goedkoop tripje had richting Spanje.

Na een week vertrokken we. We kwamen aan in de haven van Rotterdam. Er lag een heel groot cruiseschip aangemeerd. We keken onze ogen uit. Rebecca rende het dek op en gaf een schreeuw van geluk. We zwaaiden onze ouders uit en liepen naar onze kamer. Het was een ruime en lichte kamer. ‘Dit word de beste vakantie ooit!’ Rebecca keek naar buiten en plofte neer op het bed. Ik lachte en ging langs haar liggen.

We besloten om het schip te gaan bekijken. Eerst gingen we naar het zwembad. Langs het zwembad stond een hele rij ligstoelen waar mensen in lagen te zonnen. Na het zwemmen gingen we naar de bioscoop. De film was zo zielig dat Rebecca midden in de film opeens hard begon te huilen. Een van de surveillanten keek op hij zei dat we de zaal moesten verlaten. Ik hard lachend en Rebecca nog na snikkend verlieten we de zaal. We besloten om wat te gaan drinken aan de bar. Ik bestelde twee cola’s en gaf er een aan Rebecca. Ze keek me aan en begon te lachen. Ik moest daardoor ook lachen. De vrouw achter de bar keek ons raar aan. ‘Gelukkig stuurt ze ons niet weg.’ Zei Rebecca lachend.

’s Avonds kregen we een diner in de grote eetzaal op het schip. Er stonden allemaal sjieke dingen op de menukaart. Omdat we allebei niet zoveel honger hadden besloten we om het kindermenu te nemen. Dat was een portie friet met een kroket of frikandel. Toen we het eten op hadden gingen we naar onze kamer om te slapen. Midden in de nacht schrok ik wakker van iemand die hard aan het gillen was. Nog geen seconde later klonk er een hard geluid. Inmiddels was ook Rebecca wakker geworden ze keek verschrikt rond. ‘Zullen we even gaan kijken wat er aan de hand is?’ vroeg Rebecca met bibberende stem. ‘Ja, laten we dat maar doen.’ Ik trok mijn pantoffels aan en liep naar de deur. Rebecca volgde me snel. Een beetje bang voor wat er ging komen liepen we door de lange gang langs alle kamers. Ik hoorde ergens in de verte een kind huilen, en er gilde ook een vrouw. We kwamen op het dek en zagen dat het regende. Er klonk een harde donderslag. Rebecca kromp ineen. Opeens kwam het schip met een schok tot stilstand. Ik viel op de grond. Het schip zakte langzaam scheef. Ik greep me vast aan de rand van het zwembad. Rebecca begon te gillen. Het schip zakte steeds schever.

Ik en Rebecca hingen over de rand en hielden ons vast aan de reling van het schip. Opeens kwam er een lange slanke man met een vreemde snor. Hij keek ons aan met zijn diepblauwe ogen en grijnsde. Hij stampte met zijn voet op mijn hand. Mijn gezicht vertrok van de pijn. Ik liet los en viel in het water. Angstig begon ik te watertrappelen. Ik keek omhoog en zag dat de man ook op Rebecca’s hand ging staan. Ze viel naar beneden en gilde hard. Er dreef een stuk hout voorbij. Ik pakte het vast en zwom richting Rebecca.                                                                               ‘

Na een tijdje zwemmen zag Rebecca een stuk land we zwommen erheen. Het was best zwaar omdat de stroming heel hard ging. Uiteindelijk kwamen we op het land. Tenminste dat dacht ik maar ik kwam erachter dat Rebecca helemaal niet op het strand lag. Verschrikt keek ik rond, maar ik zag haar nergens. Plotseling kwam ze proestend het strand op. Ik was zo blij dat ze nog leefde. We gingen een stukje verder het land op. We zagen opeens verderop het strand een walm rook in de lucht. Rebecca stelde voor om erheen te lopen. Ik liep snel achter haar aan.

Toen we op het strand aankwamen stonden er twee jongens bij een groot vuur. Een van de jongens keek op: ‘Hallo, zijn jullie ook van het cruiseschip?’ ‘Ja, ik ben trouwens Rebecca.’ Ze stak haar hand uit. De jongen schudde haar hand en zei: ‘Ik ben Bryan en dit is max.’ Hij wees op de andere jongen. We gingen allemaal rond het kampvuur zitten. We waren de hele tijd gezellig aan het kletsen. ‘Op welke school zitten jullie eigenlijk?’ vroeg Max. ‘Nou toevallig zijn we net afgestudeerd!’ antwoordde ik blij. ‘Wij zitten nu allebei in het laatste jaar.’ Zei Bryan. ‘Het is best een grote overstap. Nu hoeven we niet meer elke dag naar school.’ Zei Rebecca. ‘Ja maar je moet wel gaan werken.’ Max keek haar uitdagend aan ‘En of dat nu veel beter is dan naar school gaan.’ ‘Dat maakt niet uit, het gaat om het idee.’ Lachte Rebecca. Bryan moest ook lachen. Max keek hoofdschuddend toe.

Na een tijdje keken we met z’n allen naar het water. Ik wist gewoon dat we allemaal hoopten dat er opeens een of andere reddingsboot kwam aanvaren die ons zou redden. Maar diep in ons hart wisten we allemaal dat dat waarschijnlijk niet zo zou zijn. Waarschijnlijk zouden ze ons pas over een paar dagen vinden. Er was niet veel eten op het eiland. Dus of we na die paar dagen nog zouden leven. Dat was een belangrijke vraag.

 

Eendosheks

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

‘Heksen kunnen vanaf hun achttiende verjaardag in uilen veranderen. Wist je dat nog niet? Onder welke steen heb jij gezeten de afgelopen achttien jaar?’ Ik kijk Annora een beetje zielig aan. ‘Jij kan het makkelijk zeggen, je bent al achttien.’ Ik ben een Eendosheks. De noordelijke soort heks. De mensen in het kleine dorpje en Annora zijn Kikuifheksen, de zuidelijke soort. Mijn ouders en ik zijn sinds zeven maanden in het Groene Woud. Heel origineel: het is een bos met varens, waardoor het bos groen kleurt. ‘Ik maak maar een grapje. Ik dacht alleen dat jouw soort hetzelfde deed als de onze.’ zegt Annora. Zij heeft mijn familie en mij geholpen om ons aan de levenswijze aan te passen. Sindsdien zijn we beste vriendinnen. Ze legt een hand op mijn schouder ter geruststelling. Ik zucht en kijk haar aan. ‘Nope, bij mijn soort is het anders, dan krijg je een nieuwe ketel of iets dergelijks.’ Ik zei het alsof ik mijn ontbijt bestelde bij ‘De groene kikker’, een café in het dorpje.

‘Annora, ik ga denk ik aan het stamhoofd vragen of het überhaupt mogelijk is voor ons “Noorderlingen”om zoals jullie in een uil te kunnen veranderen. Morgen word ik achttien, dus ik moet het vandaag doen!’ Ik sta vastbesloten op van het grijze rotsblok om mijn bezem te pakken die tegen een boom verderop is geparkeerd. Netjes tegen een boom, zoals het hoort. ‘Noortje, wacht! Ik ga met je mee. Ik help je erbij.’ Annora staat op en haalt haar toverstok uit haar koker die aan haar paarse bloemetjes riem hangt. Met een zwaai van haar staf vliegt haar bezem vanzelf naar haar toe. Met één soepele beweging vangt ze hem op en zwiept haar been over het stukje hout. ‘Wie als eerste in het dorp is!’ Na die woorden vliegt ze weg. Haar rode, wijde rok achter haar aan wapperend.

Vlug ren ik naar mijn bezem, want dat is sneller dan toveren. Binnen vijf seconde zweef ik achter haar aan. De lucht is blauw en ons haar wappert in de koele lentebries. Mijn blonde haren zwiepen in mijn gezicht en ik veeg ze weg. De achteruitkijkspiegels laten de steen al snel achter ons. Het bos flitst voorbij en binnen drie minuutjes zijn we bij het dorp. We stappen van onze bezem af en nemen hem in onze hand. ‘Gefeliciteerd, je was net iets eerder.’ zeg ik tegen Annora. Lachend lopen we over het plein waar een groot kampvuur in het midden brand. Het is er altijd druk en gezellig rond dit tijdstip. Heksen en tovenaars kletsen hier over hun dag en verkopen bij hun houten kraampjes etenswaren en kleding. We lopen langs de mensen en de kraampjes, naar de tipitent van het hoofd van de clan. Het is een grotere tent met een bruin doek in plaats van wit, zoals bij het gewone volk het geval is. Onze bezems parkeren we naast de tent en we gluren naar binnen.

Annora neemt het woord. ‘Kunnen we binnen komen, o stamhoofd?’ Met een zachte ‘ja’ uit de tent wenkt Annora me, we kunnen doorlopen.

Bij binnenkomst gaan we op onze knieën zitten, uit respect. Het ruikt binnen naar wierook en overal hangen kleurige kleedjes. Het stamhoofd is oud en heeft grijs haar. Haar regenboog kleding is bedekt met allemaal gouden sieraden die geluid maken wanneer ze beweegt. ‘Vertel mijn kindjes, waar kan ik jullie mee helpen.’ vraagt Anita, het stamhoofd met haar vriendelijke kinderstem. Ze glimlacht er vriendelijk bij. ‘Ehm, stamhoofd. U weet natuurlijk dat ik van een andere soort kom en ik vroeg me af of het voor mij mogelijk is om net als de Kikuifsoort in een uil te kunnen veranderen, wanneer ik achttien word.’ Alles kwam er als één waterval uit. Anita lacht vriendelijk en staat op van haar kleedje. ‘Nee, mijn kind. Helaas kan dat niet. Alleen de Kikuifsoort kan dat.’ Ik voel de teleurstelling over me komen. ‘De enige optie is om ook een Kikuif te worden.’ Ik kijk geschrokken op. Zou dat kunnen? ‘Ik zou dan graag bij uw soort willen horen.’ antwoord ik hoopvol. ‘Ik voel me al thuis bij uw soort.’ Anita knikt tevreden. ‘We regelen het.’ Ze loopt naar een kastje en haalt er een flesje uit. ‘Drink hier uit bij klokslag twaalf en je zal overstappen naar onze soort.’ Ik pak het dankbaar aan en samen met Annora loop ik de tent uit.

Annora huppelt bijna de tent uit ‘Laten we wachten tot het moment daar is op onze speciale steen! Zo spannend, we kunnen dan samen vliegen op je verjaardag!’ Terwijl Annora enthousiast voor me loopt ben ik alleen maar zenuwachtig. Het moet voor twaalven, alleen het is dan ook mijn verjaardag. Zal het alle twee tegelijkertijd kunnen? Het wordt al donker. Het drankje moet op het juiste moment gedronken worden. Ik pak mijn bezem naast de tent en we vliegen weer terug naar de rots in het bos. Tijdens de vlucht denk ik alleen maar aan het drankje in mijn zak.

‘Oké, het is bijna tijd Noortje.’Annora kijkt op haar sterklokker, een apparaat waar mee je de tijd kan zien. ‘Als je klaar bent, tel ik af en drink jij. Klaar?’ Ik knik en met trillende, zwetende handjes pak ik het dopje voorzichtig vast en trek de kurk er uit. Annora telt. ‘Drie, twee, één..’ Ik leg de opening van het flesje aan mijn lippen en drink. De tintelingen zijn voelbaar als ik de vloeistof inslik. ‘En? Is het gelukt?’ Wil Annora weten. ‘Ik hoop het.’ antwoord ik. ‘Doe mij na.’ Ze gaat staan en spreidt haar armen. In een flits verandert ze in een sneeuwuil. Ik doe aarzelend hetzelfde. De tintelingen nemen het over en ik ben een kerkuil! Ik zie dat Annora net zo gelukkig is als ik. Ze vliegt weg en ik volg haar. Ik heb geen idee waar naartoe, maar ik hoop ver weg. Naar het avontuur, over de maan, naar de sterren.

De Val

Posted on: januari 13th, 2017 by Scholieren

De wind was ijzig, gleed langs dikke lagen kleding op zoek naar een stuk bloot, streek met onwelkome vingers over de warme huid om vervolgens weggejaagd te worden door jassen en truien die strakker om lichamen werden getrokken. Het was de tijd van het jaar waarin de bomen al hun blaadjes waren verloren, maar sneeuw nog lang niet in aantocht leek te zijn. Sombere tijden, tijden waarin iedereen zich liever binnen bevond en de mensen die zich toch naar buiten waagden, haast hadden om weer naar de warmte van hun huis terug te keren.

Toch waren de straten niet volledig verlaten, een jonge vrouw trok ongeduldig aan de lijn van haar hond, die alle tijd nam om aan alle blaadjes te snuffelen, en een jongen, leunend tegen een lantaarnpaal, wachtend.

Een hand verwarmd door een handschoen en in de ander hield hij een sigaret. Om de paar seconden bracht hij het kalmerende middel naar zijn lippen en blies vervolgens wolkjes uit. Ondanks zijn ontspannen houding leek er iets mis te zijn. Flets blauwe ogen keken wantrouwend naar de vrouw met de hond, die hem niet leken op te merken, en toen de sigaret onder zijn zwarte laars werd vertrapt, duurde het maar enkele secondes voor een nieuwe uit de hoek van zijn mond hing.

Toen ook de vrouw de hoek omging en de jongen alleen leek te zijn graaide zijn vingers naar iets in zijn zak, een telefoon.

Na een nummer te hebben gedraaid en te fronsen door de stilte aan de andere kant van de lijn sprak hij in gedempte toon. ‘Hey, ik weet niet waarom je niet opneemt maar ik maak me zorgen, het spijt me van vorige week en ik beloof dat we samen weg gaan oké? Bel me alsjeblieft zo snel je kan.’

De stilte die volgde nadat hij de telefoon terug in zijn zak had geschoven was verpletterend. Waar eerst wantrouwen en angst in de ogen te lezen was, leek nu verdriet de overmacht te nemen.

Ze zouden samen weggaan, Twee tieners tegen de wereld. Zij had willen ontsnappen aan de druk van haar vrienden en familie die haar verdriet nooit hadden kunnen begrepen, die haar hadden verteld dat het allemaal in haar hoofd zat en dat het zo eigenlijk niet langer kon.

Dat kon het  ook niet, maar toen ze klaar stond om te vertrekken, rugtas over haar schouder en een nieuw gevoel van euforie in haar lichaam, was hij er niet geweest.

Later had hij haar verteld waarom, had haar beloofd dat dit eenmalig was, maar voor haar was het al te laat geweest. Ze had op het randje van een klif gestaan en de persoon die haar leek te redden, had zijn grip op haar laten verslappen.

Het vallen leek eindeloos door te gaan en het voelde zo verschrikkelijk benauwend. Ze wilde dat het stopte, had geen houvast meer en kon geen andere weg meer dan naar beneden. Na dagen van alleen maar vallen leek het toch over te zijn en werd ze omhuld door een welkome duisternis.

De donkere lucht was ook voor de jongen een teken. Hij trapte zijn laatste sigaret uit en begon met zijn weg terug naar huis, beloofde in stilte op haar te wachten, elke avond, bij de lantaarnpaal.

 

Verlamd

Posted on: januari 12th, 2017 by Scholieren

Verlamd

Timothy smeekte me langzamer te rijden. ‘Alsjeblieft, je jaagt ons allebei de dood in!’

‘Het komt goed Timmetje, ik beloof het je.’

Langzaam draaide ik mijn hoofd zijn kant op terwijl ik het gaspedaal verder induwde. Timothy’s ogen werden groter terwijl hij naar voren, de donkere nacht in staarde. Rustig richtte ik me ook weer op de weg. Ik haalde een hand door mijn bruine haar, exact hetzelfde haar als dat van Timothy. Net zoals mijn gezicht, lengte en lichaamsbouw. Alles aan ons was hetzelfde, denkt iedereen, maar als je verder kijkt dan uiterlijk zijn we elkaars tegenpolen. Hij een nerd. Ik de populairste jongen van de school, we hadden daar samen kunnen staan, op de bovenste tree van de populariteitstrap. Maar hij moest alles beter doen: betere cijfers, netter, beleefder, alles wat mijn ouders willen.

Mijn ouders vinden hun zoons ook niet even goed, ze houden meer van hem, ze zullen het nooit toegeven, maar ik zie het overal aan. Ik wierp een blik op mijn tweelingbroer, zijn gezicht was lijkbleek. ‘Rustig maar Timmetje, we zijn er bijna.’

Boos keek hij me aan. ‘Ik dacht dat je over die stomme bijnamen heen was gekomen? Mijn naam is Timothy en zo moet je me ook noemen, tenzij je me Tim wil noemen.’

Ik lachte. ‘Maar vroeger was het wel goed, wat is er veranderd?

‘We zijn ouder geworden Tobias, we zijn geen zes meer, dus Timmetje is lichtelijk neerbuigend.‘

‘Maar Timmetje, je zal altijd mijn kleine broertje blij-‘

Een schreeuw van Timothy onderbrak me. Verschrikt keek ik naar voren, recht in de koplampen van een tegemoet komende auto. Ik kneep mijn ogen dicht terwijl ik wacht op de knal.

 

 

Ik word wakker van een piepend geluid, verdwaast kijk ik om me heen. ‘Mam, pap, waarom zijn we in het ziekenhuis?’

‘Omdat jullie een auto-ongeluk gehad hebben, je had wel dood kunnen zijn!’

‘Jullie? Wie zijn ‘jullie’, was ik niet alleen?’ Ik kijk mijn ouders dringend aan als ze geen antwoord geven. ‘Pap, wie zat er nog meer in de auto?’

Mijn vader kijkt me met een trieste blik in zijn ogen aan. ‘Je broer, Tobias.’

Ik voel het bloed uit mijn gezicht trekken als ik hem aan kijk. ‘Gaat het goed met hem? Is hij gewond? Wie reed er? Waarom vertel je het nu pas? Waar is-‘

‘Tobias rustig! De dokters zeiden dat je rustig moet doen! Het gaat goed met Timothy en hij wil met je praten, maar voordat je naar hem toegaat moet je eerst tot rust komen.’

Een halfuur later hebben de dokters wat gezondheidstesten gedaan, heb ik me omgekleed en mag ik naar Timothy toe. Mijn vader duwt de rolstoel rustig de gang door naar zijn kamer. Zachtjes klop ik op de deur. Een stem als de mijne antwoord zacht; ‘Binnen.’

Mijn vader opent de deur, loopt om mijn rolstoel heen en duwt me voorzichtig naar binnen om vervolgens de kamer te verlaten. De kamer ziet er uit als een standaard ziekenhuis kamer; witte muren, grote ramen aan de overkant van de kamer. Aan de linkerkant van de deur is een soort kleine keuken met was kastjes en een wasbak. Ik let echter alleen op het midden van de kamer waar mijn broer op het bed ligt.

‘Hoi.’ Zijn stem is zachter dan normaal. ‘Hoe gaat het?’

‘Slecht. Maar dat zal mijn eigen schuld wel zijn. Met jou?’

Een vage glimlach komt op zijn gezicht. ‘Slecht.’

Een stilte volgt, waarin ik ongemakkelijk uit het raam naar de parkeerplaats waar een rode en een blauwe auto elkaar proberen te passeren op een weg die haast te smal is voor één auto.

‘Dus…’ Timothy kijkt me ongemakkelijk aan. ‘Waarom liep je niet zelf? Normaal zou je je niks aantrekken van wat de dokters zeggen.’

Ik kijk hem aan met een gezicht van steen. ‘Dwarslee… dwarslie…’

‘Een dwarslaesie. Een onderbreking in de zenuwbanen in de rug door ziekteproces of ongeval, waardoor iemand in meer of mindere mate verlamd raakt.’

‘Nederlands, Timothy, we waren Nederlands aan het praten.’

‘Pauze tussen zenuwen in je rug waardoor je benen niet meer werken.’

Grijnzend klopte ik hem op zijn schouder. ‘Je kan het wel, Nederlands praten.’

Met een identieke grijns schud hij zijn hoofd.

‘Het is alleen best wel k-‘

‘Tobias!’ riep Timothy naar me, zijn moeite met schelden was ook iets dat ik niet snapte.

‘Het is alleen best wel vervelend dat ik niet meer kan basketballen,’ mompelde ik.

‘Wat dacht je van rolstoelbasketbal?’

‘Sounds like a plan bro!’

 

 

Zo gauw ik de zaal binnenrijd met mijn gloednieuwe sportrolstoel begint het publiek te klappen. Een grijns komt op mijn gezicht als ik achterom naar de rest van mijn team kijk. ‘Here we go!’

Een paar minuten later staan we klaar op het veld. De bal wordt opgegooid en het wordt even stil in het veld, maar als ik de bal vang en meteen terug gooi om een aanval op te bouwen wordt het geluid nog luider dan voorheen. Vlak voor ik onder de ring ben wordt de bal naar mij gespeeld en met een glimlach gooi ik hem in de ring. Meteen begint het publiek nog harder te roepen en met één arm in de lucht ga ik mee verdedigen.

 

 

Na de wedstrijd komt Timothy grijnzend op me afgerend, ‘netjes hoor, Four.’

‘Een keer, EEN KEER HEB IK DIE FILMS GEZIEN,’ riep ik, een keer hebben we Divergent gekeken, en meteen zit ik aan een bijnaam vast.

Laat het nooit zo ver komen..!

Posted on: januari 12th, 2017 by Scholieren

Laat het nooit zo ver komen..!

Het was dinsdag. Voor de een een gewone doordeweekse dag, maar voor mij helemaal niet. Mijn moeder was zichzelf weer eens domme woorden aan het inpraten: “ik ben te dik, ik ben te dom, ik ben niet goed zoals ik ben”. Ik word er helemaal gek van. Waarom doet ze dat altijd als ik er ben, terwijl ze onderhand weet dat ik het storend vind als ze zulke dingen zegt en ze weet dat ik er gevoelig voor ben. Ik kan er niks van zeggen, want deed ik dat, dan deed mama me weer pijn. Tegen mijn zus Pleun kan ik niks zeggen, die is het huis uitgegaan. Zij kon namelijk, net zoals ik, niet tegen mijn moeders opvattingen en is bij opa en oma gaan wonen. Ik mag Pleun ook nooit meer zien van mijn moeder. Als ik ook maar enig contact zocht had ik er weer een te pakken. Soms denk ik: “Echt waar. Waarom denkt iedereen dat ik in dit gezin thuishoor”, want het voelt zo al jaren niet meer.

Toen ik die dag thuis kwam van school. Zette ik mijn fiets weg en liep het huis in het leek wel alsof er niemand thuis was. Ik schreeuwde door het huis heen: “Hallo, is er iemand thuis.” Ik hoorde een stem, maar die was niet van mijn ouders, maar van Pleun. “Ssttt als ma en pa erachter komen dat ik hier ben geweest ben ik dood. Ik wil je waarschuwen. Kom bij opa en oma wonen daar ben je veilig”. Ik antwoordde terug: “Dat kan niet, want ook al ga ik weg ze zullen me vinden en dan zal ik jou letterlijk en figuurlijk nooit meer zien”.

Er klinkt een harde deur die dichtklapt…..

“Je moet hier weg Pleun”, zei ik zachtjes. “Hoe kan ik hier nu weer wegkomen?” “Via het raam, snel!” Mijn moeder kwam thuis. Ze vroeg helemaal niks liep gewoon door naar de bank en viel in slaap. Ik ging maar huiswerk maken. Twee uurtjes later kwam ik beneden, maar mama lag niet meer op de bank. Ik was in paniek en begon te zoeken. Uiteindelijk vond ik haar ze lag bij de voordeur ze had overal bloed en was bewusteloos. Snel belde ik 112 en belde ik papa, opa en oma. De hulpdiensten waren snel gearriveerd en ze vroegen wat er was gebeurd. Ik kon niks zeggen, ik was helemaal verdoofd. Papa kwam thuis toen mama net in de ambulance lag. Opeens hoorde ik overal om me heen, “dit gaat mis snel naar het ziekenhuis nu!!’’. Ik was bang, heel bang en ik barstte in tranen uit.

Het was een week later. We waren in het ziekenhuis voor een gesprek met de dokter

We liepen het ziekenhuis binnen. Papa liep naar een verpleegster toe en zei: “Hallo, wij zijn hier voor mijn vrouw, Roos Aerts.” De verpleegster zei: “En u bent? “Ik ben Henk Aerts en dat is mijn dochter Selena Aerts”, zei mijn vader.

“Oke, komt u maar met mij mee.” Ze leidde ons naar de juiste plek. De dokter zei: “Hallo, ik ben dokter Theo Kemper.’’ Hij begon dingen uit te leggen waar ik toch niks van snapte, maar toen werd het belangrijker. Hij begon te vertellen wat er nu precies was gebeurd, door de onderzoeken en verschillende testjes kon de arts vertellen wat er was gebeurd. Hij vertelde het en dat maakte zo veel indruk op mij dat ik het nooit zal vergeten.

Hij zei: “Uw vrouw heeft een zelfmoordpoging gedaan. De analyses wijzen dat uit. Aan de wonden te zien heeft ze haar polsen proberen door te snijden. Was uw dochter net iets eerder geweest had ze dit kunnen voorkomen.” Het was doodstil in de kamer. Ik wist niet wat ik moest zeggen…. “Door mij ligt ze dus nu in het ziekenhuis”, zei ik en barstte in tranen uit. De dokter zei direct: “Nee, het is zeker niet jouw schuld, want dit gevecht heeft ze van zichzelf verloren en daar kan jij niks maar dan ook niks aan doen.”

Papa vroeg aan mij of ik naar mama wilde, maar daar had ik nu geen behoefte aan. Papa wilde wel gaan, dus ik zei tegen hem: “Ga jij maar naar mama, ik vraag wel een lift naar oma.”

Ik liep het ziekenhuis uit en regelde een lift. Toen ik aankwam ging ik direct naar Pleun toe. Mijn zus was op haar kamer huiswerk aan het maken toen ik huilend binnenkwam. Ze vroeg wat er aan de hand was, dus vertelde ik dat. Nadat ik met haar gepraat had en ook veel had moeten huilen, viel ik in slaap. Toen ik wakker werd bracht opa mij naar huis. Mijn ouders bleken al thuis te zijn. Papa nam me apart en zei direct: “Mama heeft last van psychoses en zal daarvoor hulp krijgen en medicijnen in moeten nemen. Ze zal niet meer dezelfde worden.” Toen ik mama in haar ogen keek was dat de laatste keer dat ik dat normaal deed. Sinds dat moment, heb ik mama nooit meer normaal in haar ogen kunnen kijken, zonder mezelf elke keer schuldig te voelen met de gedachte: “Ik had je kunnen helpen, maar dat heb ik niet gedaan”. “Gaat alles wel goed met je?”, vroeg papa. Ik antwoordde: “Nee, ik denk de hele tijd na over mama”. Papa zei: “Ik weet wel iets. We gaan naar een psycholoog.” Deze gaf me tips, legde me van alles uit over mama’s ziekte en ze luisterde ook goed naar me. Van haar moest ik wat kleine dingen onthouden: ik moest blij zijn met mijn lijf, ik moest blij zijn dat ik een slimme meid ben en het belangrijkste dat ik goed ben zoals ik ben. Sinds dat ik bij de psycholoog ben geweest heb ik er af en toe nog last van, maar inmiddels veel minder. Dus mijn tip: als je ergens mee zit praat erover, uiteindelijk zit je veel lekkerder in je vel en heb je een fijner gevoel.

 

De drakenelf

Posted on: januari 12th, 2017 by Scholieren

De drakenelf

Alles ging fout. Ik wilde nog vluchten, maar mijn groene pak bleef hangen en het was al te laat. Hij zag mij, hij keek mij in de ogen. Ik zag zijn roodgloeiende ogen van woede, verdriet en toch wel een beetje bang. 1 verkeerde beweging en ik was klaar. Zijn mond ging open en zijn vlijmscherpe tanden kwamen tevoorschijn. Ik stak heel voorzichtig mijn hand uit, maar hij was bang voor mij. Dat beest was nog groter en enger dan ik eigenlijk zou ik bang moeten zijn. Waarschijnlijk had het beest nog nooit een ander wezen gezien, ik ook niet voordat ik hem zag.  Hij vloog toen weg. Ik was van plan hem nog achterna te gaan, maar dat zou gevaarlijk kunnen zijn. Dat was de eerste draak die ik ooit had gezien en niet de laatste. Het was verboden om de draken op te zoeken alleen de elven met de hoogste rang mochten dat en daar was ik niet een van. Elke draak is anders en niet alle draken zijn slecht, maar ook niet alle draken zijn goed. Ik heb geleerd om te vliegen van een draak. De draak heeft grote vleugels om makkelijk omhoog te komen en was erg dun zodat de wind er makkelijk langs kan. Ik probeerde de draak na te doen en leerde toen hoe ik moet vliegen. Ik moest nog veel leren om hoge rang te worden, het vliegen was al een mooi begin. Ik voelde mezelf nooit speciaal, maar ik heb nog nooit een andere elf zo dicht bij draken gezien als ik. Ik heb nooit het slechte deel van draken meegemaakt, maar volgens de verhalen wil je dat ook niet. Toen ik de draken leerde kennen waren ze best aardig ze hebben me tenslotte leren vliegen. Volgens de hoge rank zijn draken slecht, maar ooit ga ik het tegendeel bewijzen. De draken hebben een slechte reputatie bij de elven, omdat er ooit een lange en pijnlijke oorlog was. Er was geen winnaar of verliezer bij de oorlog er kwamen te veel slachtoffers en er moest een vrede komen. Die kwam er ook, maar de haat ging nooit weg. Toen de klok 12 uur sloeg en de hoge rang waarschijnlijk al sliep, sloop  ik naar buiten op weg naar het hol. Het hol was een van de gevaarlijkste plekken voor een niet getrainde elf. Ik liep naar binnen en zag daar 4 draken, 2 van de draken waren al bekend voor mij. Ik liep dichterbij, maar ik stond opeens op een tak. De tak kraakte en het geluid was hard. De draken werden wakker, Maar daar lag ze dan de blauwe draak met de grote vleugels. De draken liepen op me af en keken woest dat ik hun uit hun slaap had wakker gemaakt. De draken waren boos, maar 1 van de draken nam het voor mij op. Ze gooide haar vleugels als een deken over me heen, 2 van de draken kende ik al. De draak die vroeger weg vloog stond toen achter de vleugel, de draak communiceerde met de draak die mij beschermde en kwam aan mijn kant. Toen stonden er 2 draken aan mijn kant en 2 aan de andere kant. De laatste 2 draken kwamen toen ook bij mij en ik ben welkom bij de draken. We hadden een hele leuke tijd samen, maar we moesten weer een keer uit elkaar. Ik zwaaide de draken uit en vloog weg. Toen ik thuis kwam was het al weer laat, ik rende naar boven en ging meteen naar bed. De dag daarna kwam ik beneden en mijn ouders keken me raar aan. Ik keek in de spiegel en er was niks. Ik vroeg waarom ze zo keken en grepen naar m’n nek en daar zat een ketting. Ik keek naar de ketting en dacht aan gisteren. Ik had een drakenketting om, een teken van vriendschap met de draken. Mijn ouders waren woest en verboden het om met de draken contact te houden, niet dat ik daar na zou luisteren. Ik was van plan om die avond nog naar de draken te gaan en niks zou mij weerhouden. Die avond besloot ik om weg te sluipen, maar dat was niet mijn beste idee. Het was avond en ik vloog uit het raam naar buiten, toen ik aankwam bij de draken was er iets anders. De draken waren bang, maar niet voor mij er was iets anders. Ik liep door de grot en keek wat er was, maar er leek niks anders te zijn tot ik omlaag keek en daar lag iets. Het was glimmend en lang, van hout en had een kromming aan het eind. Het was een staf, maar niet zomaar een staf het was de staf van mijn vader. Ik keek weer rond, maar mijn vader was nergens te bekennen. Maar net toen ik van plan was met de draken te gaan vliegen zag ik iets. De groene draak zijn vleugel was gewond. Ik keek om me heen en alle draken hadden pijn. Mijn vader was dus gewelddadig en heeft de draken pijn gedaan. Ik was er klaar mee en ging woedend naar de opper elf. Magnus, is zijn naam. Ik liep naar het paleis en ik werd tegengehouden door 2 wachters. Toen de wachters niet opletten sloop ik er langs en kwam bij de opper elf. Ik moest mij inhouden en niet gaan schreeuwen. De elf en ik sloten een compromis waar niemand won en er geen oorlog meer was. De opper elf maakte het een dag later al duidelijk en de elven moesten het conflict vergeten. Ik ging naar de opper draak en vertelde alles. De draken en de elven vonden het allebei goed en het is nu nog steeds een vriendschap. Elk jaar op de dag dat de compromis was gesloten is er nu een groot feest, waar de draken en de elven samen vliegen en andere leuke dingen doen. De oorlog werd nooit vergeten, maar het voelde alsof er nooit een oorlog was.

 

Een stap

Posted on: januari 12th, 2017 by Scholieren

Ze twijfelde. Wat als het niet zal lukken? Ze zette een stap achteruit, haar angstige blik ronddwalend in de duisternis. Geen kleinste straaltje licht was er te bemerken. Wat nu? Ze kon er toch niet eeuwig voor blijven vluchten, ooit moest het gebeuren. Tenzij ze niet vrij wou zijn, dan zou ze waarschijnlijk een nieuwe schuilplek vinden en elke dag hopen dat ze haar niet vinden. Maar ze had er al genoeg van na al die jaren. Ze wou eindelijk voor een keer voelen hoe het is om vrij te zijn, zonder zorgen, zonder angsten, zonder slapeloze nachten. Daar was ze het meeste bang voor…voor de nacht. Want ’s nachts kwam het allemaal terug: de gezichten van mensen die haar ooit nog zo dierbaar waren, de schaduwen, hun stemmen… Het gekrijs achtervolgde haar stap voor stap, het maakte haar gek. Elke nacht steeds opnieuw. Soms had ze het gevoel dat ze vluchtte om aan zichzelf te ontsnappen, aan haar verleden. Maar ze wist wel beter. Ze moest het doen, ze had geen keus. Nu niet en vroeger ook niet, gewoonweg nooit.

Diep haalde ze adem in en sloot voor heel even haar ogen om tot rust te komen. Niet dat het iets uitmaakte. Het was toch te donker om iets te zien. Enkel het gefluister van de wind was hoorbaar, net muziek voor de bladeren die nog aan de bomen hingen. En daar in de verte was er nog iets. Voetstappen. Ze hoorde voetstappen, steeds dichterbij. Haar ogen vlogen open, de paniek groeide met elke seconde. Haar bonkende hart deed haar bloed koken, haar handen begonnen weer te trillen. Er was geen tijd meer om te denken en al zeker niet om te blijven twijfelen. Ze hebben haar gevonden er is geen weg meer terug, ze moet het doen. De stemmen waren nu ook hoorbaar, iemand gaf een signaal en de anderen schoten in gang. Ze liepen op haar af, nog een paar meter… Nu of nooit. En ze sprong.

Hoog aan de de hemel verschenen de eerste sterren, weldra zal de nacht weer vallen. En dan zullen de schaduwen weer komen. Voorlopig kleurde de horizon roos en donkerblauw. Nog maar een kleine schittering van de zon kon ze zien, zo klein en toch nog prachtig als altijd. Nu voelde ze geen angst meer, maar een nabijheid van iemand die ze niet kende en toch kende ze hem zo goed. Het voelde fijn.

Treinrit

Posted on: januari 12th, 2017 by Scholieren

Elke dag nam hij dezelfde trein naar zijn werk. Hij zat altijd alleen, zei nooit een woord tegen iemand. het enige wat hij deed was het landschap memoriseren, woorden van de tunnels van buiten leren en vooral mensen bestuderen. Nooit gebeurde er iets opvallends, de mensen gedroegen zich bijna allemaal hetzelfde, zoals een kudde schapen gingen ze allemaal op hetzelfde tijdstip naar hun werk en ze keerden ook allemaal terug op hetzelfde tijdstip. Natuurlijk behoorde hij ook tot die kudde schapen, want hij deed exact hetzelfde.

Maar toen werd de routine van iedereen op de trein verstoord: een arme jongeman probeerde mee te reizen zonder een ticket te kopen, daar had hij simpelweg geen geld voor. De conducteur bemerkte hem en  terwijl  de man zijn best deed om toch te blijven in de trein, werd de conducteur zo kwaad dat hij hem letterlijk uit de trein smeet. Niemand deed iets, allemaal vonden ze dit heel normaal, maar hij was anders. Zoals een schaap afdwaalt van de kudde, stapte hij af en volgde de arme jongeman.

Toen hij eindelijk de jongeman had ingehaald vroeg hij: “Waarheen wil je?” En hij antwoorde: “maakt niet uit naar waar, gewoon ver weg van hier.” Hij dacht eventjes na en besloot voor zichzelf en hem een treinkaartje te kopen voor de eerstvolgende trein. Ze wisten allebei dus niet waarnaar ze gingen en stapten op de trein. Gedurende de hele treinrit zeiden ze allebei niets en wanneer ze afstapten vroeg hij: “En wat nu?” Waarop de jongeman antwoorde: “Dat weet ik niet. Waarschijnlijk een job zoeken zodat  ik geld heb om ergens te overnachten of ik kan op avontuur gaan en niet zoals alle anderen een saai leven verkrijgen dat alleen maar bestaat uit werken.” Hij dacht lang over deze woorden na en besefte dat hij ook zijn leven eens moest veranderen, maar hoe?

Terwijl hij hierover nadacht, zei de man: “Bedankt voor het treinkaartje, maar nu moet ik toch eens doorgaan.” Toen zei hij niets meer draaide zich om en vertrok. Hij stapte terug op de eerstvolgende trein naar huis en eindelijk bedacht hij hoe hij een beetje verandering kon aanbrengen, hij ging gewoon simpel beginnen: niet elke dag dezelfde trein nemen, eens afwisselen en zo nieuwe mensen ontmoeten. Voor hem was dit een grote stap, want zijn leven was heel gestructureerd. Tegen verandering kon hij niet.

Wanneer hij 5 jaar later terug die ene trein pakte kwam hij de (nu niet meer zo jonge) man tegen en eindelijk besefte hij dat de man zijn verloren zoon was. Die was weggelopen op zijn vijftiende, omdat hij een drankprobleem had en het geld altijd hieraan uitgaf. Op een dag kon de jongen al deze problemen niet meer aan en besloot hij weg te lopen. Nu hij zijn zoon opnieuw was tegenkomen en hem zag met zijn vrouw en kind, besloot hij zich niet te mengen in hun leven. Hij had al voor genoeg moeilijkheden gezorgd. Nu wist hij wel dat alles met hem in orde was en begreep hij die plotse dwang die hij had om toen de man te helpen. Hij was blij dat zijn zoon hem niet herkend had. Dit was het beste voor beide partijen. Ze konden nu allebei eindelijk gelukkig hun leven verder leiden.

Vrij

Posted on: januari 12th, 2017 by Scholieren

Het is nog donker en koud buiten als ik op maandag ochtend mijn bed uit stap. Ik loop naar de badkamer en kijk in de spiegel. Mijn zwarte, losse krullen hangen slap langs mijn gezicht. Ik haal een hand door mijn haar en zucht. Ik stap in de douche en als het warme water mijn lichaam raakt ontspan ik meteen. Ik weet dat ik hem vandaag weer zie, dat is elke maandagochtend namelijk, om 08;25 uur om precies te zijn. Hij komt van links en gaat naar lokaal B12. Dat weet ik niet omdat ik hem in de gaten houd hoor ik ben niet gek, dat weet ik nog omdat hij me dat vertelde toen we nog samen waren, toen we nog gelukkig waren. Of ja ‘we’ ik moet zeggen toen IK nog gelukkig was. Hij is wel gelukkig nu. Met haar. Al mijn vrienden zeggen hetzelfde; je moet hem vergeten, hij is je niet waard, en dat soort dingen. En ik weet ook dat ze gelijk hebben, maar als je zo veel van iemand houdt, als ik van hem, dan kun je niet zomaar verder gaan. Je zit elke dag met pijn in je buik en een sprankje hoop die diep van binnen zit, hoop, hoop dat hij zich bedenkt, de hoop dat hij weer terug naar jou komt. Onzin natuurlijk, als hij jou had gewild dan was hij wel gebleven. Ik schud de gedachtes van me af en stap uit de douche en een half uur later zit ik op mijn fiets. De wind blaast zachtjes tegen mijn gezicht en de kou voelt fijn. Hij is niet de enige die me verlaten heeft hoor, ik ben het ondertussen wel gewend. Mijn vader is er vandoor gegaan met mijn moeder haar zus, zo’n jaar geleden, dus verloor ik mijn vader en lievelingstante in een klap. Mijn moeder is er wel, maar ze is er ook weer niet. Ze is er fysiek, mentaal zit ze heel ergens anders, God mag weten waar. Mijn beste vriendin is verhuisd en spreek ik ook nooit meer door een of andere domme ruzie. Zo kan ik nog wel even doorgaan.
Mensen zijn eng als je het zo bekijkt, het ene moment zeggen ze dat ze van je houden, je nooit verlaten, en het andere moment, zonder waarschuwing, hoor je de woorden ‘ik wil het niet meer’ en ze hebben je kapot gemaakt. Ik ben bang dat ik nooit meer over hem heen kom, de manier hoe zijn ogen diep in die van mij keken en zijn glimlach die mijn hart tien keer sneller liet kloppen. Hij was de enige die me geliefd liet voelen, zijn aanraking liet al mijn onzekerheden verdwijnen en elektriciteit door heel mijn lichaam lopen. Nooit had ik gedacht dat hij mij zo veel pijn zou doen. Hij heeft mij gebroken terwijl ik hem alles gaf wat ik had. Ik hoor van mensen dat ze vinden dat hij dom is geweest, omdat hij mij nu kwijt is, maar ik denk dat het domste was dat ik hem ooit zo diep toeliet in mijn hart terwijl ik diep van binnen wist dat het zo zou eindigen. Ik ben de domme, ik heb de fout gemaakt, het is mijn eigen schuld…
Ik ben het zat. Ik weet de perfecte plek. Ik sla rechtsaf, stukje rechtdoor, de brug over, naar links, het bos in, en tien minuten later ben ik er. Het is er prachtig, hoe de opkomende zon reflecteert in het water en weerkaatst op de bomen aan de oever. Ik stap van mijn fiets en zet hem tegen een boom, niet op slot, heb ik toch niks meer aan. Ik heb hier vaak over nagedacht; hoe het zou zijn, of het pijn doet, waar ik heen ga. Ik kijk op mijn telefoon; 08;20. Ik doe mijn schoenen uit en loop naar de oever. ‘Niet twijfelen’,  zeg ik hardop tegen mezelf, ‘ het is beter zo.’ En ik zet de stap. Het koude water kruipt tussen mijn tenen en bij elke stap die ik zet word ik zekerder van mijn keuze. Er is hier niks meer, ik heb niemand meer. Ik ga liggen; ik zie mijn haren die gewichtloos om me heen dobberen. Het zal al wel 08;25 zijn, en met die gedachte voel ik het water mijn neus in stromen en na een paar minuten is alle ellende eindelijk voorbij. Ik ben vrij.

Op naar de volgende stap!

Posted on: januari 12th, 2017 by Scholieren

Wat een vreselijk examen was dat. Management en Organisatie is nou eenmaal niet mijn beste punt, maar ik moet het toch doen. Het is half vijf als ik weer op de fiets stap om weer naar huis te gaan. Als het goed is, moet het programma van de introductiedagen van mijn vervolgopleiding in mijn mailbox zitten. Tio… Wat heb ik daar veel zin in zeg. Eindelijk weer het gevoel hebben dat je door kan leren. Want ik bedoel, iedereen heeft het wel op een bepaald moment gehad van de middelbare school. De rond rennende brugklassertjes met hun grote tassen, de eeuwige leraren die tot op het laatste moment nog zeggen dat dit het laatste jaar is en de eeuwige uitspraak van leraren die je niet meer terug wil zien. Daar heb ik geen probleem mee. Als ik thuis kom en mijn laptop opstart begint het toch wel een beetje te kriebelen. Een nieuwe school, een nieuwe weg, een nieuwe start. Als ik mijn mail open, kan ik wel gillen. Het programma was binnen! We gingen een paar dagen naar de Ardennen om daar te ontgroenen. Nu nog wachten op mijn examenuitslag.

Een maand later sta ik met een brede grijns op mijn gezicht tussen de anderen geslaagden. Ik heb toch wel even geflikt. Cum laude voor de HAVO geslaagd met een gemiddelde van 8,3. Daar kan je heel wat over zeggen. Ik had mijn diploma ondertekend en nu sta ik met mijn beste vriendin Merel bij onze mentoren. We besluiten nog even door school te lopen. Het is tenslotte de laatste keer dat we er zijn. We lopen langs de mediatheek, de computerlokalen en de andere leslokalen. Het is toch wel raar om hier weg te gaan. Na vijf jaar ineens weg gaan is wel vreemd. Je hebt je de school helemaal eigen gemaakt en weet elke dag precies waar je heen moet. Nu wordt het toch wel anders. En dat weet Merel ook. We gaan elkaar ook veel minder zien. Zij gaat naar Zwolle en ik naar Hengelo. Veel van mijn vrienden gaan naar Deventer of Enschede. Sommige gaan ook op kamers in Utrecht en Rotterdam. Ik niet, ik blijf toch echt lekker thuis. Ik lach onbewust als ik een idee krijg. Ik wil altijd al een keer op mijn fiets door de school fietsen. Met de stunt dag, die voor de examens waren, mocht het helaas niet. Dan maar nu. Ik vraag Merel om haar fietssleutel, die ze gelijk geeft. Zij gaan achterop zitten zodra de fiets binnen is. We gieren van de lach als we door de gangen fietsen. De conciërges rennen nog achter ons aan maar we vluchten op de gammele station fiets van Merel. We vliegen van de invalide helling af en ontwijken andere leerlingen. Ouders houden voor ons de klapdeuren open als we weer naar buiten racen. Op weg naar een nieuwe start!

verlaten

Posted on: januari 12th, 2017 by Scholieren

‘Waar ben ik?’ Zegt Laura hardop. Geen antwoord. Ze ziet alleen zwart en wat maanlicht dat door een spleet in de muur schijnt. Ze probeert zich los te trekken maar het lukt niet. Ze voelt de touwen branden in haar polsen. Ze denkt na over wat er gebeurd is. Over dat ze van de stad naar huis liep en langs het station liep de steeg in waar altijd jongeren zitten te roken en te drinken. Dit keer was het anders. Ze zou uitgejoeld worden als ze door de steeg zou lopen. Dit keer was er helemaal niks. Alleen een paar kapotte vuilniszakken en het licht van een lantaarn. Ze voelde de kou over haar lichaam glijden. Ze kreeg kippenvel. Ze voelde angst opkomen maar dacht bij zichzelf: ‘Het is maar tweehonderd meter..’ Halverwegen de steeg zag ze iets raars. Ze zag beweging in haar ooghoek. Ze was de eerste honderd meter echt alleen de steeg ingelopen toch? Ze liep door en keek achterom. Niks te zien. Toch liep ze een tikje harder. Er viel glas kapot achter haar maar niet ver van haar vandaan. ‘Oke nu begint het wel heel eng te worden.’ Dacht ze bij zichzelf. Maar liep verder. ‘nNog tien meter, Het is bijna over.’ Zei ze zachtjes tegen zichzelf. Ze voelde een hand op haar schouder en draaide vlug om. Helemaal niks.. Ze draaide terug en er stond een lange man met een zwarte regenjas over haar heen gebogen. Hij pakte haar bij haar arm en voordat ze iets kon roepen sloeg hij zijn hand op haar mond. Tegenstribbelend probeerde ze zich los te rukken, maar niks hielp. Er kwam een auto aangereden en de man zette haar met geweld in de auto. Hij pakte een staafje uit zijn jas. Het leek op een reageerbuisje maar het was niet zoorzichtig. Hij maakte het open en stapte in de auto. Laura riep om hulp maar er was niemand te bekennen. De man had een spuit in zijn hand en prikte haar in haar arm. Ze gilde. Ze voelde haar gedachten weg glijden en haar oogleden zakken.

Toen ze wakker werd zat ze op deze houten stoel. Het was akelig koud en erg donker. Ze voelde zich erg misselijk. Ze riep om hulp op haar aller hardst. Niemand. Ze begon te denken: ‘waarom ik en waarom nu?’ ze voelde zich koud en verlaten..

Amelia

Posted on: januari 12th, 2017 by Scholieren

een meisje dat er was. of je het nou wilde of niet, je zag haar. een meisje dat de ruimte vulde, al was die nog zo leeg. het kwam niet door haar figuur of haar enorme bos haar – het kwam door haar ogen. haar donkerbruine ogen, altijd omlijnd met een lijntje eye-liner en een laagje mascara. hij wist dat als ze in de zon keek, haar ogen bijna oranje leken. hij wist niet wat die ogen gezien hadden. men zegt dat de ogen de poorten naar de ziel zijn. als er geen licht is, zijn Amelia`s ogen duister.

de eerste keer dat zijn ogen de hare ontmoetten, was in de wachtkamer van de dokter. ze zat daar, met haar glanzende Doctor Martens en haar afbladderende nagellak. met haar handen ineengevouwen en haar veters in een dubbele knoop. het felle tl-licht gaf haar een heel doodse uitstraling, maar ze was prachtig. hij had de moed er niet voor om op te staan en tegen haar te zeggen hoe mooi ze was. ze zou zich ongemakkelijk voelen. of niet – misschien wist ze wel hoe ze met complimentjes om moest gaan. maar als een vreemde in de wachtkamer van de dokter tegen haar zei dat ze mooi was, zou ze vast even glimlachen. hij keek haar eventjes aan en glimlachte naar haar. ze lachte terug. niet heel gemeend, maar dat hoefte ook niet. ze had een zwarte broek met een rood geblokt blousje gedragen en haar haren in een slordige knot. haar lippen waren niet rood zoals altijd, en ook haar eyeliner was verdwenen. zoals ze daar zat, liet ze gebroken prachtig lijken en sterk onverslaanbaar. ze had een universum op haar schouders maar droeg het als een paar vleugels.

de tweede keer was in een koffiebar. een oud muffig ding waar je dure koffie betaalde, maar er de hele dag kon zitten als je dat wilde. hij was bezig met zijn laptop en zij ook. hij zat achterin, zij zat voor het raam. toch kon hij zien dat ze huilde. stille tranen liepen over haar wangen met haar handen stevig om haar latte machiatto geklemd en niemand die haar hielp. ze huilde stil, staarde naar buiten, verborg haar gezicht achter haar haren die ze los had. opstaan en naar haar toe gaan om te vertellen dat hij sinds de eerste keer dat ze elkaar zagen zo vaak over haar gedacht heeft en dat hij zich heeft afgevraagd waarom ze bij de dokter was, durfde hij niet. toen haalde ze haar neus op, stifte haar lippen opnieuw rood en veegde met een doekje haar uitgelopen mascara weg. er verscheen een betoverende lach op haar gezicht. wat zou ze mooi zijn als haar ogen meelachten.

het was een meisje dat zich verstopte achter boekenkaften. haar haar verfde en glitters onder haar ogen plakte. soms had ze een periode waarin ze geen vlees at of alleen maar tweedehands kleren droeg, maar in ieder geval ze geloofde in zichzelf. ze sloeg maandagen simpelweg over en huilde om haar verdronken vis. ze ging soms wandelen door de stad en kuste drie jongens op een avond. ze brak een hart of dat van zichzelf. soms werd ze dronken en soms niet, bleef nuchter in de straten die zichzelf verloren. ze stampte met haar zwarte kisten in versgevallen sneeuw en likte van bevroren lantaarnpalen, stak haar bebloede tong uit naar voorbijgangers. ze was onzeker en ja, ze beet nagels. trok het behang van de muur en maakte alleen maar foto`s in zwart-wit. leerde gedichten uit haar hoofd en zei tegen iedereen dat ze beter kon dichten dan Plato, maar schreef vervolgens nooit iets. ze schreeuwde tot haar keel ruw en rauw voelde.

hij bedacht zich dat sommige mensen kunstenaars zijn en andere mensen kunst.

De Overstap

Posted on: januari 12th, 2017 by Scholieren

Mark kijkt naar de grond. Tegels. Het zijn er honderden. Hij staat te wachten op de metro samen met Jack. Ze waren net met de bus naar het metrostation gegaan, Mark had geen auto en Jack woonde niet in Los Angeles. Dan doet hij opeens zijn hoofd omhoog. “Wat ga je doen als je weer in Ierland bent?” Vraagt Mark aan hem terwijl hij hard zijn best doet om een glimlach te schenken aan zijn vriend. “Ik weet het niet. Hetzelfde als altijd denk ik.” Glimlacht Jack verdrietig. Er valt een stilte tussen de twee vrienden. Jack en Mark zagen elkaar niet vaak in het echt. Ze leefden honderden kilometers van elkaar weg. Jack woonde in Ierland, waar hij al zijn hele leven had gewoond en Mark was in de loop van de tijd van Cincinnati naar L.A. verhuisd voor zijn werk. Hij haalde zijn hand door zijn roodgeverfde haar en slaakte een diepe zucht. Jack keek op en vroeg: “Is er iets mis?”. Eventjes dacht Mark de waarheid te zeggen, maar hij besloot om te gaan met een simpele: “Het gaat prima, ik ben gewoon een beetje moe.”. Jack knikte. Ze hadden inderdaad niet veel geslapen de laatste weken. Ze hadden eigenlijk alleen maar games gespeeld. Maar toch dacht Jack dat er meer achter zat dan weinig slaap. Uiteindelijk besloot hij om er niet op in te gaan en keek op zijn horloge. De metro zou er over 5 minuten zijn en het perron stond nog bijna leeg. Een tweede zucht verliet Marks mond en Jack keek op naar hem. “Weet je het zeker?” Vraagt Jack twijfelachtig. Mark draaide zijn hoofd naar zijn groenharige kameraad en besloot om te zeggen wat hij al wist vanaf de eerste keer dat hij de Ier had gezien. “Ga alsjeblieft niet weg.” Zei hij voordat hij wist dat dit de woorden waren die uit zijn mond kwamen. “Wat bedoel je?” Zei Jack, verwarring in zijn ogen. “Blijf alsjeblieft hier met mij, Seán.” Antwoorde Mark, dit keer een stuk duidelijker. “Dat is de eerste keer in jaren dat je me weer zo noemt…” Mompelt Jack. Mark schenkt Jack een halve glimlach en kijkt dan op zijn horloge. Nog 3 minuten voor de metro komt. “Het is ook de eerste keer in jaren dat ik je vertel wat ik echt denk. Seán. Toen ik je voor de eerste keer zag, viel ik voor je, ik viel zo hard en snel, dat ik de grond al had geraakt toen je je voorstelde. En daarna is het me nooit meer gelukt om die put uit te klimmen. Ik zei er nooit iets over omdat ik dacht dat jij je niet zo voelde en als je me had afgewezen dan was er een vriendschap verpest en een droom voorbij.” Legde Mark uit. Jack was even stil terwijl hij al deze nieuwe informatie verwerkte. “Ik.. Ik denk dat er dan een droom voorbij is. Maar er begint ook een nieuwe. Je ogen glimlachten mee met je mond de eerste keer dat ik je zag. Ik had dat nog nooit gezien, een sprankel die niet te stoppen was. Ik geloofde niet in liefde op het eerste gezicht, maar ik denk dat ik naar mijn hart moet luisteren hier. Niet naar mijn brein.” Zei Jack, een liefdevolle blik op zijn gezicht. Mark keek terug, een blije expressie was te zien op zijn gezicht. “Dus wat zeg je? Blijf je hier? Met mij?” Vraagt Mark hoopvol. “Ja.” Was alles wat Jack zei voordat hij zijn lippen op die van Mark zette. Na de kus kijkt Jack op zijn horloge. Nog 1 minuut voordat de metro komt. Maar de twee geliefden draaien zich om en lopen richting de bushalte.

Jaren later vraagt Mark Jack ten huwelijk op datzelfde perron waar ze wachtend op hun overstap hun leven samen waren begonnen.

Leugen tot waarheid

Posted on: januari 12th, 2017 by Scholieren

Er zijn talloze momenten op één dag dat je de overstap maakt. Talloze momenten waarop gedachten door je hoofd heen razen als een soort tornado, vastbesloten jouw humeur te verwoesten. Talloze momenten waarop jij zelf die tornado bent en jouw eigen humeur verpest. Talloze momenten waarop jij het voor elkaar krijgt jouw humeur te verpesten, door alleen maar de waarheid aan jezelf voor te leggen.
Op dit moment zat ik in het aardrijkskundelokaal, mij af te vragen waarom ik in hemelsnaam het vak had gekozen en nog twee jaar zou moeten houden ook. Ik zou kunnen liegen en zeggen dat ik het vak heb gekozen, omdat ik dacht er later wat aan te hebben. Omdat ik dacht dat ik het een leuk vak zou vinden. Omdat ik dacht dat het goed bij mij paste en ik er hoge cijfers voor haalde. Maar dan zou ik liegen, realiseerde ik mij. Ik had mijzelf de afgelopen drie maanden voorgehouden dat ik aardrijkskunde om één van de hiervoor genoemde redenen had gekozen. Al was het er maar één, het zou genoeg zijn. Als geloofde ik er maar één, het zou genoeg zijn.
Maar momenteel, terwijl meneer Hemstar op het bord schrijft met een ouderwets krijtje, was ik mij er akelig van bewust geworden dat ik het voor elkaar had gekregen mijzelf drie hele maanden voor te liegen, zonder het zelfs eigenlijk door te hebben. Je zou je af kunnen vragen hoe het kan dat iemand zich voorliegt. Je zou je af kunnen vragen of ik een idioot ben, omdat ik er drie maanden over had gedaan achter iets te komen waar ik eigenlijk al lang achter had moeten zijn geweest. Mensen zeggen altijd dat je jezelf het beste kent, omdat jij de enige bent die weet wat er in je om gaat. Ik had dat heel lang geloofd. Ik had heel lang geloofd, net zoals zoveel mensen, dat ik mijzelf het beste kende van iedereen op aarde. Het zou zo kunnen zijn dat dat nog steeds zo is, maar dat zou betekenen dat iedereen die op aarde rondliep, nog minder gebruik maakte van zijn of haar hersencellen dan ik.
Wat ik mij realiseerde op het moment dat het krijtje van meneer Hemstar brak, was dat ik hier eigenlijk zat, omdat ik te bang was geweest een eigen keuze te maken. Ik was, net zoals bijna alle andere in Nederland, veertien jaar toen ik een vakkenpakket moest kiezen dat waarschijnlijk de rest van mijn leven zou bepalen. Wat ga ik later doen? was de vraag die bijna iedere klasgenoot zich stelde toen we te horen kregen dat we een profielwerkstuk moesten maken waarin we onze beslissingen uitlegden. Op dat moment had ik naar het bord gestaard alsof mijn leven ervanaf hing. Ik was te bang geweest de docente die voor het bord stond aan te kijken. Te bang om mijn ogen te laten zien, wetend wat ze haar zouden vertellen. Ik heb geen enkel idee van wat ik later wil doen.
Natuurlijk had mijn beste vriendin, Valerie Mortiman, haar hele leven al uitgestippeld voor we zelfs ook maar het eerste lokaal op de middelbare school betraden. Valerie was iemand die al maanden van te voren plande wat ze in de zomervakantie zou doen, op de dag na, soms zelf het uur. Ze was iemand die altijd van te voren wilde weten wat we in de les zouden doen. Ze was iemand die haar eigen toekomst al uitplande toen ze nog niet eens kon praten. Of dat laatste was in ieder geval hoe ik mij haar voorstelde.
Valerie had aardrijkskunde gekozen, omdat ze dacht het later nodig te hebben. Aardrijkskunde beschreef de aarde, hoe ze eraan toe was en hoe ze er duizenden of miljoenen jaren geleden uit had gezien. Valerie was iemand die nu nog dacht de wereld te kunnen verbeteren, terwijl ze later waarschijnlijk verpletterd zou gaan gaan worden door een menigte die niet naar haar luisterde, laat staan wist dat ze bestond. Ze zouden op haar hart trappen totdat ze het op zou geven, maar ik was bang dat ze tegen die tijd misschien geen hart meer zou hebben. Die zou vermorzeld, verkruimeld, door midden gehakt en uit elkaar geslagen zijn.
Ik had aardrijkskunde simpelweg gekozen, omdat zij het had gekozen. Valerie en ik kenden elkaar al sinds groep twee en hadden maar twee weken nodig om elkaar de titel beste vriendin te geven. Die titel was sindsdien nooit meer veranderd, maar ik was bang dat deze wél zou veranderen als we elkaar bijna nooit meer zouden zien. Dus ik koos een vakkenpakket dat op het hare leek. Ik koos het vakkenpakket van iemand die wist wat ze ermee wilde doen, omdat ík niet wist wat ik wilde doen.
Dit was een van die momenten dat ik de overstap maakte. De overstap van een zelf verzonnen leugen naar een bloedserieuze waarheid. Er waren veel van dat soort momenten op een dag. Zoals met nieuwjaar. Mensen maakten elk jaar voornemens zoals ik beloof af te zullen vallen of ik beloof dit hele jaar eerlijk te zijn, maar uiteindelijk hielden ze zich er nooit aan. Of bijna nooit.
Zo ging het ook meerdere keren op school. Deze keer zal ik mijn huiswerk voor geschiedenis wél maken, hield je jezelf voor. En op dat moment geloofde je dat ook, geloof mij maar. Maar even later realiseerde je je dat je zojuist door jezelf was voorgelogen.
De bel ging en Valerie stootte mij aan. ‘Gaat het wel?’ vroeg ze, met zachte stem van bezorgdheid. ‘Ja hoor,’ antwoordde ik, bijna automatisch. ‘Het gaat prima.’ Het gaat prima, scandeerde het nu keer op keer in mijn hoofd. Fijn, zei ik tegen mijzelf terwijl ik mijn boeken in mijn tas begon te stoppen, nu lieg ik niet alleen haar voor, maar houd ik mijzelf ook een leugen voor.

Het Was Voor Jou

Posted on: januari 12th, 2017 by Scholieren

Het was voor jou

“Twintig en geen cent meer”, zeg ik hem recht in de ogen kijkend, ik had er genoeg van altijd onderdanig te zijn. Op het paradijs maak ik toch geen kans meer. De man knikt en behendig klim ik in de pick-up tegen de andere mensen aan. Ronkend start de motor. Ik moet hier weg, hoe verder hoe beter.  Beschermend sla ik mijn armen om mijn buik, om jou.

Ik voelde een hevige pijn vanuit mijn buik, klapte dicht en leegde mijn maag op de miserabele planken van dit miserabele huis van deze miserabele plek. Mijn oog viel op de repen stof in de hoek van de kamer die ik normaal gesproken in mijn onderbroek leg. Het zou toch niet…

Terwijl de pick-up over de smalle paden kronkelt, zit ik diep in gedachten verzonken.
Ik neem het mijn ouders niet kwalijk dat ze me aan Nassim uitgehuwd hebben.  Met zo’n kleine bruidsschat  heeft alleen mijn leuke snoetje me kunnen ‘redden’. De fysieke littekens die hij heeft achtergelaten zullen verdwijnen, maar de mentale staan voor eeuwig in mijn ziel gegrift.

Er wordt drie keer hard op de deur geklopt. Was hij nu weer zijn sleutels vergeten? Angstig opende ik de deur. “Hoe vaak heb ik je al gezegd dat je zonder je hijab de deur niet opent”, viel Nassim meteen uit. Ik rook vrijwel meteen de alcoholwalm.”Stom teef”, vervolgde hij schreeuwend. Ik wist al wat er komen zou, het was elke avond dezelfde hel. Ter bescherming maakte ik mezelf zo klein mogelijk, vrijwel meteen kwam de eerste klap en de tweede en derde… Met zijn vuist trof Nassim me vol in mijn onderbuik.Dat was de druppel, de overstap op een keerpunt. Hij mocht me zoveel pijn doen als hij wou, maar van jou bleef hij af. Ik griste het keukenmes van tafel en haalde uit.

Het zou niet lang meer duren voor de buren er achter komen.
Schokkend komt de wagen stil te staan. Ik stap uit en begin richting de kust te lopen. Ik had dit voor jou gedaan, en voor je toekomst. Ik heb alles voor je over. Voor het eerst in mijn leven zie ik de zee, in gedachten zie ik Europa al aan de horizon liggen. We hadden nog een lange rit voor de boeg.

De stroppenaanslag

Posted on: januari 12th, 2017 by Scholieren

Remember remember, the fifth of November

Dagboek :

Mijn actie was bijna volledig gebaseerd op het verhaal van Guy Fawkes en de film “ V for Vendetta”. Alleen zat in dat verhaal een cruciale fout namelijk, de samenwerking. Daarom koos ik ervoor om deze actie alleen te ondernemen.

de stroppenaanslag

14:35 5-11-16

Exact 25 minuten voor de aanslag: mijn hart begint sneller te bonzen, wetende dat ik tussen dit en een half uur één van de grootste impacten op de stad Gent ooit geleverd zal hebben. Mijn familie en mijn dochtertje, waarvan ik zielsveel houd, zal ik dan moeten verlaten zodat zij samen met vele anderen een beter leven zullen leiden.

vanaf 25-09-16

Ik, een 40 jarige man die nauwelijks de eindjes aan elkaar kon knopen, besloot noodgedwongen mezelf aan te sluiten bij een extremistenorganisatie. Zij waren vastberaden om mij en minder  bedeelde families te helpen. Ik sloot mij aan met het gedacht dat ik iets positiefs aan het doen was, maar in plaats daarvan gaven ze mij de opdracht om daar iets aan te veranderen.

Extremisten van de organisatie begonnen met het plannen van een opstand, maar bleven zeer mysterieus. Terwijl dat hele proces aan de gang was en ik nog steeds niet meer wist, ging het ook in de thuissituatie bergafwaarts. Mijn vrouw en ik stonden op het punt om te scheiden en mijn dochtertje leed er het dan nog het meeste onder. Ik zag haar dag na dag magerder worden en dat is iets dat als ouder je hart breekt.

6-10-16

Die ochtend kreeg ik een anonieme sms met een tijdstip, een plaats en de naam van de organisatie. Ik wist niet hoe ze aan mijn gsm nummer kwamen, laat staan hoe ik daar moest geraken aangezien mijn auto in panne was gevallen, maar daar vond ik wel een oplossing voor. Een paar uur later kwam ik aan in een onaangename welgestelde wijk. Het huis waar ik verwacht werd, was een grote villa met witte muren en marmeren tuinbeelden. Toen ik aanbelde, deed een gewapende man bruusk de deur open. Ik werd meegesleurd naar binnen en de relatie tussen mij en de organisatie was plots helemaal veranderd. Gewapende mannen namen me mee naar een donkere kelder die rook naar dode ratten en verdorven eten. Ik werd vastgebonden en geslagen. Het enige wat ik uiteindelijk  nog kon doen was kijken en praten. Zich verzetten was geen optie meer. Daar stond hij dan, de man met de opdracht die de hele opstand zou regelen. Hij had plots een heel andere opdracht voor mij. Hij vertelde me dat ik het stadhuis van Gent en de Korenmarkt moest opblazen. Natuurlijk stribbelde ik tegen en probeerde ik duidelijk te maken dat ik dit niet wilde doen, maar hij had iets in zijn macht dat veel sterker was dan mezelf, namelijk mijn familie. Ik had echt geen keuze, ze kenden mijn zwakte. Ik was machteloos, dus deed ik wat ze van me vroegen…

21-10-16

De laatste dagen had ik volledig besteed aan het bedenken van mijn plan. Het moest waterdicht zijn. Alles moest perfect tot in de puntjes verlopen, ik had namelijk maar één kans, dus die mocht ik niet verprutsen. De organisatie gaf mij al de spullen die ik nodig had.

05-1-16 14:58

Ik had nog 2 minuten vooraleer ik het leven  van zoveel onschuldige mensen nam. Dit was het moment, ik probeerde mij zo subtiel mogelijk een weg te banen naar de Korenmarkt. Ik kon mijn ogen niet geloven, wie stond daar aan het stadhuis? Nee, nee nee! Op schoolreis, allemaal met schattige fluohesjes aan. Het was mijn dochtertje en al haar vriendinnetjes uit  haar klas, dochtertjes van mijn vrienden. Plots schoot me te binnen wat ik allemaal aan het doen was en wat voor een drama ik zou aanrichten. Ik rende terug naar de plaats waar ik alles kon besturen, de rioleringsbuis onder het gemeentehuis. Hopeloos probeerde ik mijn actie te stoppen, terwijl ik dacht aan het afscheid dat ik o zo graag nog zou willen hebben genomen, maar ik was te laat. Door mijn camera’s zag ik een grote knal die chaos veroorzaakt op het plein. Het laatste wat ik zag was één grote, verwoestende wolk vol ellende.

21-11-16

De begrafenis van mijn dochtertje is vandaag. Ik voel me slechter dan ooit. Deze mag ik niet bijwonen omdat ik niet kan. Ik zit namelijk in één van de best beveiligde gevangenissen van Europa. Degenen die mij dit aangedaan hebben, zijn gevlucht. Er is niks veranderd aan de maatschappij, maar het ergst van allemaal is dat mijn vrouw me haat en mijn vrienden me dood willen. Ik ben volgens mij momenteel één van de minst geliefde mannen in België. Elke dag belast ik mijn hersenen met dezelfde vragen, waarom? Ik hoop dat ik hier snel sterf en mijn dochtertje terug kan vinden in het hiernamaals.

 

Eind goed al goed?

Posted on: januari 12th, 2017 by Scholieren

Eind goed al goed?

BOEM! De deur slaat dicht. Daar staat mijn vader. “Wat heb je nu weer voor iets stoms gedaan Jayda?” schreeuwt hij. Ik kijk hem bang aan. “Trek niet zo’n dom gezicht, je weet heus wel wat ik bedoel!” schreeuwt hij weer en slaat me.

“Auw!” Ik kijk op mijn arm en zie een grote rode plek. “Nee, eigenlijk niet” zeg ik. Hij geeft me een schop tegen mijn scheenbeen. Ik voel een pijnscheut door mijn hele been.

“Ik kreeg net een belletje van je school, dat je er vandaag niet was!”

“Ik heb geen idee waarover het gaat!” schreeuw ik terug.

“Wat denk jij wel, schreeuwen tegen je vader. Rot toch op!” Hij loopt weg en slaat de deur weer dicht. Ik ga in mijn bed liggen. Ik bel Nora. “Hey Noor, kan ik bij je blijven slapen? Mijn vader en zijn vriendin gaan weg”.

Zo gaat het de laatste paar maanden dus vaak. Mijn vader en zijn vriendin schreeuwen vaak tegen elkaar. Dan verstop ik me op mijn kamer en laat ik me de rest van de dag niet meer beneden zien. Alleen om wat eten te halen. Ik moet het aan iemand vertellen, maar dan ben ik bang dat ze nog bozer worden.

Op school gaat het ook niet super. Ik zie het nut gewoon niet meer om naar school te gaan, want ik ga toch werken. Dit jaar hoef ik alleen nog maar af te maken voor de wet. Ik heb er helemaal geen zin meer in, vooral nu mijn vader en Sascha zo stom tegen elkaar doen. Ik kijk op mijn mobiel. Het is 10 uur, ik ga naar Nora.
Als ik wakker word is het 7 uur. Eindelijk een keer op tijd! Ik pak mijn tas. Als ik de trap af loop hoor ik Nora. “Hey Jayda, lekker geslapen? Kom, we moeten bijna naar school.”

Als ik thuiskom zijn ze weer ruzie aan het maken. Ik ren de trap op en zeg niets. Ik hoor mijn moeder zeggen: “Kom op John, doe normaal! Iedereen weet toch dat het niet goed gaat!”

“Doe niet zo dom. Ik ga weg, ik ben er helemaal klaar mee!” zegt hij. Ik hoor de deur dichtslaan. Ik vraag me af of hij echt weg gaat. Ik loop naar beneden en Sascha ziet me. “Ga weg, rotkind! Dit is tussen mij en je vader!” Ze schopt en duwt me, zodat ik met mijn hoofd tegen de muur val. Ik ren naar boven en moet huilen. Het doet zo’n pijn, waarom moet dit nou?

Ik pak de telefoon. Ik ga zitten op mijn bed met de telefoon in mijn hand. Ik twijfel of ik het ga doen. Het wordt te gevaarlijk. Maar als ze er achter komen, misschien gaan ze me dan nog harder slaan. Ik typ het nummer in. Nee, ik doe het niet. Misschien een andere keer. Nu is het niet het goede moment. Ik hoor haar naar boven komen. “Sorry Jayda, zo bedoelde ik het niet. Ik ben gewoon bang dat je vader niet meer terugkomt,” zegt ze. “Kijk, ik vind het ook moeilijk. Ik heb ineens een gezin met een puber erbij.”

“Ja, ik begrijp het” zeg ik.

 

Er is een week voorbij. Het gaat nog steeds niet goed in huis. Mijn vader is nog niet terug, hij slaapt bij een vriend van hem. Ik woon nu samen met Sascha in huis. Ze weet niet hoe ze met me om moet gaan. Dan worden we allebei weer boos en gaat ze me weer slaan. Ze drinkt ook veel. Als ik beneden kom staan er allemaal flessen op tafel. Ik moet hier echt iets aan gaan doen.

Op het schoolplein zie ik Nora. Ik zwaai naar haar, maar ze zwaait niet terug. Ze kijkt me aan en loopt naar haar andere vriendinnen. Zij kijken me ook aan en praten met elkaar. Ik loop het klaslokaal binnen. Nora komt naast me zitten en zegt: “Wat zie je er moe uit, je hebt ook een blauwe plek op je arm.”

“Oh, ik was van mijn fiets gevallen.”

Verder zeggen we niets. Als de les is afgelopen blijft Nora zitten. “Ik moet nog even wat zeggen tegen de docent. Ga jij alvast maar je jas pakken, dan kom ik er zo aan.”

“Prima,” zeg ik. Ik loop naar mijn kluisje en wacht daar op Nora. Nora doet zo afstandelijk. Is er misschien iets met haar aan de hand?

Als Nora terugloopt vraag ik: “Waarom moest je naar de docent?”

“Oh, ik moest even wat vragen over het wiskunde huiswerk, niets bijzonders. Snap jij het?”

“Nee, geen idee.”

Als ik thuiskom zie ik dat Sascha aan tafel zit met ijs op haar arm. Het glas in de kast is gebroken. Er liggen allemaal scherven op de grond. Er is hier iets ergs gebeurd. “Wat is er aan de hand Sascha?”

“Je vader kwam weer thuis. Nu is hij weer weg.”

“Gaat het?”

“Ja hoor.”

Ik pak de telefoon en typ het nummer in. Deze keer ga ik het doen. Ik weet het zeker. Ik druk op het groene hoorntje. De telefoon gaat over. “Met de kindertelefoon, hoe kan ik je helpen?” “Hoi, ik ben Jayda en het gaat niet goed bij mij thuis.” “Vertel, Jayda.”

De volgende dag staat er politie voor de deur. Sascha schrikt. Ze doet open. “Hallo politie, wat komen jullie doen?”

“Hallo. We kregen een melding van de kindertelefoon dat het hier niet goed gaat.”

“Heb jij dit gedaan, Jayda?” roept Sascha.

“Rustig maar, mevrouw. Het komt allemaal goed.”

De volgende dag belt Nora. “Hey Jayda, gaat het goed? Ik hoorde van de mentor dat je thuis blijft.”

“Ja, het gaat goed. Ik heb de kindertelefoon gebeld omdat het niet goed bij mij thuis ging. Ik vertel het morgen wel.”

“Top.”

De volgende dag staat de politie weer op de stoep. Ik doe open. Ze zeggen dat ik mee moet komen naar mijn nieuwe gezin. Ik wil er niet heen. Maar ze zeggen dat het voor mij het beste is…

 

Iets van mij

Posted on: januari 11th, 2017 by Scholieren

Ik hoorde het slot opengaan, keek naar de grond en stapte naar binnen. Uitstellen had geen zin meer, dat wist ik, maar dat betekende niet dat ik niet bang was. Ik vermeed naar de muren te kijken en vond mijn weg door het huis met mijn blik naar beneden gericht. Eeuwig volhouden zou niet lukken. Ik moest die pijn nog een keer voelen, nog een keer echt meemaken voordat ik verder kon. Adem in, adem uit. Ik stond op. Mam keek op maar zei niets, wetend dat ik dit zelf moest doen. Ik wilde de deur opendoen, maar schrok toen dat niet lukte. Adem in, adem uit. Demonstratief duwde ik de deur open met mijn voet en ging naar boven.

Op de gang was het donker, de gordijnen in de werkkamer waren dicht en de deur naar mijn kamer ook. Toen ik mijn spiegelbeeld in de badkamer zag schrok ik, wendde mijn hoofd af. Aan de deur van mijn kamer hing een poster, maar hij hing er al zo lang dat de randen waren gescheurd en omkrulden. Ik voelde er niets meer voor, maar in mijn kamer hingen genoeg dingen die juist teveel betekenden. Adem in, adem uit. Nu kreeg ik de deur wel open, maar het voelde onnatuurlijk, alsof je nieuwe schoenen aandeed waar je voeten nog niet aan gewend waren. Opnieuw durfde ik niet naar de muren te kijken en liep de kamer door met mijn blik strak op de vloer gericht. Ik ging aan mijn bureau zitten, vouwde mijn linkerarm op tafel en liet mijn hoofd erop rusten. Nog een keer, adem in, adem uit. Ik rechtte mijn rug en draaide om.

De klap was niet zo hard als ik had verwacht. Ik had gedacht dat ik er niet naar zou kunnen kijken, dat het gemis teveel pijn zou doen. Even vergat ik te ademen, maar toen stond ik op en bekeek ze van dichtbij. Tot mijn verbazing lachte ik zelfs. Hoeveel uren was ik hier niet mee bezig geweest? Laag na laag, kleur na kleur. Het was de eerste tekening die ik had gekleurd met de nieuwe, dure kleurpotloden. Ik was er trots op, het licht en donker klopte en hoewel ik een voorbeeld had gebruikt was het gezicht net iets anders, zodat het toch mijn tekening was geworden en geen kopie. De volgende was beter, realistischer, en de kleuren leken feller. Ik leerde steeds beter hoe ik de potloden het best kon gebruiken en vond het steeds leuker. Mijn muren hingen vol met kleuren en elke afbeelding was van mij. Boven mijn bed hingen zelfs twee schilderijen, een van een vervallen kerk en een van een sterrenhemel die zo echt leek dat het in de lijst net een raam was. Ik ging elk klein kunstwerkje af, was meteen enthousiast om weer verder te gaan, mijn ideeën op papier te zetten, maar toen ik aan mijn bureau ging zitten kon ik het niet. Nu was er wel een klap, dubbel zo hard als ik hem verwacht had. Dit was precies waar ik bang voor was geweest, waarom ik het had uitgesteld naar huis te gaan. De potloden lagen in mijn laden, nog geen meter van me af, maar ze voelden verder weg dan ooit. Ik kon het niet meer, niet omdat ik niet wilde, niet omdat ik niet durfde, maar omdat een deel van mij miste. De wond stak ineens weer en met moeite keek ik of het weer was gaan bloeden. Ik wikkelde het verband voorzichtig af, zoals de zuster me dat hadden laten zien, met een hand. Niet omdat mijn andere hand gewond was, maar omdat mijn andere hand niet meer bestond. Mijn bovenarm stopte net boven mijn elleboog, verder was er niets meer. Ik verbond de wond opnieuw staarde naar mijn bureau. Er spatte vocht op het hout, maar toen ik besefte dat ik huilde en mijn tranen wilde afvegen kon ik dat niet, omdat ik uit puur automatisme mijn verkeerde hand wilde gebruiken. Gefrustreerd sloeg ik met mijn andere hand op tafel. Waarom? Waarom ik? Ik snikte een keer maar schudde toen boos mijn hoofd. Nee, dacht ik, dit is niet wat ik wilde worden. Ik wilde alles behalve zelfmedelijden en daarvoor was maar een oplossing. Adem in, adem uit.

Ik had er zelf niets van gevoeld. Het enige wat ik me herinnerde was een fel licht en een knal. Toen ik wakker werd kon ik mezelf niet omhoog trekken, ik steunde op de hand die ik niet meer had, bovenop de wond en viel meteen flauw van de pijn. Maar pijn is iets dat je vergeet, gelukkig. Ik probeerde me voor te stellen hoe het zou zijn om zonder pijnstillers een dag door te gaan, mijn arm terug te hebben, te tekenen, een instrument te leren bespelen, puur omdat het zou kunnen. Het deed pijn, niet aan mijn arm, maar van binnen. Nog steeds was er een oplossing, ik moest me er alleen aan overgeven. Adem in, adem uit.

Voorzichtig veegde ik de tranen weg, opende ik mijn lade, haalde er een vel papier uit en legde het op mijn bureau. Ik pakte een potlood met mijn linkerhand en keek uit mijn raam. Het was grijs buiten, maar in de weerspiegeling zag ik mijn ogen en voorzichtig begon ik te schetsen. Het ging nauwelijks. Ik had een paar keer de neiging iets weg te vegen met mijn andere hand, maar onderdrukte de paniek die opkwam als dat niet lukte. Het werd donkerder en donkerder, ik zag het niet meer. Net als voeger verdween ik in het papier, de lijnen, schaduw, licht donker. Het zou moeilijk worden, ik zou geduld moeten hebben, maar ik kon het, dit was een oplossing. Het potlood leek bijna als vanzelf te bewegen en ik wist dat de oplossing, de overstap, mogelijk was. Ik zou ervoor vechten als het nodig was, hoe dan ook. Adem in, adem uit.

Onmacht

Posted on: januari 11th, 2017 by Scholieren

Onmacht

Ik voel het scheermesje nog een keer over mijn hoofd gaan. Mijn mooie bruine plukken haar vallen langs mijn hoofd naar beneden. Een vlaag van goedkope shampoo dringt mijn neus binnen. Ik moest mijn haar nog één keer wassen voor alles verdween, nog één keer met mijn handen door mijn lange lokken gaan. Ik genoot van dat moment, omdat ik wist dat het nooit meer terug zou komen. De stralen water zullen vanaf nu altijd branden op mijn hoofd. Ik heb geen haartje meer dat me tegen deze gewelddadige stralen kan beschermen. Ik was al veel kwijt geraakt de afgelopen paar jaar, maar ik beschermde mijn haar met mijn leven. Tenminste, dat zei ik altijd, maar feitelijk beschermde mijn haar mij. En nu is het weg, net als mijn leven over een paar weken, of maanden, of jaren. Ik weet het niet wanneer het voor mij gaat stoppen, maar het kan net zo abrupt zijn als het verliezen van mijn haar. Ik voel het scheermesje nu niet meer en wil mijn hand naar mijn hoofd bewegen om over mijn kale aardbol te wrijven, maar het lijkt wel of er een zak met bakstenen aan mijn arm is gebonden. Ik krijg hem met geen mogelijkheid omhoog. Ik trek en trek, maar het heeft geen zin. Als ik het niet kan voelen, dan maar zien. Ik had mijn ogen dicht gedaan vanaf het moment dat ik mijn moeders hand als een klein kind los liet en in de leren stoel was gaan zitten. Wanneer ik mijn ogen open en in de spiegel kijk, herken ik mezelf niet meer, natuurlijk weet ik dat ik het ben, maar ik ben kaal en zit als een gek te zweten in die leren stoel. Ik zie pukkels en moedervlekken op mijn hoofdhuid die ik anders nooit had ontdekt. Ik lach naar het meisje in de spiegel alsof ik het zelf niet ben. Ik wil dat meisje niet zijn. Ik wil normaal zijn, maar dat ben ik niet. Ik steek mijn hand uit naar het meisje in de spiegel en ze doet precies hetzelfde. “Stephanie,” zeg ik tegen haar, waarna ik vriendelijk naar haar lach. Dit ben ik niet, ik bedoel; ik had het niet moeten zijn. Had niet iemand anders hier kunnen zitten, dan had zijn of haar leven een grote ravage geweest. Ik voel een traan over mijn wang glijden en zodra ik het zout in mijn mond proef, geef ik mezelf een klap. Wat nou zelfmedelijden. Ik vertel aan niemand wat er met me aan de hand is, omdat ik geen zin heb in die blikken vol medelijden en vooral niet in de snel bestelde kaartjes via Greetz. Dat laat alweer zien dat mensen niet eens de ballen hebben om bij me langs te komen. Ze zijn bang voor me. Hoe kun je nou bang zijn voor iemand die net als jou is? Ik ben toch net als ieder ander? Ik sta langzaam op en loop via de gang door naar buiten. Ik gooi de deuren open en zie iedereen verbaasd omkijken. Ik snuif de stadslucht in me op. De uitlaatgassen komen mijn longen tegemoet, maar toch gaat die vieze ziekenhuislucht niet uit mijn hoofd. Ik haat ziekenhuizen. De veel te grote gebouwen, de geur van op sterven liggende mensen vermengd met de lucht van hygiënische plastic handschoentjes. Maar waar ik vooral niet tegen kan is de onmacht. De onmacht om niet alles en iedereen te kunnen genezen. De onmacht van mij om niet nog langer in leven te blijven. De onmacht tegen kanker.

 

Ontwerp door Willem Verweijen