Verhalen Archive - Mijn Kort Verhaal

Archive for the ‘Verhalen’ Category

Het laatste schot

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Het laatste schot

Van die prullenbak -waar nu een voor mij onbekend meisje tegenaan ligt, met haar handen op haar buik gedrukt, op de plaats waar een kogel binnendrong- heb ik regelmatig de binnenkant bekeken. Ze hielden mij dan bij mijn voeten vast en ‘dipten’ mijn hoofd in het afval, als was ik een stukje stokbrood dat in de kaasfondue werd gedoopt. In mijn haren de pasta van een half opgegeten boterham. Mijn neus in een verrotte appel gedrukt. Oog in oog met plastic zakjes waarin nog restjes van leverworst en paté kleefden.

Mijn blik verschuift naar de tafel die zich aan de rand van de aula bevindt. Daar zat ik vaak. Weggedrukt in de hoek las ik daar mijn boeken of leerde ik mijn proefwerken. Nu zit daar Luca. Voorovergevallen, met zijn hoofd op zijn wiskundeboek. In de zijkant van zijn gezicht, onder zijn slaap zitten twee kogelgaten -eigenlijk bedoeld voor in zijn slaap, maar richten is nooit mijn sterkste punt geweest. Hij stond daar bijna elke pauze, lachend, terwijl hij mijn boeken door de aula smeet. Nu hangt hij daar. Het lijkt wel of hij slaapt. Het rode lichaamsvocht sijpelt op zijn boek en maakt de wiskundeopgave -die hij nooit meer zal kunnen voltooien – onleesbaar.

In het midden van de aula staat een grote rode paal. Nóg voel ik mijn rug als ik terugdenk aan hoe ze mij tegen die paal drukten. Hoe ze me bespuwden en me knietjes gaven in mijn kruis. Naast die paal ligt nu mevrouw Potsier. Ze gaf Nederlands. Hoe jammer dat zij nu nét hier liep. Zij hielp mij altijd met mijn huiswerk als ik het niet begreep. “Sorry”, mompel ik.

Het automaat is het volgende object waar ik mijn ogen op laat rusten. Twee keer in mijn schooltijd heb ik daar iets willen kopen. Maar beide keren werd het geld uit mijn handen gegrist. Ik probeerde het terug te krijgen. Het enige dat ik terugkreeg was een klap.

Tranen heb ik niet meer. Jarenlang heb ik ze verspild. Urenlang heeft mijn kussensloop het vocht uit mijn ogen geabsorbeerd. Mijn hele leven is in dat kussen gestroomd. Nu sta ik droog.

Met één goed gemikt schot schiet ik de ruit van de automaat -die wonder boven wonder de kogelregen van zojuist heeft overleefd – aan diggelen. Ik pak een Snicker. En nog één. Want twee keer wilde ik hem kopen, maar kreeg ik de kans niet. Nu pak ik ze alsnog. Ik kijk nog een keer de welbekende aula rond. Ik zie ze allemaal. Dat onbekende meisje, die onbekende jongen, Luca, Rosa, Mari, Marjan, Bas, Delano, de conciërge, mevrouw Potsier, meneer Jansen. Ik open het magazijn van mijn wapen. Nog twee kogels.
Het ‘prullenbakmeisje’ is nog steeds druk bezig het bloeden te stelpen. “Wacht maar, ik help je”, klinkt mijn schorre stem. Ik richt en raak haar in de nek. Mijn adem wordt weer regelmatig en mijn hartslag daalt.

Het is tijd. Tijd om de overstap nu te maken. Tijd om te gaan. De tijd waarin ik geen controle had over mijn eigen leven is bijna voorbij. Alleen die ene stap nog. Ik zak op mijn knieën neer en zet de loop van het wapen onder mijn kin. Mijn vinger leg ik verdoofd op de trekker voor ik mijn ogen sluit. Langzaam voer ik de druk op de trekker op. Tot het wapen afgaat…

De trein

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Het was vrijdagochtend om half 5. Ik hoorde buiten geschreeuw en tegelijkertijd iemand die snel de trap op kwam lopen. Max kwam binnen, hij keek bang en riep: ‘Iris, we moeten hier weg!’ Ik was bang en wist niet wat ik moest doen. Ik pakte mijn spullen en ging met hem mee. Ik vroeg wat er was, maar hij antwoordde niet. Het enigste wat hij zei was: ‘hoe sneller we hier weg zijn, hoe eerder we dit kunnen overleven.’ Overleven? dacht ik. Wat overleven? Hij zei dat we moesten gaan dus we stapte in de auto en vertrokken. Het geschreeuw van buiten werd steeds harder. Max trok zich er niets van aan en bleef op het gaspedaal drukken. We reden ondertussen al 120 kilometer per uur. Ik werd steeds banger en ik zei: ‘Max, vertel wat er is of ik ga niet met je mee en je zoekt het maar uit.’ Hij twijfelde. ‘Weet je nog dat ik altijd laat thuis was? Dat kwam omdat ik drugs verkocht. Ik dacht dat ik er op tijd mee kon stoppen maar niet dus. Mijn baas werd boos op me en de kopers nog bozer omdat ze hun bestelling niet kregen. Ik wist niet wat ik moest doen dus ik was gevlucht. Nu zitten ze achter me aan. Ze willen alles van me afpakken. Aangezien ik geen familie heb, willen ze jou pakken dus ik moet je beschermen.’ Het moest tot me doordringen. Ik wist niet wat ik moest zeggen dus ik zei maar niets. Na een lange tijd stopte hij, we waren bij het treinstation.

Max pakte de eerste trein die hij zag. Hij stapte in maar ik had twijfels. De trein zag eruit alsof hij elk moment stuk kon gaan. De wielen waren verroest en de ramen waren ingeslagen. Ik durfde niet en pakte een andere trein. We zouden elkaar in Nijmegen weer tegen komen en vanaf daar samen verder reizen. Max vertrok en ik wachtte ondertussen op de volgende trein. Met de hoop dat die er wel normaal uitzag. Ik bleef maar wachten, maar hij kwam maar niet. In de verte hoorde ik stemmen. Ik rende weg en verstopte me. Een grote groep kwam langs mij gelopen, gelukkig zagen ze me niet. Het was wel een erg grote groep, ik denk een stuk of 20 man. Ik wachtte tot ze allemaal weg waren en niks meer hoorde. Ik liep naar buiten en nam een taxi. Op de radio hoorde ik het nieuws. Er was een trein ontploft, maar ze wisten nog niet veel. Ik dacht al van dat kan Max toch niet zijn? Ik probeerde het te negeren en alvast een plek te zoeken waar we heen konden gaan als we elkaar in Nijmegen hadden gevonden. Achter me hoorden ik getoeter. Ik keek en ik zag dezelfde groep als net. Zouden ze me gevonden hebben? Maar ze reden ons gewoon voorbij, gelukkig. Daarna bedacht ik me waar ze heen gingen. Ik bedoel ze kunnen toch niet weten dat we naar Nijmegen gaan? Ik liet de gedachten maar weggaan en wachtte totdat ik aankwam. Eenmaal in Nijmegen aangekomen zocht ik naar het treinstation. het was even zoeken maar uiteindelijk was ik er. Ik bleef maar wachten, maar er was geen trein te zien. Ik probeerde Max te bellen. Hij nam niet op. Ik keek naar het nieuws en het leek wel alsof de tijd even stil stond. Op het nieuws stond: treinongeluk, 5 doden. Ik wist niet wat me overkwam. Ik was van plan om jullie te bellen, maar mijn telefoon was leeg. Ik zag de groep jongens in de verte er al aankomen. Ik had geen tijd meer en probeerde me snel te verstoppen.

Ik heb denk ik een half uur verstopt. Alles drong tot me door. Max was overleden, er zit een groep verslaafde achter me aan en ik kon niemand bellen. Daar zat ik dan, midden in Nijmegen. Even later kwam er een vrouw naar me toegelopen; ‘Gaat het wel meid? Kan ik je ergens mee helpen?’ ik vloog met tranen in mijn ogen in haar armen. Ik voelde me eindelijk veilig. We belde jullie, nu zit ik hier.

Politieagent: ‘Wat een flink verhaal, herkende je een van de jongens?’ Ik moet even denken. ‘Eén iemand had een grote tatoeage, zwart haar en een baard.’ Politieagent: ‘Ik pak er even een paar foto’s bij, is het soms een van deze mannen?’ Ik herken hem meteen. ‘Het is de rechter, geen twijfel mogelijk.’ Politieagent: ‘Dan heb je geluk gehad dat je het hebt overleefd, deze man is 5 jaar geleden opgepakt. Hij was huurmoordenaar. Hij is een week geleden ontsnapt. Nu we weten waar hij ongeveer is, is het makkelijker om hem te vinden. Bedankt voor het vertellen van uw verhaal, we zullen ze allemaal vinden.’

3 dagen later…

Nieuwsbericht: Ontsnapte gevangene terug gevonden.

De telefoon gaat. ‘goedemiddag, met politiebureau Nijmegen. Spreek ik met Iris van Kempen?’ ‘Ja, wat is er?’ ‘We hebben de hele groep opgepakt, u hoeft u geen zorgen meer te maken. U bent veilig.’ ‘Ontzettend bedankt.’ Ik hang de telefoon op. Eindelijk kan ik me weer veilig voelen. Ik zit er natuurlijk nog steeds mee dat mijn vriend is overleden, maar ik kan altijd bij mijn vriendinnen terecht. Morgen is de begrafenis van Max. we gaan er iets moois van maken.

De moord

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

De moord

Mijn wekker is niet afgegaan fuck, fuck, fuck. Zo kom je dus voor de derde keer te laat deze week en het is pas woensdag.

“Sla de dekens van je af Bellatrix, kom op” (ik heb in de ochtend altijd aanmoediging van mezelf nodig om op te staan) anders kom je nog veel later en dan wordt je vader gebelt. Het is ijskoud in het huis, dat merk ik wanneer ik de dekens van me af sla en mijn voeten op de grond zet. Dat maakt niet uit, ik moet me snel aankleden. Ik doe mijn lievelingsbroek aan met een dikke trui. Nog even snel eten en dan naar school. Ik ren van de trap naar beneden, recht in een plas water.

Een plas water in huis. De hele gang is vol met water, ik loop verder naar de keuken en zie dat die ook vol ligt net als de woonkamer. Uit het raam zie ik dat het buiten nog erger is en het water stroomt nog steeds het huis binnen. Mijn mobiel trilt in mijn hand ik kijk op het scherm en zie een noodbericht “een overstroming op Texel, maar vooral ‘t horntje heeft er last van Daar is ook geen elektriciteit sinds gisteravond”.

Hoofdstuk 2

Er gebonk op de voordeur. Ik ren met twee stappen tegelijk van de trap, trek snel mijn regenlaarzen aan als ik beneden kom en ruk de voordeur open.

Voor de voordeur staat een jongen van ongeveer 8 jaar oud. Hij is helemaal doorweekt het water stroomt van hem af. “Je moet me helpen, ze zitten achter me aan, ik weet niet waar ik anders naar toe moet gaan, Alsjeblieft, Alsjeblieft!” schreeuwt hij. Ik staar hem in shock aan. “Ehh, ehh…” zeg ik. “Alsjeblieft, laat me binnen hij zit vlak achter me! Hij zal me vermoorden!” “Kom binnen, snel!” zeg ik. Ik hou de deur voor hem open. Het jongetje kijkt verwilderd om zich heen “We moeten ons verstoppen” zegt hij. “Rustig geen paniek, wie het ook is hij zal niet zomaar binnen komen stormen. Vertel me eerst maar eens hoe je heet.” “Neeee!! We moeten ons nu verstoppen, eerst moeten we veilig zijn!” “Okee, okee, kom maar mee, snel.” Ik pak het jongetje en neem hem mee naar boven, naar de zolder en zet het licht aan. “Is dit een goede verstopplek voor je??” vraag ik.”Ja, ja dit is een goede plek.” fluistert hij. De zolder staat vol met troep. “Trek maar wat droge kleding aan uit deze stapel” zeg ik. Hij kijkt me verbaast aan, maar doet wat ik zeg en gaat daarna meteen zitten op een paar kussens op de grond. “Vertel me nu maar hoe je heet en wie er achter je aan zit?” zeg ik. “Ik.. ik.. heet Thijs.” stottert hij. “Ik moet me verstoppen voor.. voor.. een slechte man.” “Wat bedoel je voor slechte man?” vraag ik. “Een slechte man, hij hield me daar gevangen met allemaal andere kinderen.” Hij trilt nu zo erg dat ik naast hem ga zitten en ik pak zijn handen vast. “Geen paniek, het komt allemaal goed. Ik zal zorgen dat hij je niet mee neemt. Dat beloof ik”. We vallen langzaam in slaap.

8 uur later……

Er wordt gebonkt op de deur. Met die gedachte schrik ik wakker. Thijs ligt nog steeds te slapen. Daar klinkt het weer, dat gebonk alsof de voordeur verwoest wordt. Ik sta langzaam op en Thijs schrikt wakker en kijkt verbaasd om zich heen. “Wat is er aan de hand?” vraagt hij. “Ssssst, er wordt op de voordeur gebonkt door iemand.” fluister ik hem toe. “Nee, nee, je moet niet open doen. We moeten ons verstoppen, snel kom.” fluistert hij. Nu hoor ik het geluid van de trap en ik hoor dat iemand over de overloop wandelt. De trap naar de zolder schud en kraakt, iemand staat er op. Ik duw Thijs achter de muur van troep op zolder. Zelf pak ik een tennisracket, doe het zolder licht uit en verstop me achter een kast naast het luik. Het luik gaat krakend open en er schijnt een zaklamp door de zolder. Het lichtknopje wordt ingedrukt en ik zie een man staan. Hij heeft een pistool in zijn hand en kijkt de zolder rond. “Thijs?” zegt hij. “Kom maar tevoorschijn Thijs. Ik weet dat je je hier verstopt hebt, jij klein mormel dat je bent.” Er valt een doos om waar Thijs verstopt zit en de man draait zich die kant op en richt zijn pistool. Hij richt op de plek waar Thijs verstopt zit. “Kom maar Thijs je weet dat je dit toch niet vol hou.” Thijs staat op achter zijn verstopplaats. Hij kijkt zo verloren om zich heen en loopt langzaam naar de man toe. Ik pak het tennisracket wat beter vast en ik spring achter de kast vandaan. De man draait zich verbaast om en met al mijn kracht sla ik het pistool uit de hand van de man met mijn tennisracket. Het pistool vliegt door de lucht en we kijken alle drieën waar het pistool naartoe vliegt. Hij valt in de punt van de zolder, bij de voorkant van het huis. Ik vlieg er op af en pak het pistool. Ik draai me snel om, richt en zie de man op me afrennen. Hij kijkt me aan met een woeste blik, er lijkt schuim uit zijn mond te komen. “Stop!!!” schreeuw ik, maar hij blijft door rennen en ik haal de trekker over. De terugslag van het pistool zorgt ervoor dat het pistool uit mijn hand vliegt. Het geluid van de knal weerkaatst in mijn oren. Ik staar in shock naar de man, hij ligt op de grond en om hem heen ligt een plas bloed. Ik heb hem vermoord!! Hij is dood door mij!! Thijs komt naar me toe lopen en slaat zijn armen om me heen. “Dankje, Dankje.” fluistert hij in me oor, terwijl ik ook mijn armen om hem heen sla.

Strijd

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Oktober 1944. Samen met mijn drie jaar oudere broer Otto liep ik de Limburgse grotten in. Ik merkte dat Otto de hele tijd op zijn hoede was, telkens keek hij achterom en ik hoorde hem snel ademen. Ik vond het ook spannend en dacht aan de Joodse onderduikers. “Hoe zou het met ze zijn?” vroeg Otto alsof hij mijn gedachten kon lezen, “Samuel heeft sinds eergisteren niets laten weten…”

In de grotten schuilden in totaal elf mensen. Dat waren de oude Pieter, de familie Van Leeuwen en de familie Presser. Pieter lijdde aan heftige demensie en wist bijna niets meer. Anderhalve maand geleden kwam Otto thuis en vertelde dat Pieter hulp nodig had. De familie Van Leeuwen bestond uit zes mensen: het jongste meisje Clara, haar oudere broers Jacob en Louis, hun ouders en hun oom Samuel van Leeuwen. De familie Presser bestond uit vier mensen: de tweeling Marcus en Sofia en hun ouders Rebecca en Hartog Presser.

Ik werd gewekt uit mijn gedachten, door luid geschreeuw dat door de gangen galmde. “Wo sind sie, sie müssen hier sein!” Verschrikt keek ik om me heen en duwde Otto tegen de zijwand van de grot. We zagen het licht van flikkerende lantarens, maar het geschreeuw verminderde en na een tijdje vervolgden Otto en ik onze weg en kwamen al snel aan bij de schuilplaats. De mensen zagen er verschrikt uit, allemaal hadden ze het Duitse geschreeuw gehoord. Pieter begreep er alleen niet veel van, en riep telkens: “De moffen waren er, de moffen waren er!” Otto keek ongerust naar Samuel, die ons altijd vertelde hoe het was gegaan. Nu zei hij dat er niet veel was gebeurd, alleen waren er afgelopen week drie keer Duitse soldaten te horen. Verschrikt keek Otto hem aan, “maar drie keer?” vroeg hij. Samuel knikte en Otto trok verbaasd zijn wenkbrauwen op. Dat viel me op, maar ik keek weer naar Jacob, zijn mooie ogen lieten me even alles vergeten.

Die avond lag ik maar te woelen en te draaien, telkens schoten er allemaal vragen door mijn hoofd. Hoe weten de moffen van de schuilplaats? Wie heeft ze dat verteld? Otto en ik doen altijd uiterst voorzichtig en behalve onze ouders weet verder niemand er iets van… Mijn gedachten gingen naar de verlegen Jacob, die altijd zo zijn best deed om te doen alsof alles normaal is, maar dat is niet zo, in deze tijd is niets normaal… In een wirwar van verlangen, vragen en angsten viel ik onrustig in slaap. Ik droomde over Jacob, Samuel, Pieter en de andere onderduikers. Hoe ze door Duitse soldaten uit de grotten werden gesleurd en in wagens werden afgevoerd, hun dood tegemoet. Toen ik me omdraaide zag ik hoe Otto ze met een grote grijns nakeek… Hijgend en nat van het zweet werd ik wakker en de rest van de nacht luisterde ik naar de rustige adem van Otto, die in het bed onder mij lag.

De volgende morgen kwam ik mijn broer tegen in de stad. Ik zag hoe hij stond te praten met… dat was Kees, Kees van de NSB! Dit kon toch niet kloppen? De kerkklok wees kwart voor negen aan, ik moest opschieten. Snel liep ik door en ik dacht aan mijn droom van vannacht… Opeens stond Otto voor me en keek me kwaad aan. Ik schrok, draaide me om en rende zo snel mogelijk de stad uit.

Thuis hadden mijn ouders weer eens ruzie, mijn moeder vond het verschrikkelijk dat vader een pistool had gekocht. Ik vond dat niet zo erg; nu waren we veiliger en dat was zeker nodig in deze tijd. Toen ik in de slaapkamer kwam lag er een briefje op mijn bureau:

Lieve Marieke,

Vanmiddag zag je me praten met Kees in de stad. Ik zag hoe je schrok, maar we hadden afgesproken om wat dingen te bespreken over school. Hopelijk kun je accepteren dat je je niet altijd met mij hoeft te bemoeien, ik ben oud en wijs genoeg.

Otto

Ik las het briefje twee keer over, maar geloofde er niets van. Kees is écht niet te vertrouwen en zit niet eens bij Otto op school. Waarom had Otto met Kees afgesproken, en vertelt hij niets aan mij? Volgens mij doet Otto hele gevaarlijke dingen die niemand mag weten. Ik ging die avond nog even naar de grotten om met Samuel te praten.

In het bos was ik erg op mijn hoede. Steeds voelde ik aan vaders pistool, wat ik onder mijn riem droeg, gewoon voor mijn eigen veiligheid. In de grotten waren de spanningen hoog. “De moffen zijn vanochtend rond een uur of negen weer komen zoeken,” vertelde Samuel, “ het was alsof iemand ze de weg had gewezen, maar ze hebben ons uiteindelijk niet gevonden.” Ik dacht niet na en zei: “Misschien werkt Otto voor de NSB.” Ik schrok zo van wat ik had gezegd dat ik een hand voor mijn mond sloeg. Toen hoorden we vlakbij de schuilplaats Duitse stemmen: “Der Otto hatte das doch gesagt?” Waarop iemand antwoordde: “Ja, den Otto köhnnen wir das zutrauen.” Ik schrok en we waren doodsbang het leek wel een eeuwigheid voor de moffen zuchtend in richting de uitgang van de grotten liepen.

De volgende morgen liep ik weer terug naar het dorp, maar toen ik de grotten uit kwam stond Otto me op te wachten. Hij rende op me af en ik werd ontzettend boos. “Jij, vuile NSB-er!” riep ik, pakte het pistool en richtte op zijn borst… “Niet schieten, Maartje! Niet doen!” Ik liet het pistool hangen, maar toen hoorde ik Duitse stemmen en gierende banden. Overal kwamen Duitse auto’s door het bos aanrijden. Snel keek ik om me heen… en toen mikte ik op Otto en schoot. Schreeuwend viel hij op de grond, maar ik wist dat hij dood was. Ik floot zo hard dat ik zeker wist dat de onderduikers het zouden horen. Otto kon ze tenminste niet meer verraden. Toen vluchtte ik zo hard als ik kon het bos in…

Het debuut

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Het debuut

Hij stond klaar, hij ging zijn debuut maken. De vierde man tilt het bord omhoog. Nummer 38 ging erin, nummer 26 eruit. De scheidsrechter fluit en Nick Viergever komt naar de kant. Mateo stond naast Davinson Sánches. Hij had zijn debuut gemaakt.

Een week geleden

Mateo traint nu al een paar weken mee met ajax 1, en de trainer vind hem harstikke goed!
Zondag gaat hij misschien mijn debuut maken. Dan speelt hij niet meer in jong-Ajax maar in Ajax1! Hij vindt het nu al spannend. Gelukkig zal dat niet lang meer duren, hij moet over een paar minuten al trainen. En als hij voetbalt voelt hij geen spanning meer. Een paar uur later staan de spelers van Ajax allemaal op het veld. Het is gewoon een gewone training maar Mateo doet extra zijn best, hij wil zondag spelen!

Mateo ligt op zijn bed. Hij is aan het denken, over het geld dat hij krijgt als hij slaagt als voetballer. Wat zal hij er mee gaan doen? Blijft hij normaal? Of wordt hij helemaal gek van zoveel geld? Hij hoopt dat hij met zoveel geld om kan gaan. Dan roept zijn moeder hem: “Mateo”! “Telefoon”! Zijn moeder geeft de telefoon aan Mateo en Mateo zegt: “hallo met Mateo”, Hij hoort over de telefoon: met “Erwin je oom”. “Hallo, wat wilde je vertellen Erwin”? “Je zit in de wedstrijdselectie, jongen”! “Nee, je maakt een grapje”! “Nee, Mateo je zit echt in de wedstrijdselectie”! “Bedankt dat je het zegt Erwin, ik ben zo blij” ! “Je hebt echt verdiend, Mateo”,
“Doei! Tot later”! Hij hing de telefoon op en vertelde het meteen aan zijn moeder: “ik zit in de wedstrijdselectie”! Ik kan zondag mijn debuut maken. Oom Erwin vertelde het net. “Oh, dat is zo mooi”. “Ik hoop dat je het veld in mag”, zei de moeder van Mateo.

Mateo was weer eens op zijn kamer niks aan het doen. Het was nog twee dagen voor de wedstrijd. Alles leek zoals normaal. Maar toen kreeg Mateo een bericht op zijn telefoon. Niks speciaals maar dit was een ander berichtje dan normaal. Mateo opende het berichtje op zijn telefoon, hij schrok zich rot! Hij las: hallo Mateo, jij zorgt dat jij zondag tegen pec Zwolle niet speelt. Als jij dit wel doet of de politie belt, dan gaat er iets gebeuren wat jij niet leuk gaat vinden. Mateo wist niet wat hij moest doen, hij wilde zondag wel spelen. Eerst vertelde hij het aan zijn moeder die riep meteen: “Bel de politie, bel de politie”! Hij waagde het erop. Hij belde de politie en vertelde alles aan hen. Die avond doet hij geen oog dicht. Mateo schrikt van elk piepje en kraakje. Uiteindelijk valt hij in slaap.

De volgende dag is Mateo weer rustig. Na getraind te hebben en naar een  wedstrijdbespreking te hebben moeten luisteren, gaat Mateo naar huis. Als hij thuis is pakt hij een pak vol met M&M’s en gaat op de bank zitten. Hij kijkt op de tv naar de Simpsons. Terwijl Homer Simpson Bart Simpson uit het raam gooit hoort Mateo iets. Hij kijkt om naar buiten, de tuin in. Hij ziet een man. De man draagt een wit hockeymasker en een witte overal met bloedvegen erop. Het doet Mateo denken aan het spookhuis. Ook heeft de man een kettingzaag vast. Het duurde even maar nu heeft Mateo door dat dit zijn bedreiger is en Mateo wordt doodsbang. Snel rent hij naar boven en hoort de man roepen: “Ik krijg je wel te pakken jij vies joch”! Mateo belt de politie en besluit een keukenmes te pakken uit zijn vaders messenverzameling. Hij rent weer naar beneden en ziet de man nog steeds zitten achter de tulpen. Mateo besluit dat de aanval de beste verdediging is en rent op de man af. Die rent ook op Mateo af en slaat Mateo met zijn kettingzaag, maar Mateo heeft geen pijn, het is een nepding! De man rent snel weg en Mateo gaat achter de man aan. Al snel heeft Mateo de man te pakken niet voor niks staat Mateo bekend om zijn snelheid. Niet lang daarna komt de politie ook. Een politieagent komt naar Mateo toe. “Wij nemen hem mee, jij mag naar huis, concentreer jij je maar op de wedstrijd van morgen.

Het is de dag van de wedstrijd. Mateo vertrekt al vroeg naar de Amsterdam ArenA.

Daar krijgen alle teamleden van Mateo en natuurlijk Mateo zelf ook goed te eten. Daarna nog even de tactiek doornemen. Daarna mag iedereen even iets voor zichzelf doen. Mateo trekt vooral op met Matthijs de Ligt. Matthijs heeft zijn debuut al gemaakt. En ze zijn ongeveer even oud. De tijd vliegt voorbij. Het is al tijd voor de wedstrijd, Mateo doet mee aan de warming-up en daarna neemt hij plaats op de bank. De wedstrijd gaat goed voor Ajax, ze staan met 3-0 voor. In de 73ste minuut is het zover. De trainer zegt: “ Mateo warmlopen”! Dat doet hij, heel graag zelfs! Hij trekt zijn vest uit en gaat klaar staan het is de 76ste minuut.

Hij stond klaar, hij ging zijn debuut maken. De vierde man tilt het bord omhoog. Nummer 38 ging erin, nummer 26 eruit. De scheidsrechter fluit en Nick Viergever komt naar de kant. Mateo stond naast Davinson Sánches. Hij had zijn debuut gemaakt. Er komt iemand op Mateo aflopen. Alle toeschouwers kijken naar hem dit is zijn kans. De speler van pec Zwolle komt steeds dichterbij. Mateo maakt een sliding en pakt de bal af van de speler! Davinson heeft de bal en speelt hem weg. De eerste actie was gelukt en hoe het gezegde luidt: een goed begin is het halve werk.

  

 

Flessenpost

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Flessenpost

 “Als ik een zaakje mocht beginnen, dan vulde ik hem met lege flessen. Van die lange, grote, met een half vergane kurk in de opening geperst. Verkopen zal ik de flessen overigens niet, men kan ze echter wel huren. En dan moet men ze mee nemen, naar de andere kant van de Atlantische Oceaan bijvoorbeeld. Vervolgens moet men hen vullen, met wat men maar wil of vinden kan. Daarna moet men terug komen, terug naar huis. En als men dan eenmaal daar is waar alles weer vertrouwd voelt, moet men ze legen, schoonbranden en zorgen dat er niets meer te vinden is van de overkant van de oceaan. Men levert ze vervolgens weer bij mij in en ik zal ze bewaren. En als men mij dan vraagt: “Wat is het nut?”, dan zal ik zeggen: “Is het niet mooi? Niet veranderd, maar wij weten zoveel meer. ” 

I

De ideeën die hij construeerde en vervolgens richting het universum riep, waren altijd intrigerend. Ik nam ze dan op mijn beurt mee, stopte ze ergens waar ze altijd bleven bestaan. Hij deed dat niet, hij bleef niet bestaan. Hij besloot te vertrekken “Ik maak mijn eigen Elysium wel,” zei hij en kwam nooit meer terug. De eerste dagen, weken, jaren, bleef ik nog wel hopen. Ach, wie doet dat niet? Wie trekt er geen muur van illusies omhoog om er vervolgens achter te komen dat je geen cement hebt gebruikt? Echter kan ik wél leven zonder verleden, ook al luidt dat per definitie de afwezigheid van de toekomst in. Het deert mij niet, ik leef simpelweg door.

II

Naast de verwilderde vijver, onder de asgrauwe eikenbladeren bevindt zich mijn zitplaats. Al tientallen jaren doet hij dienst als welkome rustplek. Mijn handelingen vormen een bijna inheems ritueel, als ik het bankje vrij maak van de onzuiverheden die de natuur achter liet. Enkele momenten nadat ik plaats heb genomen, verneem ik een gestalte die door de dichte ochtendmist nadert. Precies één grote stap voor mij houdt hij zijn pas in, opent zijn mond en vraagt: “Ik ben verloren, kunt u mij helpen zoeken?”, mijn adem stokt voor één, misschien twee seconden. Zijn gelaat roept een wervelwind aan gemoedstoestanden bij mij op en even trekt elke bloedcel zich weg uit mijn hoofd. Ik inhaleer diep en begin:

“Als jij verloren was, en ik zou een omschrijving moeten geven van dat wat zoek is, heb ik aan een enkel woord genoeg: niets. Jij was mijn grootste bezit. Niets was tenslotte mijn tijd waard, niets was mijn geld waard, niets was mijn liefde waard en  niets mijn kracht. Je was het niets, je was de verwarmende leegte die ik vond als ik mijn laatste kaart verspeeld had. Je was niet het licht, en ook niet het donker, je was het contrast.                                                                                                                                                                                               Hoe heb je me dit aan kunnen doen? Vanaf het moment dat je weigerde te bestaan, voelde ik mij zo godvergeten alleen, dat ik het nooit, nooit meer te boven ben gekomen. Moest je dan zo nodig? Moest je dan zo nodig gaan? Zeg me, alsjeblieft, zeg het me. Dagen heb ik op je gewacht, weken heb ik niets anders gedaan dan vechten tegen een oorverdovende stilte. Ik heb geweigerd alles wat ook maar jouw vertrek wilde afbakenen, toe te laten. Ik heb verslagen, dat wat jouw afwezigheid inkleurde.                                                         Jij bent niets kwijt, ik ben het. Jij hebt het juist, en ik wil het terug. Geef het me, ik wil niet veel.”

Al die tijd heeft zijn gestalte geen enkele poging gedaan mijn tirade te onderbreken. Mijn ogen zoeken een vertrouwde blik en hopen die te vinden. Wat zij echter vinden is leegte, maar deze is uiterst pijnlijk. Ik smeek hem, bid hem om een antwoord, maar hij hult zich in een doodse stilte. Mijn hoofd tolt, en ik spreek mijn laatste groet uit.

III

Er ontstaat een krakend geluid als ik de klink van de metalen deur naar beneden beweeg. De ruimte erachter ruikt licht bloemig en in de hoek onderscheid ik een vaas met gele chrysanten. Zijn favoriet. Het moet hier ergens te vinden zijn, en mijn vingers zoeken  een knopje dat de ruimte in een bad van licht zou moeten dompelen. Ik was hier een geruime tijd niet meer geweest, ik wilde hier nooit zijn. Het voelde naargeestig, deed me te veel denken aan. De stap wilde en kon ik simpelweg niet maken. Mijn vingers zijn er nog steeds niet in geslaagd het donker lichter te maken en ik maak een extra stap naar binnen. Met het moment dat ik het knopje vind hoor ik een allesverwoestend kabaal, glas breekt en enkele momenten later vind ik mijzelf terug op de ijskoude aarde.  In mijn ooghoeken ontwaar ik het gestalte van een glazen fles. Zo’n lange, grote, met een half vergane kurk in de opening geperst.

Een nieuwe start

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

De dood van mijn ouders achtervolgt me nog steeds. Mijn moeder die altijd zo positief in het leven stond en mijn vader die de slechtste grappen maakte waardoor mijn moeder bijna moest huilen van het lachen. Het zijn mooie herinneringen.

Mijn broers en ik zijn al drie jaar aan het vluchten voor de leiders van onze planeet Quasium. Ze willen onze familie dood.

Bij elke misdaad die wordt gepleegd op onze planeet, moet de hele familie van de dader worden uitgemoord. Ze zien het als een soort van ziekte die ze moeten bestrijden.

Mijn ouders waren engineers en hadden een raket gebouwd. Ze wilden naar de Aarde vluchten voor een beter leven.

Iemand heeft ze verraden en de volgende dag kwamen ze niet meer thuis. We wisten meteen wat er mis was en vluchtte met de racket van onze ouders naar de Aarde; Andrew, Oliver en ik, James.  Andrew is de oudste. Hij is opgeleid tot astronaut, en weet hoe hij de raket moet besturen.

Het duurde tien dagen  voordat we de Aarde hadden bereikt.

We zouden ons op de Aarde normaal gedragen en opgaan in de cultuur van de mens.

Na drie jaar op de planeet Aarde te hebben geleefd hebben de leiders van onze planeet, Quasium, ons gevonden.

Ik zit alleen in een motelkamer in Brooklyn. Andrew is eten aan het halen. Gisteren vielen mannen ons appartement binnen in Philadelphia, die waren gestuurd door de leiders van onze planeet. We konden ontsnappen. Andrew en ik zijn naar het Noorden gereden richting New York. Oliver richting het Zuiden, hij vond dat het Andrew ’s schuld was dat ze ons hadden gevonden en hij beweerde dat hij alles zelf beter kan.

Ik hoorde voetstappen op de gang. Mijn broer deed de deur open en gooide een zak met boodschappen op de vloer.

‘Ga maar slapen broertje.’ zei hij. ‘Je hebt een drukke nacht achter de rug’. Ik sprong op mijn bed en kwam met een plof neer. Het duurde niet lang voordat ik sliep.

De zon kwam langzaam op, maar iedereen in Brooklyn was nog aan het slapen. Het was zondag, dus niemand hoefde naar zijn werk.

‘Waar gaan we naartoe?’ vroeg ik aan Andrew.

‘Naar Oliver.’ antwoorde hij.

‘Maar hij ging toch naar het zuiden?’

‘Het is te gevaarlijk, hij is terug gekomen.’

Ik hoorde voetstappen achter me. Ik durfde niet om te kijken.

‘Er loopt volgens mij iemand achter ons.’ fluisterde ik naar Andrew. Hij keek om en begon sneller te lopen. De man achter ons begon ook sneller te lopen en er kwamen twee andere mannen bij. Alle drie in een zwart pak gekleed met nette schoenen.

‘Rennen!’ schreeuwde Andrew. De mannen hadden pistolen en begonnen te schieten.

‘Hé!’ schreeuwde iemand achter ons, waarschijnlijk de leider van de drie mannen. ‘We hebben ze levend nodig!’

Ik was in de war, ik dacht altijd dat ze ons dood wilde. Ik struikelde, viel op de grond en ging door mijn enkel. Andrew kwam terug en trok me omhoog. ‘We moeten bij elkaar blijven!’ schreeuwde hij. ‘We zijn er bijna!’

‘Waar gaan we dan naartoe?’ vroeg ik.

‘Brooklyn Public Library!’

We renden een zijstraatje in. ‘Dit loopt dood!’ schreeuwde ik. Andrew bleef doorrennen.

Hij sprong op een container en draaide zich om. ‘Pak mijn hand!’ Hij hees me omhoog en ik sprong op het dak. Ik rende naar het uiteinde en sprong eraf. Aan de overkant stond een auto. Aan de schim in de auto kon ik zien dat het Oliver was. Ik keek om. Twee mannen rende achter mij aan. Geen spoor van Andrew. Ik rende door en sprong in de auto.

‘Waar is Andrew?’ vroeg Oliver.

‘Ik weet het niet.’ schreeuwde ik terug. ‘Maar we moeten gaan!’

Met piepende banden reden we weg.

Ik nam zo veel mogelijk mee uit de kamer. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik had Andrew achter gelaten op het dak. Tranen sprongen in mijn ogen. Misschien zie ik hem nooit meer terug. Ik pakte de laptop van het bureau en liep naar mijn tas om hem erin te proppen. Op het moment dat ik de deur dichtdeed, ging het belletje van de lift.

Ik sprintte naar het trappenhuis aan het einde van de gang. Ik keek over mijn schouder. Het waren weer de twee mannen in het zwarte pak. Ik duwde de deur open.

Met twee treden tegelijk rende ik de trap af. Mijn enkel deed heel veel pijn, maar ik rende door. Boven mij werd de deur naar het trappenhuis opengegooid, gevolgd door het geluid van zware schoenen die de trap af klotsten. De motelkamer lag op de vierde verdieping. Zo te horen kwamen de mannen die mij achtervolge dichterbij. Beneden was een stalen deur. In één beweging duwde ik hem open en schoot er doorheen. De auto van Oliver was weg. Hij had mij in de steek gelaten en was er zelf weer vandoor gegaan. Ik draaide me om en keek recht in de ogen van één van de mannen.

Ik deed mijn ogen open en schrok van het felle licht. Mijn hoofd en mijn enkel deden pijn. Er zat een verband om mijn enkel. Ik keek rond en zag een infuus in mijn rechterarm. Het slangetje liep naar een zak die aan een standaard hing. Ik lag op een operatietafel.

Vaag herinnerde ik me hoe ik hier was gekomen. Het lawaai van de raket. Gefluister. Andrew. Ik moet op zoek naar Andrew, maar mijn handen en voeten waren vastgebonden aan de operatietafel. Ik zat opgesloten in een kleine afgesloten ruimte. Angst overspoelde me. Waar was ik? Hadden ze me gevonden? Waarom leef ik nog?

Ik hoorde voetstappen op de gang. Ze kwamen steeds dichterbij en stopten voor de deur. Met een luid gekraak ging de deur open. De voetstappen kwamen dichterbij en de moed zonk me in de schoenen.

‘Hallo James, dat is een lange tijd geleden.’ Het was een stem die ik nooit zou vergeten.

Van jong naar oud

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Van jong naar oud

Het kwam op de wereld met geen enkel benul van wat dan ook. Enkel het benul van zijn eigen belangen. Het schreeuwde om aandacht, om voedsel en liefde, wat het kreeg als het gehoord werd. Naarmate het zelf van de ene knie op de andere over leerde te schuiven, begon het om zich heen te kijken. Het greep alles wat er te grijpen viel. Voorwerpen likte het, of rook eraan en slikte het. Langzamerhand stond het op en leerde lopen. Het wezentje wilde spelen en mensen bevelen. Rennen en mensen kennen. Zich vervelen deed het niet. De dag was voor hem ingedeeld. Het wilde meer vrijheid. Maar dat werd hem niet gegund. De grootste vreugde ervoer het daardoor bij een ondeugende daad. Wanneer het daar eenmaal achter was gekomen, werd het alleen maar erger. Het deelde deze vreugde met de wezens om hem heen en maakte vrienden. Door zijn vrienden leerde het hoe het voelde om gewaardeerd te worden. Het begon zich te ontwikkelen en werd een beetje raar. Het merkte ineens dat het behalve een persoonlijkheid ook tenen had, en haar. Het kwam er uiteindelijk achter dat niet iedereen hem mocht en ervoer flarden pijn en verdriet. Hopeloos zocht het naar zichzelf in anderen, om dit verdriet te kunnen delen, niet wetend dat iedereen om hem heen hetzelfde deed. Dat leidde tot eenzaamheid en een gevoel van onbegrip, tot het zich besefte dat het zich aanstelde en verderging met ontwikkelen. Het kreeg meer vrijheid en zag de wezens om zich heen, die zich ook aan het ontwikkelen waren. Elk op zijn eigen manier. Het keek nu kritischer rondom zich en ervoer die onwetende vreugde niet meer zo gemakkelijk als voorheen. Dat veranderde. Het dacht toen nergens anders meer aan. Het dacht niet meer aan spelen, aan rennen of aan zichzelf. Het moment dat de ander dat ook voelde, brak er lust aan. Lust om de tijd te vergeten. Naar de hel met de tijd! Dacht het. Vandaag is een eeuwigheid. Maar het duurde niet voor eeuwig. En het wezen dat inmiddels een meisje was geworden wist nu wat echte pijn was. Ze kwam er wel weer bovenop maar merkte al gauw dat de spanning en sensatie in haar leven was ingekrompen. Ze was weer op zoek naar nieuwe ervaringen. Ze ontdekte verboden middelen die de endorfine zijn werk lieten doen. Mooie avonden werden brakke ochtenden. Ze kwam op nieuwe plekken en zag meer en meer gekken. Ze kon niet genoeg krijgen van experimenteren en de wereld bestuderen. Ze keerde terug naar waar ze vandaan kwam en keek van haar ouders af. Haar wettelijke leerplicht zat erop dus kreeg ze nóg meer vrijheid. Daarnaast was ze niet meer afhankelijk van haar ouders. Maar de vrijheid bleek slechts een illusie. De verantwoordelijkheden namen toe. Ze had zich nooit voorgesteld elke dag met vraagstukken bezig te moeten zijn als: ‘Wat zal ik vanavond eten en waar moet ik dat vandaan halen?’. De mensen die anders waren verdwenen en haar sociale bubbel werd kleiner. Het werd tijd om aandacht te besteden aan haar rammelende eierstokken. Ze vond de lust terug en zette een nieuw leven voort. Het nieuwe leven kwam op de wereld met enkel het benul van zijn eigen belangen. Het greep alles en leerde lopen. Het experimenteerde met zijn vrijheid. Het maakte vrienden en keek naar zichzelf. Hij voelde zich eenzaam en werd verliefd. Vervolgens de pijn, de tranen, de brakke ochtenden. Daarna het reizen en verder leren, nog meer brakke ochtenden. Hij wist niet wat hij moest eten en kwam terecht in een bubbel. Dezelfde bubbel als zijn ouders of misschien wel de tegenovergestelde. Toen trouwde hij en werd het tijd om aandacht te besteden aan haar rammelende eierstokken. Zijn moeder werd ouder. Zo oud dat ze niet meer wist waar ze nieuwsgierig naar moest zijn. Om haar heen scheidden haar vrienden van de liefdes van hun leven. Zij wilde anders zijn en zette door met de man die haar eierstokken had bevrucht. Maar haar man werd oud en lelijk en was ook niet meer lief. Op een gegeven moment realiseerde ze zich dat ze hem niks kwalijk kon nemen en maar in vrede met hem verder zou leven. Mensen om haar heen gingen dood en ze had alleen nog haar zoon en kleinkinderen, die af en toe op bezoek kwamen. Haar man was ook al overleden en ze wist toen pas hoe het voelde om iemand te missen. Ze kreeg nauwelijks aandacht of liefde. Ze keek om zich heen. Naar de nieuwe generaties waar ze niks van begreep. Het gevoel van onbegrip. Ze zag al het nieuwe, vergeleek het met het oude. Ze begreep ook daar niets van. Ze kon alleen nog maar verlangen naar dingen die ze niet terug kon krijgen. Ze wilde aandacht en liefde. Maar kreeg het niet. Onwetend ging ze de wereld weer uit.

Leren van je leven

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

3.. 2.. 1.. Gelukkig Nieuwjaar! Dat is wat iedereen schreeuwt als de klok 12 slaat. En daar sta jij dan. Een glas champagne in je hand als je voor het eerst oud en nieuw viert met je vrienden. Ze omhelzen je stuk voor stuk en je doet net als de rest blij mee. De goede voornemens zullen over een paar uur op Facebook staan. De meeste zullen ‘een paar kilotjes minder’ of ‘meer sporten’ zijn. En dan heb je mij, het meisje dat geen goede voornemens bedenkt. Natuurlijk zou ik die paar extra kilo’s kwijt willen en meer sporten, maar mijn leven, hoe kort het ook nog maar is, heeft me één ding geleerd en dat is dat je blij moet zijn met wie je bent en wat je hebt.

Deze gedachten begonnen in 2012. Toen de klok aankondigde dat het 2012 was had ik niet verwacht dat mijn leven zo zou veranderen. Natuurlijk wist ik dat ik naar de middelbare school zou gaan, maar ik wist niet dat mijn vader dat jaar ziek zou worden en dat we daar nog best lang last van zouden hebben of dat dit het laatste jaar zou zijn dat ik mijn opa nog zag en kon omhelzen. Nee, nee dit was allemaal niet gepland maar toch gebeurde het. Ik was door al deze dingen dit jaar nog wel mijzelf gebleven, of nou ja, dat dacht ik dan. Ik was nog steeds in mijn ogen het meisje dat in de achtergrond verdween en veel op haar kamer zat. Maar tegen het einde van 2012 werd het mij ook allemaal iets te veel, en begon ik ook de veranderingen in  mijn gedachten te merken.

Dan kwam 2013. We wisten wat mijn  vader had en ik ging verder naar de tweede klas. We moesten natuurlijk ons leven aanpassen vanwege de ziekte en de dood van mijn opa, en daarom moesten mijn broertje en ik naar een kinderpsycholoog. Voor mijn broertje werkte deze geweldig, en was hij dus ook al snel klaar. Maar voor mij ging het niet zo goed. We hadden het eerst over wat er gebeurd was en hoe ik dat zou kunnen verwerken, maar dit bleek bij mij niet het probleem te zijn. Ik zat te erg met mijzelf in de knoei. Ik lette op de mensen om mij heen en wilde meer zoals hen zijn, dus eigenlijk slanker. We hebben het daar veel over gehad, maar het probleem ging niet weg. Dus dan maar naar een maatschappelijk werker toe, omdat die psycholoog niet hielp. Bij de maatschappelijk werker ging het wel een poosje goed, maar aan alles komt een eind. Ze stopte dus kon ik weer iemand anders vinden die kon helpen met mijn problemen.

In 2014 ben ik naar de derde klas gegaan. En ik had een andere psycholoog gevonden, wat erg nodig was aangezien ik niet meer normaal mijn bed uit kon komen of gewoon blij kon zijn om iets. Ik twijfelde veel aan mijzelf, en ik vond alles wat ik deed niet goed. Het was dus ook een zwaar jaar voor mij. En bovenop het aan mijzelf twijfelen en alle negatieve gedachten verloor ik ook nog eens een goede vriendin. Ze begon me te negeren en mij gewoon te ontwijken. Nou, als je al negatief over jezelf denkt en denkt dat je niet goed genoeg bent, is dit alleen maar een hardere klap in je gezicht. Maar ja, ik kreeg dus die psycholoog, en die heeft me erg geholpen. Ik was het meeste uit die diepe dal gekomen en deed weer meer met mensen. Nam meer contact om met vrienden en durfde meer voor mij op te komen.

Je zou kunnen zeggen dat 2015 een nieuw begin voor mij was. Ik was minder met mijzelf bezig en begon te genieten van het leven. Ik had een geweldige moeder die met mij praatte en voor mij opkwam. Natuurlijk had ik nog steeds op bepaalde moment het stemmetje in mijn hoofd dat mij negatieve gedachten toefluisterde, maar dat maakte mij allemaal niet uit. Ik had nieuwe vrienden en een familie die mij met alles en nog wat steunden. Ze stonden voor mij klaar en op dat moment had ik ook echt het gevoel dat ik iets behaald had.

2016 was alleen maar beter. De meeste stemmetjes waren weg, en ze kwamen veel minder dan in 2015. Mijn familie stond nog steeds achter me en accepteerde ook meer dingen die ik leuk vond. In plaats van te zeggen dat ze het niks vonden, zeiden ze dat ze het leuk vonden zolang ik het maar leuk vond. Ze accepteerde mijn keuzes en ik was vrijer dan ooit. Met de vrienden ging het alleen maar beter en ik was ook uit mijn antisociale holletje gekropen. Afspreken werd steeds meer, en ik ondernam dingen in mijn eentje.

Tja, dan nu 2017. Het jaar waaruit ik schrijf. Ik ben dus niet meer zo depressief, maar ik ben anders gaan kijken op mijn leven en ik ben dus positiever geworden. Ik heb dus al die goede voornemens niet nodig. Je kijkt dan alleen maar negatief op jezelf neer. Je moet blij zijn met wie je bent en wat je hebt, en als je dat niet doet wordt je alleen maar ongelukkig. Ik zie wel wat er dit jaar gebeurt met me. Je kunt toch de toekomst niet voorspellen of bedenken. Het leven zou toch een eigen weg kiezen, en je kunt er niks aan doen, behalve het te omhelzen en het te accepteren.

De koude leugen

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

“Voorwaar…Voorwaar het sneeuwt!” sprak de koning. Hij zei het niet hardop, maar fluisterde, zuchtte het haast tegen een onzichtbare gesprekspartner die zich schijnbaar buiten de balzaal bevond. Het was geen opmerking… het was een declamatie, een met zoveel kracht als het neersteken van een oorlogsbanier na een gewonnen veldslag. Het schoot als een donderslag door de Grote hal van het Paleis van Avondrood en De kakofonie van honderden gegadigden verstomde direct door de Konings’ woorden.  Generaal Barreon was de eerste die zijn verbazing in woorden omgezet kreeg: “Hoogheid, wat zegt u nu?” De koning bleef stil naar buiten staren, zonder te antwoorden. Barreon liep op de koning af, zo snel als zijn stalen harnas hem toeliet. Na een blik op het stille maar verontwaardigde gezicht van Koning Aureyon, keek hij om naar het raam. Vrijwel direct stormde de overige gasten naar de met goud ingelegde ramen aan de zuidkant van de zaal om vast te stellen dat de koning zijn verstand had verloren, maar het sneeuwde echt. Grote, dikke vlokken wit kristal dwarrelde vanuit een donkere nachthemel naar beneden en bedekte de daken, straten en binnenplaatsen met een glanzende deken. De regeringsperiode van Huize Zomer was nog niet eens haar halfpunt gepasseerd…en het sneeuwde…

Alle gasten straalde dezelfde vraag uit, hun hele gelaat was verwrongen tot één woord: “Waarom?!” Sommige adelmannen liepen verontwaardigd naar buiten, de besneeuwde binnentuin in, terwijl de rest binnen zachtjes begon te discussiëren, waardoor het gezoem aan stemmen weer langzaam toe nam. Ook de koning verliet zijn plek achter het raam en begaf zich naar de deuropening en staarde wederom bedenkelijk naar het grijze wolkendek. Ondanks de vriendschappelijke aard van het jaarlijkse Gala van het vuur, haastte de koninklijke lijfwachten zich bezorgd naar de koning en zette zich als een ietwat verwarde muur op rondom de koning. “Dat is niet nodig heren, zorg liever voor onze gasten” beviel de koning op zijn altijd rustige toon. De wachters lieten de koning alleen in de deuropening en begonnen langzaam alle gasten naar de poort te verwijzen. Koning Aureyon lichtte zijn hand, en bestudeerde de op zijn hand vallende vlokken wit, onheilspellend wit. Zijn donkere handen, die maar schaars sneeuw hadden gevoelt, deden pijn van de kou.

“hoogheid, komt u alstublieft weg bij de deur!” riep hofmagiër Tysedor. “het is maar sneeuw” antwoordde de Koning, wederom met rust in zijn stem, alsof met honing gesmeerd. Tysedor kwam naast de koning staan, zijn scherpe kin stak omhoog als een speer terwijl hij ook de hemel afspeurde. ”We weten nog niet of er met de sneeuw geknoeid is.” Hij keek de koning aan. Zijn blik vertelde de koning dat de magiër net als hij wist wat de sneeuw betekende.

De koning liep in bedenkelijke pas naar zijn troon, terwijl Tysedor met beleid de deur dicht toverde met kort handgebaar. Generaal Barreon keerde terug met de andere officieren en zijn gezicht verraadde zijn onzekerheden. “vader!” klonk het van achter de groep soldaten en een flits van geel schoot tussen de geharnaste mannen door naar de troon. Barreon keek geërgerd naar het meisje en daarna naar de gang waar ze vandaan was gekomen, waar een bange wachter geschrokken het woord “so-rry” zonder geluid uitsprak. “lieverd! Volgens mij moet jij allang in dromenland te zijn” zei de koning toen hij zich uit zijn dochters’ knuffel wist te wringen. “ja, MAAR HET SNEEUWT! HET SNEEUWT PAPA!” sprak het meisje opgewonden al op en neer springend, zodat de patronen van herfstbladeren op haar gele avondjurk danste.

“hoogheid, de laatste gasten zijn zojuist de poorten uitgebracht en worden door gewapende escorte vergezeld naar hun huizen. Op de muren zijn geen Wintertroepen te bekennen.” De koning zette zich in zijn troon, nam zijn kind op schoot en streek met zijn hoofd in zijn handen over zijn grijzende baard. “Goed. Het zou ook compleet gekkenwerk zijn als het wel zo was. Ysegrim is brutaal, maar niet zo brutaal om Avondrood in de nacht aan te vallen tijdens ons meest heilige feest.” Hij zuchtte.

“Wat wilt u dat wij doen, mijn koning?” vroeg Barreon. “verdubbel de wacht op de muur, laat extra man oproepen om de straten te patrouilleren.” Antwoordde de koning, liet zijn dochter van zijn schoot af en keek haar na terwijl ze verwonderd naar het raam liep. “Ik stel voor om koeriers naar de landen van Lente en Herfst te sturen. Als het hier in Avondrood al sneeuwt, hoe erg zal het daar wel niet zijn. Tevens zullen we toch de bevolking gerust moeten stellen en hulp te bieden waar het kan; in de dorpen en op de velden zal men vast te weinig hebben om zich tegen de kou te beschermen.” Sprak de hofmagiër zonder al te veel haast. “Ik stuur mijn snelste ruiters naar Herfst en Lente en we zullen zorgen dat er vannacht nog extra bevoorrading de stadspoort uitrijd!” sprak Barreon, waarna zij allen salueerde en rechtsomkeert de zaal uitliepen. Barreon trok de nog altijd starende wachter mee naar buiten.

Koning  Aureyon keek zijn hofmagiër vragend aan en zonder de vraag te hoeven horen antwoordde Tysedor: “meer als dit kunnen we nochtans niet doen, Sire. Ik wil met uw permissie wel graag bekijken of Koning Ysegrim niet met de sneeuw heeft gegoocheld. Deze actie is dan wel geen oorlogsdaad, maar de Winterkoning voert duidelijk iets in zijn schild. We moeten op ons hoede zijn.” Tysedor boog en verliet de zaal naar de binnentuin.

Het meisje had het hele gesprek met grote ogen naar het witte wonder staan staren dat zich buiten de paleisramen voltrok en merkte haar vaders zorgelijke blik pas nu op. “vader, kijk hoe mooi! Maar vader, het is toch nog geen winter? Waarom is het dan wit?” De koning stond op van zijn troon en keek van de sneeuw naar zijn dochter. Hij tilde haar op en drukte haar liefkozend tegen zich aan.

De koning glimlachte. “Ach lief kind, het ziet er naar uit dat wat eerder Winter word dit jaar. Niks om je zorgen over te maken.” Hij loog.

Gedachtenpaleis

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Johannes Alexander neemt een slok van zijn lauwe koffie terwijl hij zijn trillende handen probeert te betomen. Hij plaatst zijn porseleinen tas naast hem op de bijzettafel en komt moeizaam overeind uit zijn sofa. Wanneer hij rechtstaat, valt zijn oog op het portret van zijn overleden echtgenote Bénédicte. Er valt een duisternis over de bibliotheek en zachtjes weergalmt Requiem van Mozart. Johannes schuifelt angstvallig naar de hardhouten deur recht voor hem. Hoe dichter hij bij de deur komt hoe luider de muziek weerklinkt. Hij grijpt naar de vergulden deurkruk en voelt een koude rilling door zijn lichaam gaan. Er valt een duisternis over de kamer en alles begint te beven. Johannes houdt zich vast aan de deurkruk en opent de deur. Hij wordt verblind door het witte, bijna hemels licht, dat door de deuropening schijnt. Het beven stopt, net als de muziek. Johannes houdt krampachtig de deurstijl vast en haast zich naar de monumentale wenteltrap op het einde van de gang. De trap is volledig vervaardigd uit parelwit marmer. Naast de opstap staat een imposante marmeren leeuw die geïntegreerd is in de trap. Het lijkt alsof hij de wacht houdt over de verbinding tussen de deugden en de zonden. Terwijl Johannes zich door de gang snelt, ziet hij hoe de ogen van zijn borstbeeld hem aanstaren. Hij richt zijn gelaat de andere kant op en wordt overvallen door de smekende blik van Bénédicte, die afgebeeld is in het portret dat prominent in de gang hangt. Misselijk en geëmotioneerd komt Johannes aan bij de wenteltrap. Hij legt zijn trillend hand op het hoofd van statische bewaker. Opnieuw gaat er een koude rilling door zijn verouderde lijf. Hij heft zijn linkervoet van de vloer en beweegt deze naar de opstap van de wenteltrap. Ondertussen hoort hij hoe Der Wanderer van Schubert zachtjes begint te weerklinken door het gangenstelsel van het kasteel. Hij heft zijn hoofd omhoog en ziet hoe kleine stofdeeltjes van de kristallen luster naar benden dwarrelen. De trappen die hij eens zo jeugdig opliep, zijn nu een ware beproeving voor Johannes. Hij kijkt naar zijn herinneringen die geprojecteerd worden in de booglijsten langs de muur van de traphal. Hoe hoger hij op de trap komt, hoe vermoeiender de treden worden, hoe luider de muziek klinkt en hoe duisterder de projecties van zijn herinneringen worden. Wanneer hij diep inhalerend de laatste trede bestijgt, stopt de muziek abrupt. Hij draait zich om en ziet hoe er een zwarte leegte in elk van de lijsten ontstaat. Johannes kijkt rond in de hal en ziet opnieuw hoe de schilderijlijsten worden opgevuld met een zwarte leegte. Hij draait zich om en zijn zicht focust zich op de tweeledige deur die zich aan de andere kant van de trap bevindt. Altijd heeft hij die deur verafschuwd. Achter die deur ligt hetgeen ieder levende mens het meest vreest, zijn dood. Nog nooit heeft Johannes die deur geopend en ontvluchtte die deur dwangmatig. Meestal bleef hij zelf weg van de eerste verdieping van het kasteel. Telkens wanneer hij op deze verdieping kwam voelde het alsof zijn diepste geheimen en zonden uit zijn ziel gerukt werden. Wanneer hij dan naar een van de lijsten keek, zag hij hoe zijn geheimen en zonden tot leven kwamen in de lijsten. Hoewel hij deze kamers en gangen hem angst inboezemen, heeft hij altijd de drang gehad om deze oorden op te zoeken. Er was maar een deur die hij nog nooit durfde openen, de deur naar de kamer met het opschrift ‘Ad Mortem’. Een tijd geleden had hij opgemerkt dat het portret van zijn geliefde Bénédicte zwart kleurde. Steeds vaker begon het volledige kasteel te daveren en vielen volledige herinneringen van de muren. Johannes bleef verstijfd van angst naar de deur staren. Hij stelt zich recht en wandelt rustig maar zelfverzekerd naar de deur. Hij hoort hoe de houten vloer onder zijn voeten kraakt. Met elk van beide handen grijpt hij de vergulden leeuwenhoofden van de deurkrukken vast. Hij sluit zijn ogen en bemerkt dat zijn handen gestopt zijn met trillen. Hij slaakt een diepe zucht en opent met een zwaaiende beweging de deur. Hij staat met beide voeten in de kamer die hij nog betreden had. Recht voor hem staat een eiken bureau. In de kamer bevinden zich twee haardvuren en acht spiegels die een cirkel vormen. Johannes kijkt recht in een van de spiegels en zet een stap achteruit. Hij kan geen spiegelbeeld van zichzelf terugvinden in de spiegel. Hij kijkt omhoog naar het plafond en volgt met zijn blik een stofje dat van een kristal van de luster naar beneden dwarrelt. Wanneer het stofje ter hoogt van het bureau komt staat Johannes oog in oog met zichzelf. Achter het bureau zit een persoon die als twee druppels water op hem lijkt, maar dan 50 jaar jonger. Johannes begint te beven en blijft kijken naar zichzelf. “Wie ben jij?”, vraagt Johannes angstvallig. De persoon grinnikt en zegt: “Ik ben niemand anders dan jezelf.” Johannes blijft verlamd staan en durft niets voort te brengen. “Heb je een zuiver geweten?”, vraagt de persoon. Johannes blijft doodstil. “Wat zie je in de spiegels?”, vraagt de persoon met een zachte stem aan Johannes. “Ik zie niets.”, zegt Johannes. De persoon achter het bureau klapt in zijn handen. Uit het niets vatten beide haardvuren vlam en bewegen de spiegels naar Johannes toe. “En nu?”, vraagt de persoon. Johannes kijkt in de spiegels en ziet hoe zijn zonden geprojecteerd worden. “Hoe kan dit?”, vraagt Johannes. “Enkel een persoon met een zuivere ziel ziet niets en om te sterven moet je ziel zuiver zijn, Johannes.”, zegt de persoon. De haardvuren doven uit en de spiegels verwijderen zich van Johannes. Deze blijft angstig staan en zwijgt. “Keer terug en zuiver je ziel, pas dan mag je weten hoe je sterft.”, zegt de persoon rustig. Alles wordt zwart en Johannes voelt hoe het kasteel kantelt en hij valt achterover in een zwarte diepte. Johannes schiet wakker in zijn bureaustoel en ziet hoe Bén

Los

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Veel mensen leven volgens de Regels. En dat is met een hoofdletter, want er word een bijna goddelijke macht aan toegeschreven. Ze worden eigenlijk nooit uitgesproken, maar toch word er van je verwacht dat je de Regels volgt.
De Regels bepalen je hele leven. Je word geboren, en dan ga je naar school. Als je een beetje slim bent ga je studeren, dan krijg je een baan, je trouwt en je krijgt kinderen.
En dan ben je gelukkig.

Vervolgens ga je met pensioen, en na een tijd tuinieren of bridgen ga je dood. Bij je begrafenis word er dan gezegd dat je een goed leven gehad hebt. Een aantal jaren later word je vergeten.

Dat is een onderdeel van de Regels waar al helemaal niemand het over heeft. Het past niet in het mooie plaatje, het hoort niet bij de zogenaamde tevredenheid en berusting die je zou moeten verkrijgen. Je hebt toch immers de Regels gevolgd? Eeuwig in onze herinneringen, ook een populaire begrafenistekst, maar het is één grote leugen. Je kunt iemand niet eeuwig in je herinneringen houden, daar ga je aan ten onder. Vergetelheid is de enige rustplaats voor de doden en de enige genade voor de levenden.

Afzettingen van dictators zijn dingen die mensen onthouden, niet de lievelingskleur van die ene oude man die in een stad woont waar je nog nooit geweest bent en een leven leidde waar je nog nooit de details van hebt gehoord.
Wat onbelangrijk is word vergeten, en zo is alles wat word vergeten onbelangrijk.

Ik heb het nooit als mijn levensdoel gezien de Regels te breken. Maar toch sta ik hier nu, op het perron. In mijn rechterhand heb ik een tas die eigenlijk te klein is om de spullen voor enkele dagen logeren vast te houden. Hij puilt uit als de maag van iemand die een gigantisch bord van zijn lievelingsgerecht voorgezet heeft gekregen en maar blijft eten tot het niet meer past en dan toch nog even door gaat. De volle tas is misschien onhandig, maar dat is niet erg, want hij is slechts bedoeld als misleiding.
Waarom? Ik ben geen held. Ik heb geen reis naar de maan gemaakt of een levensreddend medicijn ontwikkeld. Ik ben een zeventienjarige die, kort samengevat, tot nu toe netjes volgens de Regels geleefd heeft. Daar is niks memorabel aan, en belangrijk is het dus al helemaal niet.
Als niets belangrijk is heb je niets om voor te leven. Waarom zou je het dan doen?

De treinen die voorbij komen kijken me bezwerend aan en gillen: ”Kom”.
En komen doe ik. Mijn benen trillen niet als ik dichter bij loop. Door de beweging van mijn heup valt een klein, grijsgewassen beertje uit mijn tas op het beton dat vochtig is van de regen die er enkele uren geleden op neer is gekomen.

Ik blijf lopen tot mijn voeten kaarsrecht naast elkaar stil blijven staan, vlak voor het spoor. Van links zie ik een geelblauwe waas aankomen. Hij gaat hard, het is geen stoptrein. Gaat waarschijnlijk naar Amsterdam. Ik ben er klaar voor om mezelf vast te pakken en weg te rukken van de wereld, mezelf los te scheuren als een post-it papiertje waar een slecht idee of een lang vergeten afspraak op staat. Los van de verwachtingen die iedereen heeft. Ik heb het helemaal gehad met de Regels. Ze hebben me niets gebracht en dat zullen ze ook niet doen.

Ik ben altijd gek geweest op dat beertje.

De trein is nu zo dichtbij dat hij nooit meer op tijd zal kunnen stoppen als ik spring. Mijn kuiten zijn al aangespannen, en mijn ogen zakken half dicht als mijn gezicht ontspant

Hoe veel ik er ook van heb gehouden als kind, als eigenlijk-te-oud-voor-zoiets-kind en ik-ben-geen-kind-meer-kind, het kost me geen moeite om het zachte beest te laten liggen. Het maakt me niet meer uit.

Het lawaai van de trein vult mijn oren, mijn hoofd en als laatste is mijn hele bestaan gevuld met geraas wat al het andere overstemt. Ik leun nog verder naar voren, maar dan schieten mijn ogen weer open als door een wesp gestoken. Ik struikel woest achteruit, val bijna maar blijf op mijn voeten staan, mijn adem jaagt door me heen. Terwijl de trein voorbij gaat en zijn lawaai me verlaat blijf ik leeg achter. Ik loop steeds verder achteruit, hijgend en bevend. De schouderband van mijn tas klem ik strak in mijn hand terwijl ik gehaast naar het loket loop, ren de laatste passen bijna en graai naar mijn portemonnee tussen ondergoed en tandpasta. Als ik hem omkeer en het geld klaterend op de toonbank valt kijk ik de medewerkster verwilderd aan, en zij kijkt meewarig terug.
”geef me de verste reis die binnen tien minuten vertrekt”, beveel ik haar gejaagd, alsof ik vreselijk veel haast heb. Ze opent haar mond, maar ik schud mijn hoofd.
”niet vragen”
Ze schuift me na korte twijfel een kaartje toe. Gare de Lyon, staat er op. Ik weet niet waar dat ligt. De vrouw telt mijn geld, maar ik wacht niet tot ze me mijn wisselgeld geeft en ren naar het perron waar ik volgens het kaartje heen moet. Als ik even later instap en de trein vertrekt zie ik mijn beertje weer liggen, en ik voel nog steeds geen enkel verlangen om het op te halen. Ik ben ín de trein terecht gekomen, en niet ervóór! Het is belachelijk, krankzinnig en hilarisch. Zacht gegiechel ontsnapt me, en al snel gier ik van het lachen. Mensen staren me aan. Het is niet volgens de Regels om een aanval van hysterie te krijgen in een stiltecoupé, en dat besef doet me alleen maar harder schateren.

Als niets belangrijk is heb je niets te verliezen.

Amena

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Amena stond verstijfd op de rand van de boot, terwijl mensen langs haar heen drumden om zo snel mogelijk aan land te gaan. Ze spoorden haar aan om door te lopen, maar ze bleef staan en keek rillend voor zich uit. Amena voelde niks van de haast en de gretigheid waarmee de anderen opgelucht aan land gingen. Ze voelde zich met niemand verbonden, niemand om haar heen leek dezelfde onrust en angst uit te stralen die haar zo tergde, iedereen leek vooral opgelucht. Amena snapte niet waarom ze opgelucht zou moeten zijn, na alles wat ze had meegemaakt, na die verschrikkelijke reis kon ze zich niet meer zo voelen. Ze had al te veel valse hoop gekoesterd. Ze keek naar beneden en zag dat er een stuk was weggeslagen, vlak naast haar rechtervoet. De boot was eigenlijk meer een wrak en ze bedacht dat ze op dit moment meer gemeen had met die boot dan met de mensen om zich heen. Ze voelde zich ook een wrak.

‘Amena, ga! GA! Je kan hier niets meer voor me doen, het huis staat op instorten, bij de volgende bom die hier in de buurt valt stort ons huis in!’
‘Baba, nee dwing me niet om je te verlaten, alles wat we nog hebben is elkaar!’
‘ Nee Amena, luister naar me! Kijk me aan! Jouw moeder en ik hebben je Amena genoemd, wat veilig betekent. Dit omdat we niks anders wilden dan dat onze dochter een veilig leven zou leiden. Beloof mij dat je gaat vluchten, zorg ervoor dat mijn ziel rust zal krijgen, verlaat Afghanistan en vlucht naar een andere plaats. Je hebt al veel te lang in deze hel geleefd. Vlucht! Beloof het me!’
Ze zag de blik in zijn ogen, een en al smekend. Ze knikte zacht terwijl de tranen over haar wangen stroomden. Naast haar brokkelden er wat stukjes steen af die naar beneden vielen, Amena zag het gebeuren als in slow motion. Snel kroop ze naar haar papa en drukte een kus op zijn hoofd, het enige deel van zijn lichaam dat niet bedolven was onder het puin. Haar papa keek haar diep in de ogen en over zijn wang liep één enkele traan.
‘Ga, meisje.’ Baba’s stem stokte.
Amena’s blik verharde en ze knikte nogmaals, stond langzaam op en liep weg. Het voelde alsof haar sandalen van lood waren, zo enorm veel moeite kostte het haar om weg te gaan, toch vertrok ze. Diep vanbinnen wist ze dat Baba gelijk had, dat hij niet meer te redden was. Het liefst zou ze zich huilend naast hem neerwerpen, verscheurd door pijn die zo hevig en alomvattend was dat het onmenselijk was dat ze die pijn op haar leeftijd al moest voelen. Maar ze zette door, ze wist dat ze op die manier haar vader gemoedsrust kon geven. Ze baande zich een weg door het puin, voorzichtig, bang met elke voetstap die ze zette dat die net dat laatste zetje zou zijn dat het huis nodig had om definitief in te storten en haar vader te verpletteren. Ze draaide zich nog een laatste keer om. ‘Baba, als je mama daarboven ziet… ’ Ze kon de woorden niet uitspreken, maar ze wist zelfs niet of hij haar nog kon horen, zijn ogen waren al gesloten. Haar ouders wisten dat ze zielsveel van hen hield, het laatste wat ze voor hen kon doen was ervoor zorgen dat ze veilig was. Verblind door tranen zette ze haar tocht naar de uitgang verder. Toen ze buitenkwam droogde ze haar tranen en begon te rennen, ze nam zich voor niet te stoppen voor ze écht geen stap meer kon zetten. Toen ze achter zich een enorm gekraak hoorde, als van een huis dat instortte, keek Amena niet om. Ze wilde niet weten welk huis het was.

Zelfmoord plegen was zo veel eenvoudiger geweest. Weg pijn, weg verdriet, weg angst. Maar Amena was een vechter, zelfmoord plegen was te eenvoudig geweest, ze was er te moedig voor. Begrijp het niet verkeerd, mensen die zelfmoord plegen zijn helemaal niet laf, maar ze hebben gewoon teveel meegemaakt om het leven nog te kunnen leven. Amena wilde enkel sterven als er nergens ter wereld nog een greintje hoop was, en overal waar ze tijdens haar verschrikkelijke reis was terechtgekomen, had ze het geluk in kleine dingen toch kunnen vinden. Ze dacht aan een uitspraak van haar vader waar ze doorheen haar reis enorm veel aan gedacht had: ‘Voor je idealen leef en sterf je.’ Haar vader was een wijs man en ze vond die woorden waarheid in haar puurste vorm, ze hadden haar veel troost geboden na de dood van haar ouders. Ze dacht eraan hoe het zou zijn geweest als ze hier vandaag met hun drieën de veiligheid hadden bereikt, samen nog een toekomst hadden kunnen bouwen. Amena werd overspoeld door zo’n enorm gemis dat ze een moment niks anders kon zien dan een zwarte waas. De wind gierde om haar heen en leek op gefluister in haar oor. ‘Ga, meisje.’
Ze liep schuifelend de loopplank af naar het strand, richting haar toekomst. Met elke stap die ze zette probeerde ze herinneringen uit haar verleden achter zich te laten, enkel de slechte. De kleine momentjes van geluk zou ze bij zich dragen voor altijd, ze waren voor haar lichtpuntjes geweest in een onmetelijke diepte van duisternis. Amena kwam aan het einde van de loopplank en glimlachte, voor het eerst in lange tijd. Terwijl ze daar zo stond, kijkend naar het strand dat nu nog slechts een voetstap van haar verwijderd was, deed ze haar sandalen uit. Eindelijk kon ze de droom van haar ouders laten uitkomen, ze voelde haast hoe ze op dit moment naast haar stonden en haar vol trots aankeken. Haar nieuwe leven stond op het punt om te beginnen en ze was er klaar voor. Ze was klaar om het verleden achter zich te laten. Klaar voor de overstap. Nog steeds glimlachend en op haar blote voeten stapte Amena het strand op.

Een vonkje menselijkheid

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Dresden, 1964

Een winterse bries trekt aan mijn haren en kleding terwijl ik over het plein zwerf. Ik loop rondjes rond de bomen die er staan, warm mijn handen bij een geïmproviseerde vuurkorf met een paar daklozen en help een vrouw een veel te grote kinderwagen over de drempel van een apotheek te duwen. De lucht is zwart en er zijn geen sterren te zien, het enige zijn de sneeuwvlokken die naar beneden dwarrelen. Terwijl ik mijn jas wat verder om me heen trek speur ik de omgeving af op een glimp van een man die ik hier aan zou treffen. Zouden we elkaar zijn misgelopen? We hebben elkaar ook zo lang niet meer gezien, de kans dat hij me niet zou herkennen is vrij groot. Met mijn krappe 1 meter 90, lange grijze jas en hoed in dezelfde kleur ben ik ook geen verschijning die alle aandacht opeist. Ik leun tegen de gevel van een restaurantje en kijk op mijn horloge. Als hij hier met 1o minuten nog niet is ga ik weg. Vanuit het  restaurant klink gelach, een hoge, schelle vrouwenstem die bijna direct wordt opgevolgd door een zwoele, hikkende lach van haar mannelijke tafelgenoot. Van achter de kerk, die recht tegenover mij ligt, strompelt een gedaante die met zijn been sleept en een stok krampachtig in zijn hand klemt. Geen twijfel mogelijk: dat is hem. Ik maak me los van de muur. De vers gevallen sneeuw knerpt onder mijn schoenen en doet me denken aan het dikke, wollige tapijt dat we vroeger in onze woonkamer hadden liggen. Zijn gezicht is veranderd. Ik weet niet wat, maar het is veranderd. De 19-jarige jongen waarvan ik in april 1945 afscheid nam, bestaat niet meer. Hij is veranderd in een man met een stoppelbaard, warrig haar en sjofele arbeiderskleding. Hij schudt me zwijgend de hand. ‘Goed je weer eens te zien.’ Ik knik. ‘Ik ben blij dat we elkaar weer gevonden hebben.’ Nu is het aan hem om te knikken. Omdat hij niets zegt -en ook geen aanstalten lijkt te maken om dat te doen- besluit ik er snel wat tussendoor te gooien. ‘Zullen we hier naar binnen gaan?’ Hij haalt zwijgend zijn schouders op. ‘Prima.’

Het is er warm en licht vanwege de felle verlichting aan het plafond. Er heerst een uitgelaten stemming, die benadrukt wordt door de dansende mensen, de pianist die jazz-muziek op de piano pingelt en de sterke lucht van alcohol. Ik moet me eraan herinneren dat ik hier niet voor mezelf ben, want als ik dat zou zijn zou ik stilletjes weggelopen zijn en had een ander etablissement opgezocht. We zetten ons aan een tafeltje bij het raam. Ik ontdoe me van mijn jas en hoed om vervolgens mijn haar wat te fatsoeneren. Hij staart naar buiten en lijkt zich niet te kunnen herinneren waarom hij met mijn uitnodiging akkoord is gegaan. Ik trek de menukaart naar me toe en spoor hem vriendelijk lachend aan hetzelfde te doen. Wanneer een serveerster ons vraag naar onze bestelling neem ik een koffie. Hij geeft me een berustende hoofdknik en een knipoog. Twee koffie dus. Vreemd dat je na iemand zo lang niet gezien te hebben, elkaar nog steeds zonder een woord te zeggen begrijpt. Ik schuif de menukaart opzij. ‘En, vertel eens, hoe gaat het nu?’

‘Wat moet ik ervan vinden?’

‘Anders?’

‘Dat kun je wel zeggen.’ Hij zucht. ‘Wat is het toch? het ene moment word je door je buren uitgezwaaid, die je op het hart drukken terug te komen. Maar als je er dan bent doen ze net alsof ze je niet kennen en word je alsof je de enige soldaat was weggejaagd.’

‘Tja. Hoewel ik het het me wel een beetje voor kan stellen.’

‘Pardon?’

We hebben de hele wereld meegesleept in een oorlog. We hebben met dezelfde handen waarmee we nu een koffiekopje vasthouden een geweer vastgehouden. We hebben op mensen geschoten. Mensen zoals jij en ik. Met vaders en moeders. Misschien is dit alles ook wel een beetje onze eigen schuld.’

‘Horst, hou op.’ Zijn toon is scherp en er verschijnen rode vlekken op zijn gezicht. ‘We waren soldaten en we hebben gedaan wat we moesten doen. ”

‘Dit was geen normale oorlog! Dat weet je best! Wat we gedaan hebben is onmenselijk!”

Wat zíj gedaan hebben is onmenselijk! Steden met burgers bombarderen! Barbaren, dat zijn het!’

‘Wij hebben toch hetzelfde gedaan met Londen, of niet dan!’

‘Kijk om je heen! Dit alles lag plat!’

‘Wij zijn begonnen! En..’

‘En daarna? Je veroordeelt mij omdat ik me niet zoals jij en de andere lafaards heb overgegeven, maar tot de laatste snik heb doorgevochten! Oog om oog, tand om tand! Jij bent met je handen in je nek naar de Amerikaanse kant gelopen. Ik ben te grazen genomen door de Russen! Ik heb acht jaar in een krijgsgevangenenkamp gezeten!’ Dat wist ik niet. ‘Luister,’ vervolg ik rustiger, ‘begrijp dat ik niet meer bloed in een verloren oorlog wou vergieten.’

‘Probeer mij dan ook te begrijpen. Ik heb te veel gezien, te veel verloren om me hier over heen te zetten. Daarom heb ik doorgevochten tot het bittere einde.’

‘We leven in een nieuwe wereld. Zet je er overheen. Maak toch die overstap!’ Hij schudt resoluut zijn hoofd en staat op. ‘Hans, alsjeblieft, ga niet. Je kan bij mij wonen tot je wat nieuws hebt. Ik ga naar de kerk en heb echte vrede leren kennen en..’

‘Nee.’ Door het beslagen raam zie ik hoe hij wegloopt. Samen met twee jongens die in de ruïnes van Berlijn vechten voor de duivelse idealen die ze niet eens persoonlijk kennen, van wat ooit het Derde Rijk was. Ze zoeken een vonkje menselijkheid en vinden die in elkaar.

 

 

 

Geprezen door ons

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

”Kijk eens aan. Hier zijn je papieren, je bent vrij om te gaan Samuel. Nee, wacht. Bijna vergeten. Hier is je buskaartje.” Een blinde die dit gesprek op zou vangen zou hoogstwaarschijnlijk denken dat Samuel op reis ging. Als een echte twintigjarige de wereld ontdekken, buitensporige activiteiten ondernemen en het leven leven. Maar Samuel had net twee jaar gezeten en was niets van deze dingen van plan, zelfs geen buitensporige activiteiten ondernemen. De man knikte semi-vriendelijk naar Samuel. Hij keek naar hem met een blik die verraade dat hij stiekem blij was dat hij Samuel hier niet meer terug zou zien. Samuel zag het, begreep het maar was toch licht verbaasd dat de man zo keek. Hij was immers veranderd. Beduusd liep Samuel het grijzige complex uit. Hij liep de parkeerplaats op en toen weer af. Hij had verwacht dat hij intens blij en gelukkig zou zijn nu hij eindelijk vrij was, maar hij had geen idee wat hij moest doen. Dit terwijl de hele wereld nu voor hem open lag.

Hij stopte. De wereld lag letterlijk open, want de weg werd gerenoveerd. Iets dat zo vermakelijk maar ook zo dieptriest tegelijk was voor Samuel dat hij maar een beetje onnozel in zichzelf grinnikte. Samuel had al in het complex zijn broer gebeld en kon de eerste tijd bij hem inwonen. Hij had gemerkt dat zijn broer hier tegen op zag, hij had namelijk al een huisje en een boompje. Geen beestje, want zijn broer was doodsbang voor dieren. Samuel begreep de aarzeling van zijn broer wel om hem in huis te nemen, want wie wil nu een ex-gedetineerde in huis? Daarbij, Samuel had helemaal niets. Een middelbare school diploma, de kleding die hij momenteel droeg en heel wat afspraken bij verschillende instanties die zijn leven op de rit zouden brengen. Hij voelde in zijn jaszak en vond het papier met alle genoteerde data en telefoonnummers. Ook vond hij het buskaartje, die hij vlak naast de halte op de grond legde. Misschien had iemand er nog wat aan, een gedetineerde die vandaag besloot te gaan vluchten zou aangenaam verrast zijn. Dan deed hij tenminste nog iets goed. Hij was blij met zijn daad, toen er ineens een auto het terrein op kwam rijden, en hij herkende onmiddelijk zijn broer Mike. Hij holde naar de auto, deed de deur open en keek Mike ongemakkelijk aan. Een broederlijke knuffel volgde, waarnaar hij de auto instapte. De rit vermaakte hem enorm. Het was heerlijk om iedereen te kunnen zien, alles te kunnen observeren en echt het gevoel te hebben weer deel te zijn van de maatschappij. Toen hij bij het stoplicht oogcontact maakte met een oude mevrouw glimlachte hij, maar de vrouw keek hem verbaasd aan en legde haar blik neer. Vriendelijk zijn was tegenwoordig niet meer aan de orde. Eenmaal thuis werd hij door de kinderen enthousiast onthaald. Ze vroegen hoe zijn reis door Zuid-Amerika was geweest. Hij speelde het verhaal mee en vertelde over de sloppenwijken waar hij geweest was en de avonturen die hij had beleefd. Toen besloot hij naar boven te gaan. Deze dag had te veel met hem gedaan. Hij voelde zich uitgeput, en daarbij was dit zijn kans om weer in een echt bed te slapen. Toen hij zijn hoofd op het donzen kussen legde was het alsof er een last van zijn schouders viel.

Samuel werd de volgende middag wakker met een bonzende hoofdpijn. Opgebouwde stress en vermoeidheid vloeiden door zijn lichaam. Vandaag was de dag dat hij met de reclassering moest gaan praten. De vrouw die hem begeleidde heette Mieke en ze was precies zoals je jezelf een Mieke voorstelt. Een brave burger met twee kinderen en een Golden Retriever. Mieke had tegen hem gezegd dat ze hem ging helpen zijn schulden op orde te krijgen. Maar Samuel had het gevoel dat het enige waar ze hem aan hielp een gevoel van schuld was en het enige dat deze vrouw ging oplossen zijn medicatie in een glaasje water was. Iets dat hij ook onnozel vond, want het feit dat hij veroordeeld was betekende niet dat hij gek was. Ook had Mieke hem verteld dat hij verslavingszorg in de hand moest nemen, door zijn drinkgedrag. ”Maar hydratatie is toch belangrijk,” had hij met een schuin lachje gezegd. Mieke kon er niet om lachen, en zei dat hij naar een ander persoon moest die hem met zijn hydratatieliefde kon helpen. Hij herinnerde zich de exacte naam niet meer maar het leek op Overjenek, en dat gevoel kreeg Samuel er ook bij. Tuurlijk dronk hij veel, maar het leven was voor hem als een buffet, en je kan een chique diner eenmaal niet beginnen zonder aperitief. En een chique diner is niet chique zonder veel wijn. Een broodje bal is geen broodje bal zonder veel bier. Wij hebben het zelf zo geaccepteerd. Wat Mieke verder zei is dat hij werk moest zoeken, maar dat was niet makkelijk. Niemand wilde iemand aannemen die in de gevangenis had gezeten, al maakte Samuel nog zo duidelijk dat hij zijn leven gebeterd had. Ze begonnen er gewoon niet aan. En zo begon Samuel het begin van zijn nieuwe leven met een kleine uitkering. Criminaliteit lag op de loer, maar Samuel begon er niet meer aan. Hij wilde een nieuw leven beginnen als een goede burger. Hij had zijn fouten gemaakt maar wilde re-integreren. Waarom gaf niemand hem deze kans?
Samuel nam de woorden van Mieke ondanks dat ze Mieke was aan en deed zijn best om weer een normale burger te worden. Maar Samuels zoekacties werden niet beloond. Het is alsof wij hem hebben gestraft voor het leven. Een dubbele straf, want naast het feit dat wij hem misprijzen om het feit dat hij geen diploma heeft, worden wij kwaad wanneer wij horen dat hij een uitkering ontvangt.
”Laat die jongen toch werken.”
”Hij moet van zijn luie reet af.”
”Terug naar zijn eigen land.”
Wat zou Samuel het allemaal graag willen.

Hoe kan ik dat?

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Zuchtend keek ik om me heen. Ik zag niets anders dan vier kale witte muren , een bed en een tafel met een stoel. Ik zat hier nu al bijna een maand en ik voelde me vreselijk ellendig. Aan de andere kant van de muur klonk een luide gil gevolgd door een reeks vloeken. Ik deed mijn handen voor mijn oren want ik wilde dit niet horen. Ik kroop in bed en viel in slaap.

Er klinkt een luide knal. Ik vlieg overeind en kijk verschrikt om me heen. Voorzichtig stap ik uit mijn bed en loop naar het raam. Weer hoor ik allemaal knallen met mijn handen op mijn oren kijk ik naar buiten in de lucht zie ik de mooiste kleuren. Ik vind het prachtig maar toch, het doet me herinneren aan die tijd dat ik moest vluchten, vluchten voor het geweld. Ik hoorde dagelijks zulke knallen ,de knallen die van bommen en geweren kwamen . ik was bang , bang dat ik geraakt werd. Na maanden onzekerheid kwam ik in Nederland een land waar het veilig is. De Nederlandse mensen zeggen dat ik mijn leven in Irak moet vergeten en hier een nieuw leven moet beginnen. Ik probeer het, maar het lukt me niet. Hoe kan ik nou vergeten dat mijn ouders ,broer en zusje voor mijn ogen werden dood geschoten. Hoe kan ik nou vergeten dat  mensen gillend van angst over straat renden. Hoe kan ik dat?

Het leven hier in Nederland voelt voor mij als een overstap, een overstap naar iets nieuws wat ik eigenlijk nog maar moeilijk kan bevatten. Ik kijk naar buiten en hoor de knallen nog steeds en denk bij mijzelf, kom op Aya vanaf nu kijken we alleen vooruit. Ik zie op straat mensen heen en weer lopen die elkaar een hand geven en vuurwerk afsteken. Ik hoorde van mijn Somalische buurvrouw dat het de gewoonte in Nederland is om elkaar met oud en nieuw een gelukkig nieuw jaar toe te wensen. Ik besluit dat ik ook maar even naar buiten ga ook al ben ik bang voor de knallen.

Met mijn dikke jas aan en een muts op mijn hoofd stap ik even later de deur uit. Meteen komt mijn buurvrouw op me af een geeft me een knuffel. ‘gelukkig nieuw jaar Aya’. Ik wens haar ook een gelukkig nieuw jaar en geef ook de buurman een hand. Met z’n drieën kijken we naar het vuurwerk tot ik besluit om mijn bed maar weer eens op te zoeken. Moe kruip ik even later in mijn bed.

Tot mijn verbazing ben ik de volgende morgen al weer vroeg wakker. Met een blij gevoel stap ik uit mijn bed. Na mijn ontbijt besluit ik om eens iets te gaan kopen om mijn kamer op te vrolijken.

mijn eerste overstap in het nieuwe jaar.

 

Wensen…

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Wensen…

“Ik blies het laatste kaarsje uit en ineens was het zwart voor mijn ogen, ik zat ergens waar ik nog nooit was geweest in een vreemd appartement….”

LIZ!! Riep mijn moeder, wakker worden! Je moet naar school! Ik werd wakker en keek op mijn wekker het was 8 uur ik moest opschieten om 8.15 ging mijn bus. Ik stond voor mijn kledingkast en het enige wat ik zag hangen was troep. Ik graaide snel iets uit de kast en trok het aan. Ik liep naar beneden gooide wat melk en cornflakes in mijn mond, waardoor heel mijn kleren vies werden, en liep snel door om mijn schooltas te pakken. Voordat ik de deur uit liep riep ik nog: ‘Doei mam!’ Ik rende naar de bushalte en gelukkig was ik net optijd, ik stapte de bus in en ging langs Clara zitten, die is sinds dat ik al klein was mijn allerbeste vriendin. Ik zei: ‘Hey Clara hoe gaat het?’ Ze zei: ‘Ja hoor het gaat wel goed.’ Ik kon me weer is niet laten gaan en begon weer over het onderwerp. Ik zei op een iets boze toon: ‘Waarom zijn wij niet volwassen dan hoef ik niet meer naar school, hoef ik mijn wekker niet zo vroeg te zetten, kan ik elke avond pizza bestellen, heb ik een huis voor me alleen, wat wil je nog meer!?’ Clara keek me aan en zei: ‘Ja Liz, ik weet dat je dat heel graag wilt maar dat gaat toch niet gebeuren.’ Verder ging de dag erg snel voorbij het enige wat me nog interesseerde was Brandon en natuurlijk dat ik bijna jarig was! Brandon was de aller knapste jongen van de hele school ik ben echt stapelgek op hem. Alleen hij niet op mij ik denk niet eens dat hij me kende. Nouja dat liet ik achterwegen, ik dacht nu alleen nog maar aan mijn verjaardag. De volgende ochtend werd ik wakker ik was eindelijk 16. Maar toen ging het brandalarm af, mijn moeder riep: ‘Liz kom snel!’ We moeten naar buiten! Even later was de brand geblust en onze hele keuken en woonkamer was afgebrand. Was dit nou mijn perfecte 16e verjaardag. Ik liep chagrijnig naar mijn moeder en vroeg: ‘wat nu!?’ Ze zei: ‘Ga maar snel naar school we kijken wel als je thuis komt.’ Ik liep naar de bushalte toen er opeens een busje voor mij en Clara stopte, de bezorger gaf me een pakketje en zei: ‘Gefeliciteerd Liz, misschien kan je het hiermee beter maken…’ Ik maakte het open er zaten 5 kaarsjes in. Er stond op: ‘gebruik de wensen goed.’ Ik had altijd al 5 wensen die ik in mijn leven had opgeschreven:

  1. Ik zou de aller coolste auto hebben.
  2. Ik zou de populairste van de school zijn.
  3. Ik zou de aller mooiste kleren en accessoires hebben.
  4. Dat Brandon me eindelijk zou zien staan
  5. En dat ik volwassen was.Dat was echt geweldig! Ik pakte kaarsje 1, en stak hem aan. Ineens kwam de mooiste auto aan scheuren, het was een rode mooie sportwagen. De chauffeur zei: ‘kom, stap in je nieuwe auto!’ Ik en Clara stapte in en kwamen op school aan. Ik pakte snel kaarsje 2 stak hem aan, en sprak de wens uit. Iedereen keek me ineens aan en ze riepen allemaal: ‘Hey Liz! Gefeliciteerd he.’ Ze deden alsof ik ineens populair was. Maar ik had geen tijd want ik moest naar mijn les. Toen het lesuur voorbij was hadden we een tussenuur. Het perfecte moment voor kaarsje 3 ik stak hem aan, sprak de wens uit en ineens trok iemand me mee. We waren in het conciërge hok en overal hingen de populairste kleren. Ik zag roze rokjes hangen en veel jurkjes en broeken het was prachtig! Iemand hielp me met kleren uitzoeken jurkjes, broeken, handtassen schoenen etc. Toen we de kleren uitgezocht hadden liep ik terug de school in. De populairste meiden zagen het en rende meteen gillend naar het conciërge hok, alleen alles was weg. Mijn dag kon niet meer stuk, ik had de mooiste auto ik was populair en ik had ook nog eens prachtige kleren aan. Het kon bijna niet beter ik pakte kaarsje 4 en stak hem aan. Brandon kwam net langslopen en zwaaide ineens verliefd naar me, ik viel bijna flauw. Toen ging de bel van het volgende lesuur. Daarna was de dag snel voorbij, Clara vond het wel een beetje vreemd. We liepen van het plein af, en ik riep ineens: ‘Clara! We zijn de 5e wens helemaal vergeten maar wat was dat ookal weer?’ ‘Oja’ zei ik. Ik zou eindelijk volwassen worden! Ik stak het kaarsje aan en sprak de wens  uit, ineens werd het zwart voor mijn ogen en was ik in een vreemd appartement. Ik keek rond, het was prachtig maar waar was ik? Overal zag ik verhuisdozen staan, ik liep naar de keukentafel  en daar lagen papieren er stond op: ‘dit appartement is nu eigendom van Liz Smits.’ Ik voelde mijn gezicht optrekken van verbazing. Was mijn wens echt uitgekomen had ik nu eindelijk wat ik wou? Maar was dat wel echt wat ik wou? Ineens ging de deurbel, ik deed open en een boze man stond voor de deur. Hij zij: ‘Liz ga je nu eindelijk je huur betalen? En je hebt een enorme achterstand met water en gas dat moet ook betaald worden.’ Ik gooide de deur met een verbaasd gezicht dicht en dacht: ‘Ik ben nu echt volwassen ik moet alles zelf doen.’ Ik had helemaal geen geld en ook geen baan. Misschien was deze stap toch iets te groot? En hoe ga ik dit ooit terugdraaien als het überhaupt wel kan? Dit wou ik niet. 

De overstap die alles veranderde

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

De overstap die alles veranderde

Ik werd wakker in m’n hotelletje in Amsterdam. Ik had gisteren afscheid van mijn vrouw genomen met wie ik was verloofd. Ik herinnerde het nog als de dag van gisteren, het was een groot feest geworden. Ondertussen was het al negen uur in de morgen. ‘Ik moet opschieten ‘, dacht ik bij mezelf. Terwijl ik dat dacht sprong ik uit bed en liep naar de wastafel om me eigen op te frissen. Toen ik me eigen opgefrist had keek ik op de klok die aan de wand van mijn hotelkamer hing. ‘Ik moest opschieten wilde ik het vliegtuig naar Mosul niet missen ‘. Toen ik in de auto zat en mijn verloofde naast me, realiseerde ik me pas dat ik mijn leven op zou geven voor mensen in nood, dat er een kans bestond dat ik niet meer terug zou komen.

Na een stille rit was ik op het vliegveld Moorsele, wat in het westen van België ligt. Ik zag aan de houding van mijn vriendin dat ze mijn vertrek niet leuk vond. Maar hier had ik wat aan gedaan, Ik had in het geheim afgesproken dat mijn vriendin bezoek zou krijgen van de verloofde van mijn beste vriend. Hierdoor zou haar verblijf in Nederland ook een stuk leuker zijn als ik er niet was, nietwaar.

Toen we het vliegveld bereikt hadden stond Luca en zijn verloofde reeds te wachten. We hadden lang uitgekeken naar deze dag. We hadden het er elke keer als we elkaar zagen er wel over. Het was het hoogtepunt van de dag geworden. Maar nu we uiteindelijk voor de gate stonden om het vliegtuig in te gaan. Begon de spanning toch wel op te lopen. Maar dit was al snel over toen we onze kameraden waar we mee naar het front gingen ontmoetten.

Na een vlucht vol verhalen waar de helft van overdreven was om de spanning te verdrijven waren we na 12 uur vliegen uiteindelijk in Mosul gearriveerd. En nadat we in een gepantserde legerauto naar het legerkamp getransporteerd waren. Waren we eindelijk in het oorlog gebied hier waren we voor getraind. Ik als hospik en Luca als commando. Het eerste dat we zagen was een armoedig kamp en een volledig afgebrokkelde en gebombardeerde stad. Terwijl we de stad in onze gedachten opnamen werden we in groepen gesplitst. Ik kon gelijk aan het werk bij soldaten die gewond waren geraakt in de strijd tegen I.S. In het eerste opzicht was het verschrikkelijk om te zien, maar naarmate onze groep bezig was om deze mensen goed te doen hoe minder je eraan dacht hoe afgrijselijk het er eigenlijk uitzag. Toen we eenmaal klaar waren werd een deel van onze groep opgedeeld om corvee te doen voor het eten van die avond. Gelukkig hoefde ik het die dag nog niet te doen. Het was die dag snikheet en de zon brandde op je gezicht. Ik bedacht me om maar eens om bij mijn vriend te gaan kijken. Maar toen ik eenmaal bij zijn barak was aangekomen, was er geen Luca te bekennen. Even later hoorde ik dat ze een aanval hadden gepleegd op de troepen van I.S. die zich te dicht bij het kamp had gewaagd.

Diep in mijn hard hoopte ik dat er niets met mij vriend gebeurd was. Het zou toch erg zijn om het bericht te brengen bij Heidi, Luca’s verloofde dat Luca was overleden. Maar toen de patrouille terug keerde en langs mijn barak kwam lopen ontdekte ik tot mijn grote schrik dat Luca niet bij deze mannen liep. Ik rende zo hard als ik kon naar de luitenant om het nieuws te brengen dat de commandant zich niet bij deze patrouille had gevoegd, terwijl dit eigenlijk wel zo hoorde te zijn.

De angst sloeg me om het hard toen ik even later het bericht kreeg dat ik mijn vriend maar moest gaan zoeken bij de overleden soldaten. Dit kon toch niet waar zijn.

Toen ik met gemengde gevoelens naar het rodekruis barak liep om mijn vriend te zoeken was ik om het kamp heen gelopen omdat ik niet wilde dat mijn kampgenoten mijn tranen zouden zien. Toen ik om het kamp liep dacht ik een zacht gekreun te horen. Ik klemde mijn hand om het pistool dat in het witte holster aan mijn broeksriem hing. Het geluid leek uit de bosjes te komen die ongeveer zo’n tien meter van het kamp vandaan stonden. Terwijl ik naar de bosjes liep dacht ik bij me zelf: ‘het zal toch niet zo zijn’. Maar hoe dichter ik bij de bosjes kwam hoe meer mijn vraag tot waarheid kwam. Toen ik de bosjes was gearriveerd sloeg mijn hard van schrik een slag over.

Het was Luca die daar in een plas bloed, kermend van de pijn stervende was. Als ik niet zo snel bij mijn positieven was gekomen had ik daar nu nog gestaan. Toen ik de wond van Luca eens goed beek zag ik dat deze veroorzaak was door een losgeslagen granaatscherf die een vol treffer had gemaakt. Maar door de kracht dat deze scherf door de lucht vloog was deze recht door weefsel en bot heen gegaan. Ik had toevallig mijn jas aan waar een gedeelte van mijn rodekruisspullen in zaten, onder andere mijn verband. Hiermee heb ik verbonden wat van de onderarm nog over was gebleven. Toen dit klaar was heb ik Luca zo stevig en voorzichtig mogelijk opgepakt en naar de rodekruis post gedragen.

Een maand later, Ik had verlof gekregen om met Luca naar ons vaderland te gaan voor betere chirurgie. We hadden moeilijke weken achter de rug, vooral Luca. Hij zal nu voor altijd met een prothese door het leven moeten gaan, wat een overstap.

my war

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Samenvatting

Het verhaal gaat over een 12-jarig jongetje Johnny Briggs, hij is een weeskind. Het speelt zich af in de 2e wereldoorlog. Omdat het niet veilig is in het gebied waar hij woont, word hij samen met andere weeskinderen op een trein gezet naar een veilig gebied. In de trein ontmoet hij Kathy Summers. Toevallig moeten ze allebei naar dezelfde plek waar ze verzorgd worden door de familie Derwent.

Maar meneer Derwent is een gemene man die het Johnny slaat en aan het werk wil zetten als een slaaf. Maar hij weigert want hij wilt niet werken en geslagen worden. Daarom wordt hij opgesloten in de schuur. Kathy moet in het huis werken, in de keuken en waskamer. Op een nacht komt er opeens een vreemde man binnen in de schuur waar Jonny slaapt, de man hoort bij de vijand, hij was uit een vliegtuig gesprongen en was van plan om in het schuurtje te schuilen.

Johnny biedt hem aan om bij hem te schuilen en geeft hem ook wat eten wat hij opgespaard had omdat Johnny heel weinig eten kreeg van meneer Derwent.

De volgende dag mag Johnny in het huis eten van mevr. Derwent, later komt meneer Derwent vertellen dat de soldaten op zoek zijn naar de piloot van het neergestorte vliegtuig. En dat ze het huis niet uit mogen tot nadere orders. Alleen Johnny vertelt dat piloot in de schuur zit. De soldaten gaan kijken en de piloot komt het schuurtje uit. Johny rent naar buiten en hij wil hem helpen, maar de piloot wordt neergeschoten.

Later werkt Johny wel voor meneer Derwent want de situatie is op zich prima bij de boederij want hij krijgt nu goed eten, warm bad en geen stokslagen meer. Dus hij is tevreden omdat het overal erger kan zijn en hij is nu veilig met Kathy.

shanti

Ik ben

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Één stap om te verdwijnen.
Niemand die me meer iets laat voelen.
Ik ben klaar.

Ik hoef alleen te springen en dan gaat de pijn weg. Één beweging die alles bepaald leven of dood. Voor sommige is de dood hun grootste angst. Mijn grootste angst is leven. Elke dag weer eraan worden herinnerd dat ik niet goed genoeg ben. Het is vrijdag tien uur ‘s avonds ik sta op de rand van de wolciusflat. Ik dacht dat ik meteen zou springen als ik hier zou zijn. Maar ik merk dat ik me dingen ga afvragen. Wie vind me als ik dood op de grond lig? Hoe zou mijn begrafenis eruit zien? Zouden ze spijt hebben van het pesten? Doet het pijn dood gaan? Ik probeer de antwoorden op de vragen te achterhalen.
Het is vrijdag stapavond in mijn dorp, ik hoorde Daan vandaag ik klas zeggen dat hij naar de kroeg ging. Dan moet hij hier langs ,dan vindt hij me dood. Ik probeer te herinneren of Daan ooit wat tegen me heeft gezegd behalve dikzak. Zou hij verdriet voelen als hij mij hier dood zou zien liggen? Nee.
Ik herinner mij nog een begrafenis van een tante. Het was depressief makend iedereen in zwart en huilen. Ik neem aan dat bij mij niet veel mensen huilen. En mamma weet dat ik niet van zwart hou ,dus misschien doet ze daar iets mee. Zouden er mensen spreken op mijn begrafenis? Wat zouden ze zeggen? Dat ik nog zo’n mooie toekomst voor me had? Ze moesten eens weten hoe verrot ik nu al van binnen ben. Elke keer dat pesten breekt een stukje van je af tot er niks meer is.
Het pesten begon in de eerste klas de andere meisjes in de klas vonden dat ik te dik was. Al snel noemde de hele klas me een varken of variaties daarop. Eerste zeiden ze alleen maar gemene dingen toen in de tweede klas begon het pas echt. Ze zeiden dat ik mijn geld aan ze moest geven. Eerste keer deed ik het niet. Ze sloegen me noemde me een varken. Dat was het eerst moment dat ik me voor het eerst afvroeg of het leven het wel waard was. De keren daarna gaf ik het geld. Dit jaar werd het erger ze willen mijn geld niet meer ze willen mij dood. Ze bleven maar herhalen dat de wereld beter was zonder mij. Ik geloof ze.
Ze gaven me vorige week een briefje over hoe je het best zelfmoord kon plegen.
Van een flat springen stond er niet op, dat heb ik zelf bedacht.
De docenten dachten dat ik me aanstelde ‘het valt vast wel mee’ waren de exacte woorden van de teamleider. Mijn moeder hielp me als enige ze zei altijd voor het slapen ‘morgen een nieuwe begin’ dat was een leugen. De personen die mij hiertoe hebben gedreven kennen geen spijt gevoelens.Toen ik besloot op de aarde te verlaten heb ik geen briefje geschreven. Waarom zou ik dat doen zodat ze afsluiting hebben ? De enige afsluiting die er is doodgaan.
Op de vraag of het pijn doet kan ik geen antwoord krijgen ben ik bang. Want je moet eerst dood gaan ,maar ik weet zeker doodgaan kan niet meer pijn doen dan leven.
Ik ben klaar om te springen klaar voor die paar seconden pijn. Klaar om afscheid te nemen van de aarde. Klaar om eindelijk zelf iets bepalen in mijn leven. De overstap van leven naar dood is een bijzondere. Dus ik ben gelukkig dat ik het zelf bepaal hoe ik hem maak. Ik spring.

Het emmertje. De overstap van werkelijkheid naar werkelijkheid.

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Het emmertje. De overstap van werkelijkheid naar werkelijkheid.

Het enige hoorbare geluid is het zachte kabbelen van de golven. De opkomende zon laat het zilverwitte strand blinken en schitteren. De wind ruist door de grote bladeren van de palmbomen.

Asmara richt zich op en gerustgesteld draait ze zich weer om op haar handdoek.
Gelukkig, haar broertje Setiawan is nog steeds aan het spelen met zijn felgekleurde emmertje en een paar schelpen. Hè, straks moet ze naar de markt in Jakarta met al dat getoeter en schreeuwende koopvrouwen. Niet aan denken, eerst nog even lekker een halfuur luieren.
‘Mala, Mala’, een warm, kleverig handje schudt aan haar arm. Asmara schiet overeind en kijkt recht in het zongebruinde gezichtje van Setiawan.
‘Waarom maakte…’ , haar zin word afgebroken door een schreeuw van Setiawan: ‘Mala, luister dan!’ En dan hoort ze het… Een zacht, maar doordringend geruis, wat elke seconde aanzwelt.
Iedereen in Indonesië en omliggende landen weet wat dit betekent, zo ook Asmara en Setiawan.
Automatisch denkt Asmara terug aan al de oefeningen die ze op school hebben gedaan voor als er een tsunami zou komen. Maar dat het werkelijkheid zou worden had ze nooit gedacht.
Ze kijkt op, haar ogen worden groot en ze moet haar best doen om een angstkreet te onderdrukken. Daar, ongeveer 500 meter van het strand verwijderd, komt met huiveringwekkende snelheid een enorme muur van water op hen af.
Heel even blijft ze als versteend zitten. Dan springt ze op. ‘Setiawan kom m…’ , haar stem gaat verloren in het donderend geraas van de blauwzwarte vloedgolf.
In een flits overziet Asmara het strand. Daar 100 meter verderop staat een groepje palmbomen. Die moet ze bereiken voor het te laat is. Ze grijpt de huilende Setiawan bij een pols en begint te rennen.
Zout op haar lippen, of zijn het tranen? Hijgend kijkt ze achterom en tot haar ontzetting ziet ze alleen nog maar water. Dit wordt het einde. Ze halen het nooit.
Een enorme stoot in haar rug. Ze wordt opgetild door het water. Een werveling van groen en zeewier. Setiawan, ze mag zijn pols niet loslaten.
Een klap tegen haar hoofd. Haar longen barsten, lucht moet ze hebben.
De wereld vervaagt. Asmara weet niets meer. Ze voelt zelfs niet dat de pols van Setiawan uit haar vingers glipt…

Een paar maanden later op Bali. Een ander eiland van Indonesië.
Gerustgesteld draait Vivian zich weer om op haar handdoek. Thijs is nog steeds lief aan het spelen bij de vloedlijn.
Wat is het toch heerlijk hier op Bali. Ze zijn er nu alweer twee weken. Morgen stappen ze weer op het vliegtuig naar Nederland. Dit was echt de leukste vakantie die ze ooit gehad heeft samen met Ben en hun zoontje Thijs.
‘Ben.’ Haar man mompelt iets wat lijkt op ja. ‘ Er was een paar maanden geleden toch een vreselijke tsunami op Indonesië?’ ‘ Hmm.’
Nou ja, in ieder geval wel fijn dat ze dit prachtige strand als eerste hebben opgeruimd. Er is geen spoor meer van te zien.
‘Mama, mama kijk eens wat ik heb gevonden.’ Thijs rent naar zijn moeder toe en ploft op haar handdoek neer. Trots houd hij een felgekleurd emmertje omhoog.
‘Ja, inderdaad prachtig! Lag dat zomaar op het strand?’ ‘Ja mam, echt waar. Volgens mij was het net aangespoeld.’ Thijs knikt zo hard dat de spetters van zijn natte krullen in het rond vliegen.
‘Heb je het echt…’ Vivian kan haar zin niet afmaken want Thijs is alweer opgesprongen en rent met zijn vondst naar de vloedlijn waar hij ijverig schelpen gaat zoeken. Wel vreemd, denkt Vivian, zo’n mooi emmertje dat aanspoelt. Maar goed, Thijs is er blij mee en er loopt nu gelukkig geen huilend kindje rond dat z’n emmertje kwijt is…

Het ritme van het instinct.

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Lief Dagboek

Ik zal me eerst even voorstellen, ik ben Sara Sombey en 19 jaar oud. Het dorp waar ik woon en ben geboren is karasjok. Karasjok ligt in Finmark , een gebied zo groot als Nederland in het noorden van noorwegen. Wat ik in het dagelijkse leven doe is : zo’n beetje de helft van het jaar ben ik rendierhoedster en de andere helft van het jaar studeer ik in Troms∅. Dat is ieder jaar wel een hele grote overstap maar het is zeker ook heel leuk die afwisseling.

De rendiermigratie vind ieder jaar plaats in het voor en najaar en er komt familie uit de stad om mij hierbij te helpen.

Mijn achtergrond

Mijn famillie en ik stammen af van een nomadenfamillie namelijk de Samisch. Er zijn tegenwoordig weinig mensen die deze manier van leven toepassen. Nog maar zo’n 3000 en dat zijn over het algemeen mannen.

De tocht

Onze tocht begint in de buurt Karasjok richting het noorden naar de kust. Maar voor de reis begint moeten we de rendieren nog scheiden, want in de wintermaanden staan de rendieren van verschillende Samifamillies door elkaar.

Mijn rendieren trekken op instinct naar het noorden maar we moeten er wel voor zorgen dat het achterste deel van de kudde bij elkaar blijft anders loopt er een deel achter en dat is niet de bedoeling.

Eindelijk is het zover, nog een paar uurtjes slapen want dat zal de komende twee weken waarschijnlijk weinig gebeuren. Dat komt omdat de dieren het ritme en tempo bepalen. Dan beginnen verscheidene dieren te lopen. Snel springen  we op de sneeuwscooters die we de vorige avond gereed hebben gezet. Achter iedere sneeuwscooter hangt een slee met daarop spullen die we tijdens de reis nodig zullen hebben. Zoals tenten, een kacheltje, brandstof,  genoeg eten en drinken en natuurlijk veel warme kleren en dekens.

Aan het einde van de avond , na een lange dag reizen zijn de rendieren moe geworden en stoppen ze om te rusten en grazen van het weinige gras dat hier en daar nog tevoorschijn piekt onder de dikke laag sneeuw. Dat geeft ook ons wat tijd om bij te komen, want ondanks dat we de meeste tijd op de sneeuwscooters doorbrengen moeten we ook wel eens stoppen. Dat komt omdat de we dan vast zitten in de diepe sneeuw of omdat 1 van de jongere dieren de kudde niet bij kan houden en we daar op moeten wachten. We zijn inmiddels gestopt en gaan eerst de tenten opzetten, dat is niet moeilijk want ze zijn heel eenvoudig in elkaar te zetten ook eten we wat van de vis de we vandaag tijdens een rust gevangen hebben. Dat kostte veel energie want om bij het water te komen moeten we eerst een gat maken in de dikke laag ijs. Nu is het tijd om nog even wat te slapen want de dieren kunnen ieder moment weer verder gaan.

Mijn vader roept me op via de walkie-talkie dat we weer verder moeten gaan omdat er een andere kudde aankomt. De kuddes mogen absoluut niet mixen, want dan zou al ons voorbereidingswerk voor niets zijn. Dus we moeten gauw weer vertrekken dus ik schrijf bij de volgende stop verder.

Het is nu half twee ‘s middags en ik zit met mijn rug tegen de kachel te schrijven. Hoewel de kachel al een poosje aan staat, wordt het in de tent niet echt behaaglijk. Dat komt misschien ook wel omdat er vandaag iets vervelends is gebeurd. Er was vandaag een rendier dat niet meer mee kon met de kudde omdat het te zwak was. Dat komt omdat het dier in de wintermaanden geen goede vetlaag had kunnen creëren omdat er te weinig voedsel was. We hebben eerst geprobeerd het dier wat krachtvoer te geven maar het dier kon niet eens meer lopen. Helaas hebben we het achter moeten laten…

Wat ik laatst eigenlijk ontdekte is dat onze manier van leven eigenlijk heel bijzonder en uniek is. Want het is een mooie mengeling van tradities en moderne dingen, zoals nomadententen en sneeuwscooters. En dan te bedenken dat ik over vier maanden gewoon weer een normaal dorpsmeisje ben dat studeert in de stad. Dat is toch een hele grote overstap.

Oh we moeten weer verder hoor ik via de walkie-talkie.

Daaaag!!!

Liefs Sara Somby

De stap uit Depressie

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Soms wordt ik wakker regent het op z’n hardst en wil ik niks liever dan

Minuten, uren, dagen, weken blijven liggen, mezelf verdrinken in mijn dekens terwijl ik daar maar onder de dekens blijft. Omdat er niks meer zwart ziet dan mijn leven. Vragen als waarom en hoe blijven onbeantwoord. Ik zit in een achtbaan die niet meer naar beneden kan gaan en maar blijft rond draaien. Ik wilt vechten omdat ik zo niet meer wilt zijn. En ook al ben ik moe en is elke stap te veel, ik wil verder. Het is tijd voor de overstap. De overstap naar geluk en vrede, naar liefde en plezier.

Ik ga verder. Maar hoe? Stap voor stap en steeds sneller en sneller. Ook al schop en sla ik het liefst iedereen weg ik moet met mensen praten en ze het gevoel geven dat ik er ook ben, ondanks al mijn problemen. Dit is mijn stap. En ik wil dit punt met niemand delen,  ik wil niemand pijn doen. Maar vrienden, familie, psychiaters iedereen wil mij helpen, zij willen dat ik dit stap voor stap doe.

Ik wilde niks meer doen en sprak met niemand meer. Alles werd erger, niemand begreep mij, ik voelde me alleen. Mijn muziek liet ik in de steek. Ik liet alles in de steek. Maar de mensen hielpen mij, ze steunde mij en vertrouwende mij, ze deden alles voor mij. Zij willen dat ik deze stappen zet, dat ik me beter voel. Ze geven om mij.

Maar telkens toen het beter ging, kwam er pijn doorheen. God wilde me niet beter hebben. Ik ben gewoon mislukt. Ik leerde mijzelf kennen en ging weer dingen doen. Ik gaf meer om mijn medemens en de stappen gingen snel. Maar ik moest soms een pauze nemen en concentreren op wat ik wel en niet kan doen.

Vooral niet opgeven. Hoe moeilijk dat ook is. Soms aan de leuke tijden denken en de rotdag laten gaan. Dan neem ik een momentje rust, een momentje voor mijzelf. Ook probeer ik nu meer te praten en dat lucht erg op. Dat is de laatste tijd makkelijker, ik merk dat het oplucht als ik mijn verhaal kwijt kan. Ik durfde eerst niet naar school te gaan ik was te futloos, geen energie en ik kon mijzelf er niet toe zetten. Stap voor stap lukte het me nu met mijn boeken in mijn tas, muziek op mijn oren en telkens dezelfde routine om toch te leren en naar school te gaan.

Het wordt voor mij elke keer een stukje makkelijker te kijken naar mijn sombere periodes omdat ik mijzelf heb geleerd hoe en wat ik kan. En de ene keer lukt het makkelijker dan de andere keer. Dus door er meer te zijn dan dat ik dacht wat ik was kan ik de overstap steeds beter maken.

Opnieuw zoeken naar warmte, naar mijzelf en naar geluk.  Opzoek naar een plaats voor mijzelf, de mooie dag en voor een zachte rust in de nacht.

Malina’s overstap

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Malina’s overstap

Ik loop met gemengde gevoelens het vliegtuig in. Twee gedachten schieten door mijn hoofd. Eentje van: “Yes, eindelijk veilig!” en de andere: “Zal het daar wel veilig zijn?” Vlug loop ik verder, straks ben ik pa nog kwijt! “Kom hier maar zitten, Malina”, zegt pa. Eigenlijk ben ik ook een beetje bang. Ik ken de taal niet. En: zal ik daar weer vriendinnen krijgen? In gedachten verzonken doe ik mijn gordel om en dan opeens word ik in mijn stoel gedrukt! Ik knijp mijn ogen snel dicht. Oei! Wat is dit eng!

Na vier uur in het vliegtuig gezeten te hebben wordt er omgeroepen dat we gaan landen. Ik doe snel mijn gordel om en ik buig nog snel over mijn vader heen om te kijken hoe Nederland er uit ziet. En weet je wat ik zie! Wit, alleen maar wit! Wat is dat nu? Zouden ze hier geen bomen hebben? En geen gras? Alleen maar wit? “Malina, ga nu zitten”, zegt pa streng. Vlug ga ik zitten. Al we geland zijn, moet ik heel lang wachten; het is echt niet leuk meer! Ik ben moe en het is hier zo koud! Het enige wat ik nu wil is een warm bed waar ik in kan kruipen en weer lekker kan opwarmen. Maar ik begrijp dat dat nog wel even gaat duren.

Als we eindelijk klaar zijn worden we door een vreemde meneer opgewacht. “Hallo”, zegt hij, “ik heet Arnold, ik ga jullie naar jullie huisje brengen. Is dat een goed idee?” “Laten we maar snel gaan” zegt ma vermoeid.

Als we bij het huisje aankomen, stap ik uit. Wat is dat nu? Wat knispert daar zo? O kijk! Dat is dat witte spul! “Kom Malina”, zegt pa vriendelijk en snel loop ik naar binnen.

Als ik eindelijk in bed lig, denk ik  vermoeid na over deze dag en de overstap naar dit nieuwe land. Morgen ga ik dat witte, koude spul eens even wat beter bekijken, denk ik nog slaperig. En toen werd het zwart.

’s Ochtens word ik wakker gemaakt door ma. “Malina, kom je moet eruit!” Snel was ik mijn gezicht en ik schiet in mijn kleren. Ik ren door de gang naar de eettafel en ik ga gauw zitten om te eten.

Na het eten doe ik mijn jas aan en ga ik naar buiten. Mijn zusje vindt dat witte spul maar eng dus die blijft binnen. Ik ben te nieuwsgierig dus ga ik naar de stoep om te kijken wat het is. Ik steek mijn vingers in de witte massa. Brrrr! Wat is dat koud! Terwijl ik zo bezig ben zie ik opeens een schaduw over mij heen vallen. Snel kijk ik omhoog wie dat is. Ik zie een meisje van ongeveer mijn leeftijd en ze vraagt iets maar ik versta haar niet, want ik heb nog geen cursus Nederlands gehad. Dus ik zeg in het Engels “I don’t  understand you”. “O”, zegt het meisje, “allright than. My name is Sanne and what is your name?” Ik word verlegen maar ik zeg  toch tegen haar: “My name is Malina.” “I like your name!”, zegt Sanne enthousiast. Verlegen buig ik mijn hoofd. “Thank you…”, zeg ik zachtjes en dan ren ik gauw weg.

De volgende dag kom ik Sanne weer tegen en ze vraagt aan mij wat ik aan het doen ben. “O, I don’t know”, zeg ik verlegen. “Do you know what this is?”, vraagt Sanne en ze wijst naar de sneeuw. Ik schud mijn hoofd. Sanne gaat naast mij staan en ze wijst: “This…”, en ze pakt een handvol sneeuw, “…is snow!” “O”, zeg ik, “I don’t now that.” Sanne pakt mijn hand vast en trekt eraan: “Come on! I want to show you something.” Snel schud ik met mijn hoofd. Stel je voor dat er gevaar is!! “Come on…!” Sanne kijkt me smekend aan. “Allright then”, zeg ik, “just for a moment!” “Yes that’s okay”, zegt Sanne enthousiast.

Als Sanne mij er gebracht heeft, zie ik een grote ijslaag waar allemaal mensen op lopen met aparte schoentjes met ijzer eronder. Wat raar! “This call we, euuhhh, skating on the ice”, zegt Sanne als ze ziet hoe verbaasd ik ben. “Oow”, zeg ik. Ik vind het nog steeds raar maar dat ga ik niet tegen Sanne zeggen. Ze is zo aardig voor me; nee, dat zeg ik ooit nog wel een keer als we wat langer vriendinnen zijn. “Come, I teach you”, zegt Sanne. Ik ben toch wel nieuwsgierig en het ziet er niet moeilijk uit dus… ik zeg ja. Maar eerst moeten we van die rare schoentjes aan en dat is nog best lastig! Als we eenmaal die schoenen aanhebben, gaan we het ijs op maar dat valt tegen! Ik val meteen op mijn kont. Sanne lacht en zegt: “It doesn’t matter that you fall, everyone falls the first time.” Ik lach maar een beetje en ik krabbel snel weer overeind.

Na een poosje geoefend te hebben gaat het beter. “O nee!”, denkt Malina, “ik moet naar huis.” Gehaast zegt ze dat tegen Sanne en doet snel haar rare schoenen uit om die in te ruilen voor haar normale schoenen. Vlug vraagt Sanne nog of ze morgen weer komt. Ik denk er even over na en ik zeg: “Yes, that’s okay, see you tomorrow!”

De volgende dag zie ik Sanne al aan komen lopen en ik loop snel naar haar toe en ik doe snel die rare schoentjes weer aan. Opeens pakt Sanne mij vast en ze zegt: “I want you teach something…” En ze laat het zien ze zegt: “We call this ‘de overstap’. Come on, try it” en ze pakt me vast en daar gaan we. De eerst paar keren struikel ik over mijn eigen voeten, maar na een poosje gaat het eindelijk beter. Later die dag proberen we het nog een keer en het lukt! Ik lach gelukkig en samen met Sanne gaan we al overstappend het hele meer rond.

 

 

 

De cyclus

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

De Cyclus

Mijn naam is Elizjenne en ik ben 16 jaar oud. Vanzelfsprekend zit ik dus in mijn puberteit. Iets wat ik mij altijd heb afgevraagd is hoe het zit met het proces waarbij je verandert van een tiener naar een volwassene. Ik weet uit ervaring dat dit niet per se iets te maken hoeft te hebben met je leeftijd. Zo ken ik genoeg 18-jarigen die zichzelf, ondanks hun leeftijd, niet als volwassenen zien. Dus wanneer begint die overstap nou precies?
Het kan zijn dat dit iets te maken heeft met het geslacht. Het is algemeen bekend dat meisjes iets sneller volwassen worden als jongens. Als dit het geval is, hoort het dan niet zo te zijn dat de volwassenheid bij meisjes op een jongere leeftijd begint dan bij jongens? Ondanks dit wordt er alsnog een leeftijd gekoppeld aan volwassenheid. Misschien wordt het tijd dat wij daar een verandering in brengen. We leven desnoods in 2017, alles veranderd om ons heen en alles wordt moderner. De wereld ontwikkelt zich, de mensen ontwikkelen zich, de wetenschap ontwikkelt zich en zo nog veel meer. Dit representeert aan de ene kant ook weer een overgang, maar in dit geval een overgang van de wereld. De wereld gaat over naar een nieuwe tijd. Een tijd waarin achter alles een vraagteken wordt gezet. Nieuwsgierig zijn wij als mensen, en dit zorgt ervoor dat de wereld maar blijft groeien in kennis. De wetenschap bevordert zich en daar moet geen einde aan komen.
Iedereen zal de overgang meemaken in zijn leven. Iedereen zal het meemaken op zijn eigen tempo, want iedereen ontwikkelt zich op zijn eigen tempo. Iets wat mij is opgevallen is dat veel mensen zich gedwongen voelen zich aan te passen aan de levensfase waarin zij zitten. Je hoort je te gedragen naar je leeftijd, toch? Jonge kinderen spelen, dansen, schreeuwen en zijn energiek, maar als een volwassene dit doet is het raar of kinderachtig. Waarom wordt er op zo’n moment niet aan gedacht dat deze volwassene nog vol energie zit, geniet van het leven en simpelweg blij is? Is het verboden om je ‘als een klein kind’ te gedragen? Verboden zal het niet zijn, maar het wordt wel vermeden door mensen, omdat je er raar door wordt aangekeken. De wereld veranderd en ook hier moet een verandering in gebracht worden. Het wordt tijd dat mensen zich weer moeten kunnen gedragen zoals zij willen of zoals zij zich voelen. Dat elke handeling wordt gekoppeld aan een leeftijd moet verleden tijd worden.
Ik vroeg mijn buurvrouw om een van haar fijnste herinneringen op te noemen en ze noemde een moment op uit haar kindertijd waarin ze met al haar vriendjes naar het leukste park van het dorp ging om te spelen. Ik vroeg mijn leraar om één van zijn onvergetelijke herinneringen op te noemen en hij begon mij te vertellen over de tijd dat hij nog een klein jongetje was en samen met zijn vader voor het eerst naar een pretpark ging. Aan het einde van de dag ging hij samen met zijn vader naar een heuvel om naar de zonsondergang te kijken en als volgt renden ze samen van de heuvel af.
Nou vraag ik me af waarom iedereen gebeurtenissen uit zijn of haar jeugd opnoemt en niet wat recentere gebeurtenissen. Is het, omdat ze toen wel de kans hadden om zich te gedragen hoe zij wilden en niet overal raar voor aan werden gekeken? Hun zorgeloze tijd. Deze tijd mag in mijn ogen teruggebracht worden. We leven in een tijd waarin ik vind dat we ons zouden moeten kunnen uitten op de manier dat wij dat willen, op de manier dat goed voelt voor onszelf.
Het is alsof we gevangen leven. We leven met regels die verbonden zijn aan de leeftijd die we hebben. De tijd gaat door en de fijne herinneringen raken steeds verder weg. Onze jeugd en onze zorgeloze tijd raakt steeds verder weg. Voor je het doorhebt leef je achter slot en grendel, bij wijze van spreken. Ik zou wel kunnen zeggen dat we bevrijdt zouden moeten worden. Bevrijdt van deze bevooroordeelde meningen van de mensheid, bevrijdt van de normen die gekoppeld zijn aan ons leeftijd.
De wereld doorstaat een overgang waar wij aan bijdragen. We gaan vooruit, dus ook op het gebied van je leeftijd en gedrag moeten we vooruitgaan. Leef je leven zoals jij het wilt leven, gedraag je zoals je je voelt en uit je op de manier waarop jij vindt dat het het beste is. Breek uit deze cyclus van ellende en maak je eigen gedenkwaardige herinneringen. We leven in een wereld waarin vrijheid een centraal begrip is in de mensenrechten. Laat dan ook zien dat we echt vrij zijn.

Voor altijd gescheiden?

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Ik trek mijn meisje op schoot. Mijn neus begraaf ik in haar hals. De vertrouwelijke geur van sop dringt door mijn neus gaten naar binnen. Het heimwee naar thuis is zo sterk, haast ondragelijk. Naast mij zit mijn man. We weten het allebei, het afscheid is in zicht. Normaal praat je dan toch samen? Elkaars handen vasthouden? Zeg dat je van elkaar houd? Elkaar de laatste hoop geven? Het lijkt wel of we nu, voor ons afscheid vreemde voor elkaar zijn geworden.  Ik observeer met een schuine blik zijn gezicht. Er ligt een gekwetste, verdrietige blik in. De wallen onder zijn ogen geven zijn slapelozen nachten aan. Ik schrik op van mijn dochtertje heldere stem die door de stille wagon klinkt. Hoelang duurt het nog? Zwijgend en vragend kijk ik mijn man aan. Het lijkt wel of hij de vraag niet gehoord heeft. Zacht stoot ik hem met mijn elleboog aan. Hij draait zich naar me om. Zijn ogen vol verdriet weerspiegeld in de mijne. Ik weet het niet. Niet lang denk ik.  Hij blijft me aankijken. Ik zie aan zijn gezicht dat hij nog wat wilt zeggen maar het niet kan, of durft. Een soldaat bij de deur roept wat door de wagon. Ik ben dan niet heel goed in talen maar dit begrijp ik wel. Het is duidelijk. We moeten onze spullen pakken en uitstapen. En dan zal de overstap plaats vinden. Ik weet wat er dan zal gaan gebeuren. Mijn man had het thuis allemaal uitgelegd . We zouden eerst samen  reizen. Daarna zal de overstap plaats vinden. Hij naar zijn wagon, naar zijn trein. En ik met mijn meisje naar de onze. Zouden we dan voor altijd gescheiden worden?  Voor altijd? Was er dan echt geen hoop meer? Met piepende remmen komt de trein tot stilte. Het afscheid nadert. Ik voel zijn hand tegen de mijne. Ik pak hem beet. Is dit de laatste keer dat ik hem vast hou?  En opeens wist ik het zeker zonder hem kan ik het niet. Ik huil geruisloos. Mijn wangen worden nat. Een traan valt op onze samen gebonden handen.  Ik zie door een wazige blik van tranen, mijn man naar me om draaien. Hij geef me een bemoedigt kneepje. Meer dan dat kan hij niet geven.

Ik adem de frisse buiten lucht in. Ondanks het geschreeuw en gejammer, is het heerlijk buiten. Een dankbaar gedachten gaat door mij heen. We zijn niet alleen. God helpt ons en staat ons ook hier bij. Mijn ogen volgen hem. Mijn dierbare. Hij draait zich om. Zijn ogen doorboren de mijne. Je kunt het willen die ogen zeggen.  Dan omhelst hij mij stevig. Mijn verlangens om voor altijd bij hem te blijven komen terug. Ik snik het uit. We zien elkaar vast een keer weer terug? Denk aan deze belofte, dan lukt het vast wel, klinkt het onzeker er achter aan. Dan worden we uit elkaar gedreven als dieren. Het laatste wat ik van mijn man kan herinneren is zijn hand op de kruin van ons kind en zijn woorden, papa komt echt terug. Goed luisteren naar mama. Dan draait hij zich om, verdwijnt  in de mannenmassa en neemt hij de overstap naar zijn richting, van de dood. Ik til mijn kind op. Geruisloos als teken van stil, schrijnend verdriet banen mijn tranen zich over mijn wangen. We worden in rijen gezet. Per rij één wagon. We worden met ze alle in een wagon geduwd. Het strooi op de grond vertelt ons dat hier eerder dieren in hebben gezeten. Een huivering trekt over mijn rug. En dan vertrekt ook onze trein. Een trein vol oude mannen , oude vrouwen, moeders met hun kleine kinderen. Vrouwen verdringen zich voor de kieren. Een glimp op te vangen van hun geliefde.  Voor mij hoeft het niet. De pijn zal nog ondragelijker worden. Ik kijk naar mijn dochter. Ze aanschouwt het allemaal met grote ogen. Een stroom van dankbaarheid stroomt door mijn lichaam. Ik heb haar nog. Ik ben niet alleen. Langzaam laat ik me op het hooi zakken. Vermoeid van verdriet trek ik het kind op schoot en sluit mijn ogen. Hoelang nog kan ik haar nog zo vasthouden? Hoelang blijft ze bij me als teken van hoop? Hoelang mag ik haar nog houden? Of word ze gelijk bij de bestemming weggerukt?

Hoe een hacker, een cactuseter en een wonderkind de Overstap maakten

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Harmony
Rustig en zelfverzekerd wandelde ik het museum binnen. Zenuwachtig was ik niet, natuurlijk was ik dat de eerste keer wel geweest, maar alles went. Toen was ik zelfs zo zenuwachtig dat ik liep te trillen op mijn benen. Maar vandaag niet, vandaag was alles perfect…..

Het was rond de 20 graden, net warm genoeg om de bewakers sloom en moe te maken. Bezoekers waren er niet, want rond lunchtijd was het erg rustig. De enigen die ik zag zitten waren een oude vrouw en man die allebei aan één kant van het bankje zaten alsof de ander een besmettelijke ziekte had. Ik liep naar ze toe, het was altijd handig om eerst te pijlen wat voor mensen het waren, sommigen konden zo onvoorspelbaar zijn!

Nadat ik even met ze gepraat had. Was ik te weten gekomen dat de vrouw Millie en de man Karoshi heetten. Aardige mensen, maar gelukkig waren ze niet schadelijk voor mijn plan.

Voorzichtig keek ik om me heen. “Niemand, alles was veilig.”

Dacht ik.

Net toen ik de geheime kamer was binnen gegaan en de deur had gesloten, hoorde ik een geluid. Het klonk als… Kauwen?

Toen vloog de deur open alsof iemand er een enorme trap tegenaan had gegeven. En.. dat was ook zo, achter de deur stond…

Karoshi, op dat moment wist ik dat ik een fout had gemaakt. Ik was vergeten te checken of ze in het systeem stonden, of ze wapens bij zich hadden, of ze… Nou ja, alles eigenlijk. Karoshi was aan het eten, stukjes cactus? Achter hem verscheen Millie, die me met een ondeugende blik aankeek. Ze liep achter Karoshi langs en zei:”Zo, was je van plan om alleen te gaan?”

“Alleen te gaan? Waar heb je het over?” vroeg ik. “Dat weet je best, we zijn van alles op de hoogte.” zei Millie. Ze vertelden hoe ze elkaar een week geleden waren tegengekomen, en vrede hadden gesloten omdat ze meer over het plan te weten wilden komen. Wat ze al wisten hadden ze vooral te danken aan Millies kwaliteiten als hacker, en Karoshi’s kwaliteiten als karate-expert. En nu, nu wisten ze alles van mijn geheim. Weken had ik voorbereidingen getroffen, dit moest gewoon doorgaan!

Weet je wat, dacht ik. Ik neem ze mee! Als alles lukt dump ik ze daar wel. Met een verslagen stem mompelde ik:”Ik voel dat ik dit moet doen, maar jullie mogen mee als jullie dat willen?” Na een moment waarin ze over mijn woorden nadachten stemden ze toe. Wat een sukkels, dacht ik. Ze weten blijkbaar niks van wat hun te wachten staat…

Millie

O, eindelijk hadden we haar! O, en dan… Wacht, eerst zal ik jullie mijn verhaal vertellen. 2 weken geleden, 10 dagen na mijn verjaardag, zat ik achter het bureau in mijn werkkamer. Opeens kwam er een oude man langsluipen en dat was(je raadt het al) Karoshi. Hij liep rustig over het paadje langs mijn huis, terwijl hij in zichzelf zat te praten. Ik ving iets op als: “geheim… vreemd…hoe dan?… blauwe stoel.” Omdat ik toch aan een pauze toe was, stapte ik naar buiten en liep naar hem toe. Hij had eerst niks door, en ik moest wel 10 keer kuchen voor hij me eindelijk opmerkte. Toen hij me zag draaide hij zich meteen om en…. schopte me zo de bosjes in! Een paar seconden later had hij door wat hij had gedaan. En werd knalrood. In mezelf lachend om zijn beteuterde gezicht maar tegelijkertijd zo boos als een kreeft probeerde ik overeind te komen. Snel hielp hij  me om uit de bosjes te komen, maar 2 seconden later lag hij er zelf in! Nu was het toch wel fijn dat ik nog wat judogrepen kende! Ik vuurde al mijn vragen op hem af, waar had hij het over, wat deed hij hier,hoe had hij het ooit in zijn hoofd gehaald mij in de struiken te gooien?! Hij stelde voor om een nieuw ijsje(de andere had ik in de struiken laten liggen) voor me te kopen en dan alles uit te leggen. Toen hij een ijsje voor me had gekocht begon hij te vertellen.

Nadat hij het hele verhaal had verteld, besloten we samen om uit te zoeken wat het plan was, en het als het nodig was tegen te houden. En nu hadden we eindelijk de kans om uit te zoeken waar Harmony heenging, en wat ze van plan was!

Nadat Harmony Millie en Karoshi de weg had gewezen, liepen ze met z’n drieën de kamer binnen. En wat ze daar zagen, was iets wat ze nooit hadden verwacht..

Harmony

“Kom, deze kant moeten we op,” zei ik tegen Millie en  Karoshi, ”Snel, anders komen we nog te laat!” Toen we de kamer binnenliepen hoorde ik achter me uitroepen van verbazing en schrik, en Millie hapte naar adem. Voor ons stond een blauwe stoel, hij was oud, chique  en had een mysterieuze uitstraling. “Nog èèn minuut!”

‘’Nog èèn minuut tot wat?’’ hoorde ik Karoshi vragen, terwijl hij zelfs van verbazing en schrik vergeten was een hapje uit zijn cactus te nemen.(iets wat niet vaak voorkwam) Op dat moment vervaagde de wereld om ons heen, begon alles te draaien en stonden we toen opeens met een klap stil. Om ons heen was alleen een dikke duisternis, waar geen licht doorheen kwam. “Wat hebben we gedaan! Waar zijn we, wat is dit en..’’ Millies geschreeuw ging verloren in het lawaai dat plotseling was ontstaan. Maar toch beantwoordde ik haar vraag. “Wij, zei ik, ‘’’Hebben de Overstap gemaakt.”

Mannen Van Morgen

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Men zegt dat dat de zielen van de doden terugkeren naar de natuur. Men zegt dat de moeilijkste offer om te geven aan de goden je leven is. Maar wat is zal ooit geweest zijn. Dat is wat Darra van zijn stamhoofd “Dada Jiqui” heeft geleerd als kind en nu stond hij hier aan de rand van zijn dorp met zijn leeftijdsgenoten klaar om een man te worden. Het was de traditie van zijn stam om jongens die hun rijpe leeftijd hebben bereikt in de wildernis te sturen om een waardevol iets uit de natuur mee te nemen. Hoe exotischer hoe beter. Er waren die met edelstenen terug kwamen en die met antilopepelzen maar het grootste dat ooit mee terug was gekomen was de hoorn van de neushoorn door Dada Jiqui. Dat is de reden waardoor hij stamhoofd werd. Darra was vastberaden om iets groots terug te brengen maar met de 6 andere jongens die mee moesten was er veel competitie, gelukkig was zijn beste vriend litho erbij. Het was bijna tijd om te vertrekken en ook al was het nog maar ochtend Darra kon al aan de brandende hitte voelen dat het de zonnewende was. Toen iedereen verzameld was kwam Dada Jiqui langs om nog een paar woorden van moed in te spreken. Daarna werden ze in de wildernis losgelaten. Zoals de gewoonte was bleef de groep bij elkaar voor het geval van gevaar. Maar de spanning was hoog want iedereen wou natuurlijk de beste buit mee terugbrengen. Na twee dagen te stappen in de schroeiende zon en nog weinig rantsoen was de spanning te snijden. De savanne zat normaal altijd vol met exotische dieren maar het zag ernaar uit dat de zonnegod hun niet gezegend heeft. Aan de Zeni rivier waar normaal honderde nijlpaarden en duizenden exotische vogels zitten zat er droog en verlaten bij. Toen de groep bij de grote kloof aankwamen waar normaal een grote kudde gnoes hun jaarlijkse trek maakte was afgelegen. “Dit kan niet, dit mag niet”, stamelde Darra ,”eerst de rivier nu de grote kloof, iets heeft ze weggejaagd”. De andere zagen het ook. In de grond waren barsten en de sporen lagen erg diep wat betekende dat ze met een zeer grote snelheid hierdoor kwamen. “Weet je zeker dat ze hier altijd rusten litho?” Vroeg Darra. “Ik ben er zeker van dit is de plek waar mijn vader en mijn vaders vader op jacht gingen en ze brachten altijd een overvloed aan vlees mee”. Plots hoorde ze een gebrul wat verder op. Een seconde erna was alles ijzig stil, iedereen wist welk dier het was “een leeuw”. Voordat Darra het door had begon iedereen in de richting van het woud te spurten, klaar om de grote prijs binnen te halen. Iedereen vertraagde uiteindelijk en sloop zo stil mogelijk naar de plaats waar het geluid vandaan kwam. Wat ze daar zagen schokte hun. Een sneeuw witte leeuw met zilver grijze manen. Rondom hem lagen verschillende karkassen van grote dieren terwijl hijzelf gebogen zat over een zebra. Darra had het gevoel dat hij het beest herkende al maar hij kon zich niet direct herinneren dat hij ooit een witte leeuw had gezien “Ik ga erop af” fluisterde litho terwijl hij met zijn speer rustig vooruitliep. Maar de andere zouden niet rustig toezien hoe hij met alle glorie ging lopen en volgde hem op de voet. Ze hieven hun speren en mikte op hun prooi. Plots kwam het terug in hem op, de legende van de witte leeuw. Het meest bloeddorstige beest op deze aarde, en bovendien zouden ze moeten uitgestorven zijn ook. Darra stak zijn arm uit en probeerde litho nog vast te grijpen maar hij was al te ver. “Niet doen” fluisterde hij maar het was al te laat. De leeuw voelde de groep naderende en met verblindende snelheid draaide hij zich om. In een reflex gooide sommige jongens hun speren maar de leeuw ontweek ze met gemak en in een flits spurte hij richting de groep. Hij sprong op de dichtstbijzijnde persoon en sloot zijn kaken rond de keel van de jongen. Darra kon het gekraak van botten en een schok van angst verspreide in heel zijn lichaam. “We moeten hier nu weg!” Schreeuwde hij maar zijn waarschuwing werd genegeerd. In een reflex om hun vriend nog van de leeuw te redden gingen ze erop af. Maar het beest kaatste niet terug en sprong op zijn volgende prooi. Darra voelde de adrenaline door zijn lichaam pompen. Hij greep Litho bij zijn schouder en sleepte hem uit de buurt van de slachtpartij. Hij zag dat zijn borstkas open geklauwd was, hij probeerde het bloeden te stoppen door zijn hand ertegen te houd “alles komt goed”,snikte hij, “we gaan terug naar het dorp, Dada jaqui zal weten wat te doen”. Hij zag litho zijn gezicht witter worden en begon te panikeren maar het enige dat litho nog kon doen was zijn hand uitsteken. Toen Darra achter zich keek zag hij dat de leeuw zijn vrienden allemaal tegen de vlakte had geworpen. Hij greep zijn speer en klungelde overeind om de weg naar Litho te versperren. Maar de leeuw was nu op hem gefocust. Hij richte de speer naar het beest en begon rond hem te cirkelen.Men zegt dat de zonnegod en de maangodin een eeuwen oude relatie hebben, men zegt dat hij zijn liefde en trouw heeft bewezen door zijn aartsrivaal te verscheuren en in de duisternis te werpen waardoor de sterren ontstonden. Zolang ze samen zijn kunnen ze niet uit balans gebracht worden. De verhalen van zijn kindertijd begonnen naar boven te komen maar nu hij oog in oog stond met het beest wist hij dat hij klaar om een echte man te worden.

Een overstap die ik niet snel zal vergeten.

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Wanneer ik de vijfde pagina in het Metro krantje omsla, hoor ik een schelle stem door de coupé galmen: “Dames en heren, dadelijk komen wij volgens de dienstregeling om 18 minuten over 7 aan op station Hoorn. Na Hoorn zal deze trein nog verder reizen als intercitytrein naar Amsterdam Sloterdijk, Amsterdam Centraal, Hilve…”. Ik werp mijn blik weer op de krant en lees verder in het artikel over de laatste ontwikkelingen van de aanslag op Brussel Airport. Hopen dat dit niet snel in Nederland gebeurt, denk ik bij mezelf.

Ondertussen rijdt de trein met een aardig gangetje door de uitgestrekte graslanden richting onze hoofdstad. We stoppen nergens dus dat schiet in ieder geval lekker op. Na een minuut of 10 heb ik het krantje ook wel weer gezien en ik haal mijn mobiel uit mijn broekzak. Even Facebook checken en dan meer een afspeellijst op Spotify luisteren.

“Dames en heren, binnen enkele minuten zullen wij aankomen op station Amsterdam Centraal. Wij zullen ongeveer 5 minuten later aankomen dan gepland, op spoor 5b. Te Amsterdam Centraal kunt u overstappen op de intercitytrein naar Almere en Lelystad, deze vertrekt van spoor 10 en de sprinter naar Rotterdam Centraal van spoor 2. Dit is station Amsterdam Centraal.

“Niet weer, hé”, zeg ik tegen de vrouw die tegenover mij zit. “Nu heb ik nog maar vijf minuten overstaptijd én moet ik ook nog in die drukte de trap af en door de hal”. Ze glimlacht voorzichtig. “Tja, je bent niet de enige hoor. Er moeten een hoop mensen naar Almere,” zegt ze. “Normaal gesproken komen we altijd op spoor 11 aan en dan hebben we een cross-platform-overstap, zo heeft een conducteur mij ooit uitgelegd. Speciaal zodat mensen minder hoeven te lopen en er een kortere overstaptijd mogelijk is.”

De tijd begint nu wel te dringen. Op het perron prop ik mij samen met de vrouw tussen de menigte richting de roltrap. Voetje voor voetje schuiven we naar voren en gaan we op de roltrap staan. Beneden in de hal aangekomen zie ik een grote mensenmassa die allemaal richting de trap van spoor 10 proberen te komen. Plots klinkt het gevreesde geluid van de omroepster. “Dames en heren, wegens een storing bij Weesp is de intercitytrein van 7 minuten over 8 de eerste trein die richting Almere en Lelystad zal gaan. Onze excuses voor de drukte”. Ik kijk op mijn horloge. “Oeh, nog 3 minuten”, zeg ik tegen de vrouw die nog steeds naast me loopt. Ze slaakt een diepe zucht en ze loopt achter iemand langs, weg van mij.

Ik loop langzaam achter een klein groepje mensen aan richting de volgende trap. Opeens hoor ik aan het uiteinde van de hal een paar vrouwen keihard gillen. Ik kan niet veel zien en ik probeer over de schouders van de man voor mij te kijken. In de verte zie ik vier mannen in zwarte kleding rennen. Er beginnen nog meer mensen te gillen en nu hoor ik ook pistoolschoten. Ik schrik me rot en ik bedek mijn oren voor het harde geluid. Ik voel dat ik door de menigte om mij heen naar het midden van de hal wordt gedrukt. De gewapende mannen rennen onze kant op en stoppen precies bij het groepje mensen waar ik bij sta. De vrouw voor mij kijkt regelrecht in de loop van het pistool en ze barst in tranen uit. “Doe het niet, alstublieft!!!,” schreeuwt ze.
De rest van de reizigers in de hal staan plotseling stil en kijken lijkbleek naar het tafereel wat gaande is. Een van de zwart geklede mannen schiet een keer tegen het plafond en schreeuwt keihard in het rond: “ER ZAL NIKS MET JULLIE GEBEUREN, ZOLANG JULLIE DOEN WAT WIJ ZEGGEN!” Een paar vrouwen die even verderop langs de muur staan beginnen te gillen en zakken daarna huilend op de grond. In mijn ooghoek zie ik een man zijn mobiele telefoon uit zijn broekzak pakken en hij probeert alles zo onopvallend mogelijk te filmen. Eén van de mannen schreeuwt naar ons dat we op de grond moeten gaan zitten. De andere drie mannen verdrijven de overige reizigers uit de hal van het station en blijven daar achter een paal staan. De man die zojuist tegen ons aan het schreeuwen was, pakt nu een pakketje uit zijn rugtas en zet die voor ons neer. Ik zie langs de schouders van mijn voorganger een klein doosje met een paar rode draden er aan vast gebonden. De man drukt op een knopje en loopt hierna richting een andere rugzak die even verderop de grond staat. Naast me zie ik dat een man en een vrouw al zijn flauwgevallen en dat er een paar kinderen zachtjes beginnen te huilen.

Bij de ingang van de stationshal zie ik opeens nog meer zwart geklede mannen aankomen lopen.  De voorste man draagt een schild met twee felle lampen erop. Onder de lampen zie ik vaag de tekst POLITIE staan. De drie mannen die achter de paal stonden verstopt, worden zonder twijfel neergeschoten en de rij van politieagenten komt in versnelt tempo onze kant opgelopen. De vierde man die gehurkt bij de rugtas zat, staat nu op en draait zich om in de richting waar het geluid vandaan komt. POLITIE, POLITIE, LAAT JE WAPEN VALLEN! De man beweegt zijn vinger richting de trekker en er volgt een keiharde knal. De man zakt op de grond en zijn wapen glijdt uit zijn handen. De agenten lopen onze kant op tot ze abrupt stil staan.

EXPLOSIEF! schreeuwt één van de agenten en ze doen allemaal een stap terug. Even later komt er achter de agenten een persoon in een groen pak tevoorschijn. Hij knielt bij het pakketje, bestudeert het en knipt langzaam de rode draden door. De persoon zet zijn helm af en de groep mensen om mij heen begint te klappen. Ik merk dat ik hevig begin te zweten en ik zie mijn handen trillen. Ik val achterover en alles voor mijn ogen wordt zwart…

Fantasie, of werkelijkheid?

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Voorzichtig probeer ik rechtop te gaan staan op de surfplank. Surfen is leuk om naar te kijken, maar om het dan zelf te proberen is een ander verhaal. Tot nu toe is het me nog niet gelukt lang te blijven staan op de plank, maar ik geef het niet op.
Als ik eindelijk rechtop sta voel ik een triomfantelijk gevoel in mijn buik, terwijl ik met de surfplank over de golven heen ga.
De triomf was maar voor even, want een paar seconden later verloor ik mijn evenwicht en viel ik het water in.
“Zesendertig,” zegt mijn vriend James met een kleine glimlach op zijn lippen.
Ik spuug wat water uit en kijk hem boos aan. “Zit je nou serieus te tellen hoe vaak ik omval? Wat ben jij nou weer voor een vriend?”
James duikt lachend weg voor mijn vuist, die hem anders in zijn arm had geraakt, en schuift wat achteruit op zijn plank.
Ik kijk mijn vriend nog steeds boos aan. “Zesendertig lijkt me overigens ook wat overdreven.”
James haalt zijn schouders op. “Zesendertig is toch echt waar.”
“Liegbeest. Waarom moet je überhaupt tellen? Ik raak er enkel door van slag.”
“Goed, ik beloof niet meer te tellen. Beloof jij dan wat langer dan drie seconden op de plank te blijven staan?”
Deze stomp kon hij niet ontwijken.
Ik kijk even naar de zee, waar de golven weer hoger beginnen te worden. “Nog een keer?”
“Een keertje, dan gaan we weer naar huis.” James kijkt even op zijn waterdichte horloge. “Over zo’n twintig minuten is het zes uur, dan moet ik eten.”
“Een keer,” beloof ik hem, waarna ik op mijn buik ga liggen en naar de aankomende golf zwem.
Het was een steeds hoger wordende golf, een beetje abnormaal hoog zelfs. Zo hoog zijn ze nooit bij deze kust.
Ik ga voorzichtig weer rechtop staan en probeer mijn evenwicht te vinden.
James schreeuwt iets, maar door het geluid van de aanstormende golf kon ik hem niet horen.
Deze golf is wel erg hoog zeg- denk ik.
Toen werd ik door de golf overspoeld en kwam ik met een harde klap op de puntige stenen van de bodem terecht.
Er zweefde wat bloed langs mijn hoofd het water in. Fronsend kijk ik ernaar. Heb ik me zo hard gestoten?
Dan komt er een enorme vis langs me heen zwemmen. Of beter gezegd: een vismens.
Hoe noemde je dat ook al weer? Oh ja, een zeemeermin.
Ze kijkt me fronsend aan, terwijl haar goudkleurige haar als een krans om haar heen zweeft. Haar groene ogen stonden ernstig en vernauwden een beetje toen ze het bloed zag.
“Heb je je gestoten?” vraagt ze met een zachte, melodieuze stem.
Ik wilde best antwoorden, maar dan zou ik een hele hap water in mijn longen krijgen.
De zeemeermin glimlachte, drukte haar hand op mijn voorhoofd en sloot haar ogen.
Na een korte tinteling die zich over mijn lichaam verspreidde kon ik ademhalen.
“Nu kan je praten,” zegt de zeemeermin.
Ik was iets te druk met haar blauwe staart bezig om te antwoorden.
“Gaat het wel?” vraagt de zeemeermin bezorgd.
Ik knik. “Het gaat.”
“Je hebt een wond op je hoofd.”
“Klopt.”
“Is dat door de rotsen?”
Ik knik opnieuw. “Ik was aan het surfen en probeerde een hoge golf, maar toen viel ik van mijn plank af.”
De zeemeermin fronst haar wenkbrauwen. “Zitten jullie surfers niet verankerd aan het bord met een touwtje?”
Ik bloos. “Ik doe dat touwtje nooit om, omdat ik normaal nooit zo diep de zee in ga. Ik ben nog niet zo goed.”
De zeemeermin giechelt even. “Dom van je. Het is maar goed dat ik langs was gekomen, anders was je waarschijnlijk gestorven.”
Dit keer was ik degene die zijn wenkbrauwen fronste. “Nee hoor. Dan was ik gewoon naar boven gezwommen. Juist omdat jij langs kwam raakte ik afgeleid en bleef ik hier.”
“O.” De zeemeermin wilde nog wat toevoegen, maar schrok van iets dat achter mij zat.
Voor ik achterom kon kijken of kon vragen waar ze van schrok drukte ze haar hand weer op mijn voorhoofd en werd alles zwart voor mijn ogen.

Als ik weer wakker word, lig ik in een wit ziekenhuisbed. James, pap, mam en mijn kleine zusje Jessica stonden eromheen, allemaal met een ernstig gezicht.
“Wa-wat is er?” weet ik na een tijdje uit te brengen.
“Je hebt een harde klap op je hoofd gehad,” vertelt mam. “James zag je in de golven verdwijnen en niet meer naar boven komen, dus is hij je op gaan vissen. Toen hij je eindelijk gevonden had was je bewusteloos, dus belde hij meteen de ambulance toen hij je uit het water had gehaald.”
James glimlacht zwakjes. “Je was echt bleek, niet normaal.”
“Gelukkig ben je nu weer veilig,” zegt pap glimlachend. “En wij gaan je nu maar even met rust laten. Je hebt een harde klap gehad, dus moet je goed uitrusten.”
“En de zeemeermin dan?” vraag ik nog, voor ze weggaan.
Et blijft even stil, een stilte waarin James me met opgetrokken wenkbrauw aankijkt en mijn ouders een bezorgde blik wisselen.
“Er was geen zeemeermin,” zegt James dan. “Moet je gedroomd hebben. Ik was binnen een minuut al bij je, en als er een zeemeermin was had ik die wel gezien.”
Ik knik. Vast een droom. Een hallucinatie.
Toch blijft er iets in me knagen, iets dat zegt dat ze er echt was.
Mam glimlacht bij het zien van mijn moeilijke gezicht. “De overstap van wat je dacht te zien en wat er echt gebeurde is heel groot lieverd. Het kan zijn dat je een vis aanzag voor een zeemeermin en er zo van overtuigd was dat je dat herinnert.”
Mam doet een doktersopleiding, dus die kan het weten.
Toch zit er iets in mij dat zegt dat die zeemeermin er echt was en ik er echt een gesprek mee had gevoerd.
Een ding wist ik zeker, mij krijg je nooit meer op een surfplank.
Daar komen enkel ongelukken van.

VAST

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

1940 – Parijs

Ik word wakker door het koude water dat in mijn gezicht wordt gegooid. Kreunend hef ik mijn hoofd en open mijn opgezwollen ogen. Het brede gezicht van Eerste Luitenant Hoffschauer daagt langzaam op.

“Hou je kop, Schwul!” snauwt hij en geeft me een klap met een emmer.

Bijna val ik van mijn stoel maar ze hebben me goed vastgemaakt waardoor ik miserabel aan de stoel hang.

Hoffschauer gaat voor me zitten en zet zijn ellebogen op zijn knieen. Zijn staalgrijze ogen staren me aan en soms glipt er een natte dikke tong langs zijn walgelijke lippen. Bijna huiver ik, zo weerzinwekkend vind ik het, maar ik doe het niet en blijf hem in de ogen kijken. Hij wil me breken. Ik zet me met veel moeite weer goed op de stoel en kijk hem recht in zijn ogen.

Hij grijnst. Uit het niets haalt hij een bundel papieren en begint er doorheen te bladeren.

“Jean Melpville. Geboren 10 februari 1916 in Marseille. 24 jaar oud. Afgestudeerd aan de ’École Polytechnique’ toen je 20 was, als nucléair ingénieur, en meteen naar Amerika verhuisd waar je aan iets “TOP-SECRET” hebt gewerkt.” Hij kijkt op van de stapel. “Nou, je ziet er veel slimmer uit op papier dan in het echt.” Hij lacht hard.

Hij is anders vandaag. Hij lijkt bijna…vrolijk.

“Doe niet alsof je me niet kent, Hoffschauer.”

Hij kijkt me teleurgesteld aan. Dan staat hij zuchtend op.

“Ja, Jean. Wij zijn nu goeie vrienden he?”

Retorische vraag, niet antwoorden.  

Hij loopt rondom me heen. Een twee meter lange stier die alleen wacht op iets roods.

“Twee maanden dat je hier al zit he? Twee maanden geen zonlicht gezien. Alleen, tussen deze..” hij snuift “niet al te modieuze vier muren.”

Ik moet even bijkomen. Twee maanden. Twee maanden geleden was ik nog vrij… en met Eric.

Hij gaat weer voor me zitten en bekijkt weer de stapel.

“Ik moet toegeven, je doet het beter dan ik dacht.”

Ik blijf hem aankijken.

“Opgepakt wegens homosexualiteit. Wie had het gedacht? Je familie niet, vrienden ook niet en zeker niet je leraren. De ontdekking van de eeuw!”

Weer lacht hij hard.

Er is iets duidelijk mis. Hij is tè vrolijk.

“Dat was alles wat we nodig hadden, Jean. Er was geen echte reden om je op te pakken. Gewoon nucléair ingénieur zijn is de doodstraf niet waard, maar een schwul zijn? “ hij glimlacht sluw. “Ik denk dat je eigen vader het niet erg zou hebben gevonden om zelf de trekker over te halen.”

Hij probeert me op stang te jagen. Hij zou moeten weten dat het niet meer lukt. Ik ken dit.

“Niet zo spraakzaam vandaag he? Dan zullen we eens echt beginnen.”

Hij gaat naar de deur en tikt drie keer.

Angst. Ik probeer het te onderdrukken maar het is moeilijk. Adem in, adem uit. Zoals hij al zei, je bent hier al twee maanden. Je bent er al aan gewend.

Wanneer hij terugkomt zijn er drie bijgekomen. Allemaal onder de twintig, blond en ik wed dat ze allemaal blauwe ogen hebben. Ze gaan alle drie om me heen staan en Hoffschauer gaat op zijn plek zitten.

Ik kijk weer naar Hoffschauer en wacht af. Hoffschauer kijkt me geamuseerd aan. Ik zie het in zijn ogen dat hij er zin in heeft. Hij is een sadist, maar er is nog iets. Ik kan mijn vinger er niet opleggen.

Hij schraapt zijn keel en begint.

“Jean, wat heb je gedaan in Amerika?”

Zoals ik nu al twee maanden doe, staar ik hem aan en zwijg.

Hoffschauer glimlacht breed. Hij vindt dit geweldig. Hij kijkt naar de drie jongens en zegt met een spottend hoffelijk handgebaar “bitte”.

Meteen voel ik de pijn. In mijn handen, gezicht, maag en benen. Ja, deze jongens kunnen er wel wat van. Zeker iets wat ze van jongs af aan leren bij de Hitlerjugend.

“Halt!”

Meteen stoppen de klappen en schoppen.  

Ik spuug bloed op de grond en kijk Hoffschauer weer aan.

“Goed getemde honden he?”

“Ik zou willen klappen, maar…”

Een hele tijd kijken we elkaar alleen aan.

“Jean. We weten allebei dat je zo nooit gaat praten. Daar ben je mentaal te sterk voor. Voor mij was dat geen probleem. Je bent de gevangene die het langst met mij heeft overleefd. Maar mijn Kolonel wil jouw geheimen heel graag weten. Dus ik heb zitten werken. En ik heb een paar heel interessante dingen gevonden.” Hij glimlacht en ik kan zijn vieze tanden zien tussen zijn ranzige lippen. Weer floept die tong eruit, langs die lippen en de ogen van de luitenant worden groter. “De reden waarom je terug gekomen bent uit Amerika!”

De wereld stort in en alles wordt wazig. Mijn oren piepen. Het kan niet. Ik wil mijn handen over mijn oren stoppen, maar het lukt niet ik zit vast ik zit vast ik zit vast ik zit VAST.

Door mijn paniek heen hoor ik de lach van Hoffschauer.

“Lieve Jean, we hebben dankzij de poetsvrouw gevonden dat je een vieze Schwul bent, maar niet met wie je het allemaal deed. Je hebt het ons ook nooit verteld. Ik geloofde eerst niet dat het uitmaakte maar toen realiseerde ik me: wat als je partner ook je grote liefde was?”

VastvastvastvastvastvastVAST.

“en toen was het zò makkelijk! Je hebt geen idee. Je was vroeger niet zo voorzichtig he? Die brieven in je bedlaken..” hij schudt zijn hoofd. “te makkelijk. Ik had beter van je verwacht.”

VASTVASTVASTVASTVASTVASTVASTVAST

“Toen was het vinden van je vriendje.” Hij grinnikt. “Hij is heel schattig, ik moet het je toegeven. Eric LaTour.”

Ik schok en tril. Tranen rollen over mijn wangen en gegrom komt uit mijn mond. Eric! Wat doen ze nu met je? ERIC!

“ik haat je” het komt er sissend uit. Ik heb er geen controle over.

Hoffschauer buldert van het lachen.

“Mein Gott! Heb ik je nu al gebroken? Maar er komt meer Jean, zo veel meer!”

Haar sjaal

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

De perzikachtige lucht wordt langzaam donker terwijl de trein door het hobbelige landschap rijdt. Mijn vage haar danst mee op de golvende beweging die we maken. Rustig kijk ik om me heen; twee, zes, negen mensen zitten in de coupé. Als een boot glijden het huilerige echtpaar, drie verwarde jongeren, de beschadigde jongen, zijn niet-wetende broer en het kleffe stel over de heuvels.

Langzaam glijden ze langs de oneindige vlaktes op weg naar Utrecht om daar uiteen te vallen in stukjes die later weer een andere geheel zullen vormen. Als een soort paardenbloem die door de wind uit elkaar wordt geblazen zodat elk pluisje later weer een eigen toekomst kan opbouwen; een veld vol paardenbloemen.

Hoewel ik zou willen dat ze met elkaar praten, weet ik dat de drempel om te praten met een vreemde tegenwoordig hoger is, dan om dezelfde vreemde uit te schelden. Soms irriteer ik me rot als oude mensen zeggen dat vroeger alles beter was, maar… ze hebben wel een béétje gelijk. Ze hadden elkaar kunnen helpen, elkaar kunnen sturen en vertellen waar de kans het grootst is dat je de stenen raakt waardoor je niet zal groeien, waar juist wel èn nog zoveel meer.

De lampen flikkeren aan terwijl het buiten nog donkerder wordt. Even kijkt het jonge stel op. Ze kijken even naar elkaar en gaan vervolgens verder waar ze gebleven waren.

Een soort slome stilte vult de coupé. Zachtjes klinkt door de stilte het zachte geluid van een opzwepend popnummer; de niet-wetende broer heeft zijn koptelefoon opgezet en laat daarmee, opnieuw onwetend, zijn jongere broer alleen. Die kijkt verontschuldigend naar de huilerige dame. Zij probeert op haar beurt te glimlachen. Dit geeft weer een komisch gezicht in combinatie met haar rode ogen. Haar echtgenoot grinnikt en trekt haar zachtjes tegen zich aan. De jongen glimlacht zwakjes en in zijn ogen zie je dat hij héél even overweegt om naar het koppel toe te lopen, zodat zij hem een knuffel zal geven en hem rustig over zijn hoofd aait. Een hoofd dat vol met onzichtbare angst is gevuld. Dat is zijn probleem. Hij praat niet, hij denkt. Hij denkt zoveel. Meer dan je kan zien. Meer dan je kan bedenken. Daarom is zijn probleem ook zo gevaarlijk. Wie kan namelijk iemand helpen met een probleem wat niemand kan zien?

Hij doet het niet. Hij loopt niet naar ze toe, omdat het vreemd is. Misschien een heel klein beetje omdat hij het eng vindt, omdat hij het zo verrekte eng vindt. Terwijl zij het lijkt te zien. De vreemde vrouw met betraande ogen lijkt recht door hem heen te kijken en te zeggen “Gaat het wel? Voel je je oké? Kom lekker bij me zitten en neem je zorgen maar mee.” Snel doet hij zijn oortjes in en staart in de donkere wijde wereld. Je vertrouwd voelen wanneer je dit lang niet deed is immers een vreemd gevoel.

Kort kijkt de geheel in zwart geklede jongen op van zijn telefoon. Hij schraapt even zijn keel en de jongen naast hem start een zacht gesprek over een verjaardag waar hij laatst was. Tegenover hun grinnikt een meisje om zijn blunders. Ze maakt een opmerking over hoe stom dronken hij moet zijn geweest en dat hij serieus moet oppassen met alcohol. Hij is immers nog jong. “… en ik drink mijn hersenen kapot. Wat een onzin. Je lijkt mijn moeder wel Kris!” zegt de jongen van de blunders geïrriteerd. Zachtjes merkt ze op dat ze alleen een goede vriend probeert te zijn. Geïrriteerd snauwt hij haar toe dat ze wel meer probeert, maar dat alles mislukt. De stemming wordt grimmiger in de coupé hoewel het jonge stel vrolijk doorgaat.

Kris vraagt aan haar sjaal wat hij met die opmerking bedoelt, waarop de jongen in het zwart begint te grinniken. De jongen naast hem lacht met hem mee en maakt een pijnlijke rotopmerking. De sjaal wordt omgeslagen en staat vervolgens mèt het meisje op. Haar ogen zoeken de trein door voor een andere plek. Hier hoeft ze niet meer te zitten. Een coupé verder staat een studentenvereniging waar duidelijk wat gasten te ver in het glas zijn gevallen. Het kussende koppel is geen optie. Het echtpaar valt bijna in slaap en die gast met de koptelefoon ziet er niet aanspreekbaar, maar wel vriendelijk uit.

De trein maakt een bocht waardoor Kris snel zich vastklampt en daarna zo zelfverzekerd mogelijk door de trein heen loopt om vervolgens tegenover een jongen te gaan zitten die bijna lijkt te verdrinken in het donkere landschap. Ze pakt haar telefoon uit haar zak om de tijd de doden en kijkt uit het raam.

De trein remt en staat stil bij station Utrecht Vaartsche Rijn. De jongen in het zwart en zijn vriend staan op om uit te stappen. Eigenlijk moet de sjaal en het meisje hier ook uit. Ze zouden met z’n vieren naar de verjaardag van een gezamenlijke vriend gaan, maar de sjaal heeft eigenlijk geen zin meer. Ze denkt snel na en besluit om toch maar naar de deur te lopen. In haar haast valt haar sjaal op de grond. Ze staat al half op het station als de jongste van de twee broers op staat en zacht roept. “Ehh.. je verliest je sjaal.. denk ik.” Snel draait ze zich om en op het moment dat de twee elkaar ontmoeten gaan de deuren dicht. Snel trekt ze een sprint naar de deur, maar die gaat niet meer open.

Rustig loopt ze terug naar haar stoel. Verontschuldigend kijkt haar helpende hand haar in de ogen. “Je hoeft je niet te verontschuldigen. Ik had toch geen zin om met ze mee te gaan.” glimlacht ze vanachter haar sjaal.
Twee minuten later komen er twee mensen glimlachend de trein uit. Het meisje met de sjaal en de jongen met onzichtbare angst lijken elkaar te hebben gevonden. Net voordat ze nummers kunnen uitwisselen begint de jongen te rennen. “Sorry, anders mis ik mijn overstap!” schreeuwt hij. De paardenbloem valt uiteen.

een onverwacht afscheid.

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

”Laat maar gewoon, je snapt ook niks hé!” ik zei het harder dan ik verwacht had dat ik het zou zeggen. Hij schrok, dat zag ik. Net goed. ”Waarom doe je nu zo boos? We zijn echt gewoon vrienden. Jij hebt toch ook jongens vrienden?” hij zei het met een aarzeling. Toch merkte ik enige zekerheid in zijn stem. Ik voelde de boosheid in me opborrelen. Waarom was ik nou zo jaloers? Nee, dit was zijn schuld. Dan moest hij maar niet zo flirten met andere meisjes. ”Jij bent de gene die lekker met andere meisjes flirt”. Ik zei het boos. Ik wist ergens ook wel dat ik een lijn overging maar ik kon mezelf niet stoppen. ”Ik flirt niet met haar, ze is mijn beste vriendin sinds groep 7! Ik weet niet wat die vrienden van jou zeggen maar ik gaf haar alleen een knuffel toen we naar huis gingen” hij was rood aangelopen en balde zijn vuist. Hij hield zijn woede voor me in, maar het kon me niks meer schelen. Ik was boos ik weet niet waarom maar ik was boos, en verdrietig. Ik haalde mijn hand door mijn haar heen. Ik zuchtte. ”Laat mijn vrienden hier buiten, en stop met liegen tegen me” zei ik kil. Ik stapte van zijn bed af. Het bed waar we zo vaak geknuffeld hadden. Waar we gelachen hadden. Hij betekende zoveel voor me, en het maakte me zo jaloers.Wat deed hij toch met me. Hij greep mijn hand, zijn boosheid was verdwenen en hij keek me aan met wanhoop in zijn ogen. ”Alsjeblieft, geloof nou niet zo’n stom gerucht.” Ik schudde mijn hoofd boos. ”Je snapt het niet”. Er kwamen tranen in mijn ogen. Wat wou ik graag in zijn armen springen en gewoon vertellen hoe onzeker ik was dat hij weg zou gaan. Maar ik deed het niet. ”Wij zijn voorbij” mijn stem brak terwijl ik dit zei. Hij stond op en ik zag boosheid, wanhoop en verdriet in zijn mooie ogen. Ik kon hem niet aankijken. Ik draaide me om. Liep zijn kamer uit. Liep de trap af. Hoe vaak heb ik wel niet op deze trap gelopen dacht ik. Ik stond voor de deur. Nu kon ik nog terug, nu kon ik het nog oplossen. Wat deed ik, ik wou dit helemaal niet. Ik hoorde hem de trap aflopen. Ik opende de deur. Sloeg hem dicht terwijl ik nog een glimp van hem opving. Ik stapte op mijn fiets. Ik fietste met alle kracht die ik had weg, Pas toen ik in de polder was ging ik rustiger fietsen. Ik voelde tranen over mijn wangen rollen. Wou ik hem kwijt? Nee. Het onzekere stemmetje in mijn hoofd zei weer ”Ja maar hij ging vreemd”. Ik schudde mijn hoofd. Alsof de gedachtes dan ook zouden verdwijnen. Ik hoorde een doffe harde knal. Ik hoorde getoeter. Ik keek naar de drukke weg achter de polder. Er was een fietser aangereden. Ik voelde in mijn keel een brok opkomen. Nee, dacht ik. Nee. Dat kan hem niet zijn. Ik fietste verder naar huis en huilde heel de avond, totdat mijn telefoon ging. Ik nam op. Ik hoorde een gebroken vrouwen stem. Ik slikte het was de moeder van Felix. Alles wat ze zei ging dwars door me heen. Alleen dat zij en de rest van de familie al in het ziekenhuis waren. Ook dat ik mocht komen. Alles was een grote waas. Totdat ik Daphne aan zag lopen. Zijn beste vriendin vol tranen. Het meisje waarover we nog zo’n ruzie hadden gehad. Ze keek me aan met grote ogen. Zonder twijfel pakte ik haar hand vast. Ze trok haar hand terug. Ze gaf me haar telefoon. Er stond een gesprek met Felix open.

Ik hou van haar Daph, ik ga haar achter na. Ze denkt echt dat wij wat hebben.

Hoe kan ik dit nu goed maken?

Ik ga nu snel haar achter na fietsen. Ik app je wel als het weer goed is. Ik bedoel het komt goed toch?

Wish me luck..

Ze scrolde omhoog waar allemaal vriendschappelijke berichten stonden. Waar hij vertelde wat hij en ik die dag gedaan hadden. Ik werd rood, en tranen rolde over mijn gezicht. Ze griste haar telefoon terug. Ik schaamde me. Ik stond vast genageld aan de vloer. Waarom moest ik nou zo stom doen? Ze liep weg richting de wachtkamer. Ik wachtte even voordat ik haar achter na liep. Ik nam plaats een paar stoelen verder weg van haar. Het voelde alsof er uren voorbij gingen. Ik staarde voor mij uit denkend aan hoe stom ik was geweest. Hoeveel leuke dingen hij en ik meegemaakt hadden. Daphne sprak haar woorden zorgvuldig uit. ”Dit is jouw schuld”. Haar stem brak niet maar klonk zeker vol woede. Ik zakte iets onder uit. Diep in mijn schaamte weggezakt. Ik begroef mijn gezicht in mijn handen en voelde hoe de tranen mijn handen nat maakten. Ik hoorde Daphne zuchtte. Ik haalde mijn gezicht uit mijn handen en keek haar aan. Ze gaf me geen koude blik, geen boze blik maar vol medelijden. Toch schudde ze haar hoofd en keek ze weer weg. Ik hoorde een deur klappen. De vader van Felix kwam naar buiten. De brede stoere man was een zachte kwetsbare jongen geworden. Zijn stem klonk emotieloos. ”Felix is” hij nam een pauze en begon opnieuw, ”Jullie kunnen beter naar huis gaan, Felix word niet meer wakker”. Ik voelde alles om me heen draaien. ”Ik heb jullie ouders gebeld”. Hij keek naar mij. Hij wou wat zeggen maar bedacht zich en liep weg. Alles bleef maar draaien.

”En daar begon mijn depressie maar ik word al beter” Ik zei het voorzichtig maar hoopvol terwijl ik de groep rond keek. Daphne gaf een kneepje in mijn hand. De hele groep keek me aan met grote ogen, psycholoog gaf me een bemoedigend knikje. ”Ik heb spijt dat ik mijn laatste woorden met hem zo heb gebruikt, je weet nooit wanneer de laatste keer is”. Daphne keek me bedroefd en toch trots aan. ”hij zal voortleven in onze gedachte”.

Fluisterwind

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

De wind fluistert in mijn oor. Zijn koele adem blaast over mijn gezicht. ‘Je moet gaan,’ zegt hij. ‘Je weet waar naartoe. Ga!’ Ik ril en kijk steels om me heen. Ik ben hier toch alleen? De grassprietjes prikken in mijn billen waardoor ik me bijna gedwongen voel om op te staan. Bijna. ‘Waarom blijf je hier nog zitten? Sta op en ga.’ Verdwaasd sta ik op. Wat is er aan de hand? Waar moet ik heen gaan? Ik ben hier net, om even te genieten van de zon en de stilte. Maar dit wordt mij blijkbaar niet gegund. Mijn ogen glijden het verlaten veld over, op zoek naar iets duidelijks waar ik tegen kan praten. ‘Waar moet ik dan heen?’ Ik spits mijn oren, half omdat ik een antwoord verwacht en half omdat ik mezelf ervan wil overtuigen dat het helemaal stil is en ik me dus alles inbeeld. En inderdaad: alles lijkt te zwijgen. Tevreden ga ik weer in het gras liggen. Mijn ogen knijp ik dicht tegen de felle zon. Ik doe mijn best om de vreemde stem te vergeten en na een tijdje dommel ik in op het zachte ritselen van de bomen. Plotseling schuift de zon achter de dikke regenwolken en schrik ik wakker van oorverdovend gedonder. ‘Je weet dat dit geen zin heeft. Je weet dat je moet gaan!’ Bliksem breekt de hemel open en binnen een mum van tijd ben ik helemaal doorweekt. Vlug spring ik overeind en verbaasd hef ik mijn hoofd op naar de hemel. Miljoenen regendruppels snellen zich naar het aardoppervlak om op alles en iedereen hun sporen achter te laten. ‘Wáár moet ik dan naartoe?!’ schreeuw ik naar de hemel met gebalde vuisten. ‘Hier hoor ik toch thuis?” Uitgeput laat ik me op mijn knieën zakken. Mijn vuisten boor ik in de zompig geworden aarde. Woedend begin ik te huilen. De regen vermengt zich met mijn tranen en samen spoelen ze mijn boosheid weg. Zodra mijn tranen beginnen te drogen maken ook de wolken weer plaats voor de zon. ‘Ja, ja,’ mompel ik ‘na regen komt zonneschijn.’ Zacht gelach vult mijn oren, maar als ik goed kijk, blijkt het slechts het ritselen van de bladeren. Eindelijk lijkt het helemaal tot me door te dringen. Zouden de stemmen gelijk hebben? Is het tijd om te gaan? Dan wordt mijn blik ineens naar de zon getrokken. Geschrokken staar ik in het licht. In háár licht. Ik staar in haar gezicht, recht in haar ogen. Ik heb haar zolang uit mijn gedachten gebannen dat ik van haar schrik. Ik sluit mijn ogen als alle herinneringen aan haar zich weer aan me opdringen. En opnieuw worden mijn hoofd en hart met haar gevuld. De zon, denk ik, ze was als de zon. Zíj was de reden dat ik hier naartoe ben gekomen. Als ik mijn ogen weer open straalt alles me tegemoet. Bloemen tonen hun schoonheid en vogels tjilpen een vrolijk lied. Ik ga weer in het gras zitten. De groene vlekken op mijn broek deren me niet. ‘Moet ik naar háár toe?’ vraag ik me hardop af. Een opgewonden maar ook angstig gevoel maakt zich van mij meester. Mijn blik volgt het fladderen van een vlinder. Ineens fladdert hij hoog de lucht in en ik zie wat hij mij wil tonen. Een prachtige regenboog overkoepelt de hemel. Schitterende kleuren verfraaien het landschap. Verbluft door alle schoonheid sta ik ernaar te kijken. Hoop vult het gat in mijn borst dat er al zolang zit. Alles om me heen bevestigt dit gevoel. Opgelucht en hoopvol beweeg ik me over het veld. Zonder nog een moment te aarzelen ga ik op pad. En ik besef: ik ga wel weg, maar ik ga naar haar toe. De natuur heeft mij de weg naar huis gewezen.

Alleen

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Het is de laatste dag van de vakantie, zoals gewoonlijk zit ik weer ergens anders met mijn hoofd. Ik lig op bed en ik denk aan die scene die ik elke nacht maar krijg in m’n dromen. ”Wie is dat kind en waarom noemt hij me Emmathyst?”. Ik heb vaak gekeken op internet om te kijken of dit vaker voorkomt bij andere mensen, maar ik heb niks gevonden. Soms vraag ik aan mezelf waarom ik dit wil weten. Misschien omdat ik nieuwsgierig ben of………..Omdat ik alleen ben.

Toen ik 7 jaar was kwamen mijn ouders om in een auto ongeluk en mijn broer hebben ze nooit meer kunnen vinden. Sindsdien ben ik in een pleeggezin terecht gekomen. Mijn pleegouders zijn heel aardig ze zorgen ook goed voor me, en ik ben ze daar dankbaar voor, maar wat niemand weet is dat ik me al die tijd alleen voelde. Het is net alsof ik een masker op heb als ik bij anderen ben…Zodat ze niet kunnen zien dat ik aan het huilen ben van buiten. Ik vertel mezelf altijd dat ik gewoon net als de andere moet zijn. Goede cijfers halen op school, lekker uiteten gaan, met…elkaar lachen. Maar elke keer wanneer ik terug denk aan die scene moet ik huilen, omdat ik het gevoel krijg dat ik iemand heb verlaten en ze niet meer kan herinneren

Het is de eerste schooldag. Ik heb mezelf voorgenomen dat ik ga veranderen, en dat ik niet meer naar vroeger kijk maar juist naar de toekomst. Ik zie me vriendinnen al staan. Ze zijn aan het lachen ik vraag me af wat er te lachen valt.
”Hey”, zeg ik, maar niemand reageert. Ik zie dat ze naar iets kijken dus ik draai me om. Het is een jongen. Ik heb hem nog nooit gezien is hij nieuw. ”Emma, vindt je hem ook  zo knap!” zegt Stella”. Ja hij is echt knap! Eigenlijk boeit het me niet echt, maar ik wil niet dat ze boos op me wordt. De bel gaat ik was van plan naar de les te gaan tot dat ik merk dat ik vergeten ben me fietssleutel uit mijn fiets te halen. ik ren naar het fietshok toe en pak mijn fietssleutel. ik ben al bijna te laat dus ik draai me snel om en ren naar de les, maar……

De nieuwe jongen staat opeens voor me neus, wat doet hij hier? ”OH, sorry”, zeg ik. Ik wou net vertrekken tot dat hij me hand pakte en me in m’n ogen kijkt. Uit het niets zie ik die scene uit mijn dromen weer voor me ogen, maar dit keer zie ik een duidelijk gezicht van de jongen die me Emathyst noemt. Ik schrok er zo erg van dus rende ik weg. Langzaam stop ik met rennen wanneer ik voor mijn klaslokaal sta. Ik realiseer me opeens dat hij die jongen uit mijn droom is. Zelfde blonde haren, zelfde groenen ogen. Alles was het zelfde! Ik liep het lokaal in en besloot met hem te gaan praten.

2 uur gaan voorbij en ik durf hem nog steeds niet te confronteren. Wat is dit gevoel dat ik heb ik heb dit nog nooit meegemaakt. het voelt net alsof m’n huid in brandt staat. Ik loop het toilet in en gooi wat water op me gezicht. ” Beter”, zeg ik. Ik loop het toilet uit en zie aan het einde van de gang die jongen staan. Uit het niets krijg ik opeens enorme koppijn. Ik kijk weer richting die jongen en zie opeens dat hij voor me staat. Ik kijk hem aan en ik……….realiseer me opeens dat hij iets tegen me zegt: ”Hoi, mijn naam is Darrian. Herinner je mij nog?”. huuu……….ik maak een flinke zucht!……broer.

Er was veel gebeurd in de tussentijd. ik en m’n broer hebben wat bijgepraat. Ik heb hem aan mijn pleegouders voorgesteld, die konden het ook nog niet geloven dat hij leefde, en ondertussen leeft mijn broer bij mij en m’n pleegouders. Ik denk vaak terug aan de tijd dat ik alleen was en realiseer me dat je nooit helemaal alleen bent. Er let altijd iemand op je.

 

 

Het meer

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Twee weken geleden besloot ik wat spullen op zolder te zetten. Door mijn verzameldrang was mijn hele huis verpakt met allemaal spullen. Mijn huis stond schil van schilderijen tot oude schoolschriften. Toen ik op zolder was, kwam ik allemaal oude dingen tegen. Dingen waarvan ik het bestaan niet meer van wist. Een van de dingen die ik vond, was een boek. Het boek was oud en stoffig en toen ik het boek openmaakte zag ik dat er een bladzijde uitgescheurd was. Op de bladzijde zag ik een foto van een gezin. Het leek een gelukkig gezin.  Het gezin woonde in Glasgow en op een dag besloten ze om een stuk te rijden. Na een eindje te hebben gereden besloot het gezin om een wandeling te maken. Uiteindelijk kwam het gezin bij het meer Loch Lomond aan. Het jongste zoontje van het gezin besloot om dichter bij het water te gaan kijken. Toen hij erg dichtbij kwam, gleed hij uit en kwam met zijn hoofd op een rots in het water terecht. Hij raakte bewusteloos en bezweek uiteindelijk aan onderkoeling. Zijn levenloze lichaam zakte naar de bodem van het meer en  ondanks veel speurwerk is zijn lichaam nog steeds niet gevonden. Volgens het boek zou het gezin ontroostbaar geweest zijn door het verlies van hun zoon en broertje en zouden de gezinsleden uiteindelijk zijn gestorven van verdriet. De geesten van de gezinsleden zouden teruggekeerd zijn naar het meer waar ze vandaag de nog altijd rondspoken. Aangetrokken door het mysterie besloot ik op onderzoek te gaan naar dit verhaal. Ik geloofde het verhaal niet en wilde er meer van weten.  De volgende dag nog pakte ik mijn koffers en reed ik naar Schiphol. Ik vloog naar Glasgow en ik besloot om eerst een hotel te zoeken waar ik de nacht door zou kunnen brengen. De volgende dag zou ik dan mij mijn onderzoek hervatten en bij het meer gaan kijken. Het hotel zag er oud uit en de bezoekers die er waren, kwamen er al jaren. Aan een van de gasten vroeg ik of hij meer over de mysterie van het gezin wist. Mitch McDonald zei jaren bevriend te zijn geweest met het gezin. Ook vertelde hij dat de familienaam van het gezin Patterson was en dat het gezin vaak in het hotel kwam om te ontbijten. Mitch geloofde niet dat de familie gestorven was van verdriet en dacht dat ze vermoord waren. Onderzoek van de politie wees echter niets uit en er werd geconcludeerd dat het gezin was gestorven van verdriet. Mitch zei me dat hij me wilde helpen en de volgende dag mee zou gaan naar het meer. Die nacht kon ik niet slapen. Ik kreeg een nachtmerrie en ik droomde dat ik in het water viel en dat een hand me onderwater trok. Badend in het zweet werd ik wakker en ik voelde een rilling over me heen komen. Ik zei tegen mezelf dat ik niet bang hoefde te zijn om naar het meer te gaan en dat het maar een droom was. De volgende dag stapte ik bij Mitch in de auto en we reden naar het meer.  Hoe dichter we het meer naderden hoe nerveuzer ik werd. Mitch kalmeerde me en zei dat geesten niet bestonden. We waren nog maar een paar meter van het meer verwijderd toen ik een stem hoorde. ‘Ga weg. Ga weg nu het nog kan’. Toen ik om me heen keek zag ik dat Mitch was verdwenen. Hadden de geesten Mitch te pakken gekregen. Een rilling ging door me heen en ik hoorde de stem weer. ‘Pas op. Hij is niet te vertrouwen’. De stem beangstigde me. Had Mitch er iets mee te maken. Had hij het gezin vermoord en hun jongste zoontje in het water geduwd. ‘Onzin’, zei ik tegen mezelf en ik liep verder naar het meer. Ik was vastbesloten om naar het meer te lopen maar iets hield me tegen. Ik hoorde wat achter me en ik keek om me heen. Ik zag niks en dus besloot ik om verder te lopen. Ik was nog maar een stap van het meer verwijderd. Plotseling hoorde ik de stemmen weer. De stemmen klonken nu nog dringender en harder. ‘Pas op. Hij heeft een bijl.’ ‘Een bijl?’ Nu begon ik me echt zorgen te maken en ik was verstijfd van angst. Ik draaide me om en achter me zag ik een gedaante met iets in zijn handen. Het was een bijl! Ik stapte achteruit en ik voelde de grond letterlijk onder me wegzakken. Ik viel in het water en terwijl ik met mijn hoofd boven water kwam, zag ik de gedaante weer achter me. Ik probeerde weg te zwemmen en toen constateerde ik dat ik de gedaante achter me kwijt was. Net voordat ik aan de weer aan land was, voelde ik iets op mijn rug en plotseling werd ik naar beneden getrokken. Het was een hand dat mij naar beneden trok en ik probeerde hulp te roepen. Ik was verstijfd van angst en het enige wat ik uit kon brengen was onverstaanbaar gebrabbel. Ik raakte verder onder water. Ik probeerde mezelf naar boven te drukken maar het lukte niet. De hand was te sterk. Ik voelde dat de krachten in mijn lichaam afnamen en toen zag ik zijn gezicht. Het gezicht van de gedaante. De stemmen hadden gelijk. Hij was niet te vertrouwen. Plotseling werd het donker. Alles werd donker. De hand stopte met duwen. Het was voorbij. Alles was voorbij.

De Overstap

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Elke dag was hij er.
Hij stond daar maar, alsof hij wachtte.
Er kwam niemand, en het duurde een tijdje voordat ik doorhad waarom.
Ik was de enige die hem kon zien.
Mijn vriend kwam laatst de kamer binnenlopen en vroeg waar ik naar keek.
Ik antwoordde: “Die man die over het water kijkt.”
Maar hij verzekerde mij dat er niemand in de tuin stond.

Hij fascineerde me.
Hij straalde een bepaald soort rust uit die tegenwoordig niemand meer had.
Hoe kon een mens zo kalm, zo stíl zijn?
Steeds vaker keek ik naar hem, probeerde ik die rust te vinden.
Het kalmeerde me, en ik voelde me zorgeloos als ik verder ging met mijn leven.
Het was alsof ik in een trance was.
Voor alle problemen was een oplossing te zijn als je het bekeek met die kalmte.

Op een dag liep ik naar hem toe, gedeeltelijk nog in die trance.
Toen ik hem vroeg waar hij op wachtte, antwoordde hij:
“Ik wachtte op jou, kind”
Van dichtbij was de kalmte nog sterker, ik baadde er in.
Ik voelde me aangetrokken tot hem.
Ik wilde hier blijven staan, kijkend naar het water.
Voor eeuwig.

“Waarom wachtte je op me?”
“Waarom kunnen de anderen je niet zien?”
“Waar kijk je naar?”
Hij beantwoordde mijn vragen met een stilte.
Maar ik had ook geen woorden nodig.
Hier zijn was genoeg.

Ik weet niet hoelang we daar stonden,
maar het maakte niet meer uit.
De wereld om ons heen vervaagde, leek niet meer te bestaan.
Het was alleen ik
Hij
Het water
En de rust.

Na een tijd die zowel seconden als eeuwen had kunnen duren, sprak hij.
“Kom, dan maken we de Overstap.”
Ik had de woorden nog nooit gehoord, maar ik wist wat hij bedoelde.
Ik ging naar huis.
“Bedankt,” zei ik,
“Bedankt voor het leven.”

Ik lachte naar de dood.
Hij lachte terug.

Hetzelfde verhaal

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Ik doe mijn ogen maar weer open, ik kan de slaap toch niet meer vatten. Zodra ik beweeg voel ik mijn spieren protesteren, ze zijn pijnlijk en stijf geworden, doordat ik te lang op de koude grond heb gezeten. Al snel merk ik op dat de situatie niet veel veranderd is. Sommige mensen zijn alleen maar van houding verwisseld, terwijl anderen een boek tevoorschijn hebben gehaald om de tijd te dooien. Maar we zijn nog steeds dezelfde groep. Een groep mensen die al een halve dag aan het wachten is. Wachten op de trein naar huis.

Je onderschat het, totdat je het zelf meemaakt. Verveling. Een oneindig gevoel van lusteloosheid. Terwijl ik mijn Ipod pak en de aangesloten oortjes in mijn oren prop, kijk ik naar mijn moeder. Ze is tegenover mij op de grond gaan zitten, nadat ze haar comfortabele stoel heeft afgestaan aan een jongere vrouw met een pasgeboren baby.
Ze merkt dat ik wakker ben en schuift naar me toe. ‘Hé lieverd.’ Ze schenkt me haar warme, vertrouwelijke glimlach. En heel even voel ik me net als thuis. ‘Red jij je nog een beetje? Slim van je hoor, muziek is het beste medicijn tegen verveling. Wat luister je?’ Mijn moeder weet wel hoe ze me moet afleiden. ‘Niet iets heel bijzonders, een liedje waar ik de laatste tijd veel naar luister. Het is heel mooi en klinkt speciaal, een soort van hoopvol. Het is misschien wel mijn favoriete nummer, maar ik denk niet dat je het kent.’
Na dat gehoord te hebben haalt mijn moeder voorzichtig een oortje uit mijn oor, en propt hem bij haar erin. Ik speel het nummer vanaf het begin af, en beide doen we onze ogen dicht.
Als het afgelopen is blijven we nog even zo zitten voordat we onze ogen openen. Mijn moeder is geëmotioneerd en heeft tranen in haar ogen. ‘Vroeger, toen ik net zo oud was als jij nu bent, heb ik dit nummer helemaal plat gedraaid. Het was een van mijn favorieten nummers toen. Blijkt dat we toch niet zo veel van elkaar verschillen.’ Ze geeft me een knipoog en doet haar ogen weer dicht. Ik ben verbijsterd maar het voelt fijn om iets gelijk als mijn moeder te hebben. Het is net alsof we nu iets delen. Alsof we een klein stukje verhaal in ons leven delen. En dat schept een band.

Als ik klaar ben met muziek luisteren besluit ik de wachtende menigte te observeren. Gestreste moeders en vaders met huilende kinderen, oudere echtparen, luidruchtige groepjes met jongeren en sommige mensen zelfs helemaal alleen . Je ziet ze allemaal. En allemaal zo verschillend. Ze zijn blank, donker, jong, oud, lang, kort, dik en dun. En dat zijn alleen nog maar de kenmerken die je aan de buitenkant ziet. Zo veel verschillende afkomsten, en zo veel verschillende toekomsten. Maar je voelt dat we allemaal iets gemeen hebben met elkaar. We wachten allemaal al een halve dag in deze klamme ruimte. Dit kleine stukje verhaal delen we allemaal. We zijn allemaal zo verschillend, maar wachtend in deze overvolle ruimte, zijn we verbonden met elkaar en allemaal gelijk.

En terwijl we een paar uur later de overstap maken van een wachtende en verbonden groep naar een los van elkaar staande groep reizigers die eindelijk naar huis gaan, wist ik dat dit kleine verhaal nog op veel verschillende manieren verteld zou worden.

En dit is mijn versie.

Vaarwel

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Kijkend naar het water luisterde ik naar het gezang van de vogels. Om me heen niks anders dan geluiden van de natuur en mijn warme adem die wolkjes blies in de lucht. Duizenden gedachten gaan door me heen, het is chaos. Ik denk aan al die avonden dat ik huilend in mijn bed lag, denkend aan hoe grote mislukking ik wel niet ben. Terwijl ik de volgende dag vrolijk op school aankwam alsof er niks gebeurd was. Begrijp me niet verkeerd, soms voel ik me gelukkig dan is het alsof al mijn problemen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Het begon 4 jaar geleden, alsof er een switch in mijn leven kwam. Alles wat ik deed leek niet genoeg te zijn, ook al deed ik er nog zo mijn best voor. Ruzie met mijn ouders, stress over schoolwerk noem het maar op. Het duurde ook niet lang voordat ik mezelf anders begon te zien, ik was te dik, te saai, niet slim genoeg en niet leuk genoeg. Ik was gewoon niet goed genoeg, het maakte me ongelukkig. Ik kreeg woedeaanvallen, paniekaanvallen en angstaanvallen, dit was de grens voor me ouders en ze stuurde met naar een psycholoog met het idee dat het allemaal niet zo ernstig was en het wel goed zou komen. Vier jaar later, ik dacht dat ik het onder controle had, dat ik eindelijk vooruit ging. Mijn eindeloze gesprekken bij de psycholoog waarbij ik alleen maar vertelde wat ze wilde horen waren voorbij. Ik voelde geen constante angst meer, geen verdriet of boosheid tegenover mezelf. Voor een kort moment leek het alsof alles weer normaal was, maar toen werd ik geraakt door de realiteit. Ik voelde niks meer. Geen blijdschap toen ik hoorde dat ik over ging naar het volgende schooljaar, geen liefde wanneer mijn moeder me een knuffel gaf en vertelde dat ze van me hield en geen verdriet wanneer er s ’avonds lege tranen over mijn wangen stroomden. Het was alsof mijn hart uit mijn lichaam was verdwenen en vervangen was door een leegte.

Wanhopig ging ik opzoek naar manieren om weer wat te voelen. Op een dag stond ik in de keuken in liet een glas vallen. Er volgde er nog 1 en nog 1 totdat ik met alle kracht glazen en borden tegen de muur en grond begon te smijten. Huilend ging ik op de grond tussen de scherven in zitten, mijn handen bloedden. Ik realiseerde me dat ik het niet kan, ik kan niet blijven doen alsof alles goed met me gaat, ik kan niet mijn leven in deze toestand blijven leiden, het gaat gewoon niet. Met gedachtes donkerder dan ooit te voren ruimde ik de scherven op.

Ik wist wat ik ging doen, het leek op dat moment de enige mogelijkheid. Op school probeerde ik iedereen nog een laatste keer te zien. Niemand wist wat er die dag in mij om ging, ik deed zoals altijd alsof er niks aan de hand was. In de les keek ik glazig voor me uit, mijn gedachtes heel ergens anders. In de pauzes lachte ik mee met mijn vrienden en keek mijn beste vriendin aan, ze lachte naar me en er verscheen een zwakke niet gemeende glimlach op mijn gezicht. Na school fietste ik niet naar huis, ik reed richting het bos en zette mijn fiets neer. Met gebogen hoofd en zwetende handen liep ik richting de sprookjesachtige brug. Daar aangekomen keek ik om me heen, de lucht was grijs en alles om me heen leek grauw. Alsof het mijn emoties met me deelden. Ik luisterde naar het gezang van de vogels terwijl ik het kolkende water onder me bekeek. Om me heen niks anders dan het gezang van vogels en mijn warme adem die wolkjes blies in de lucht. Een traan rolde over mijn wang. Langzaam zette ik een stap naar voren maar begon te twijfelen. Is dit wel wat ik wil? Geen seconde later drongen allerlei gedachten weer mijn hoofd binnen. ‘Niemand houd van je”, “Je stelt niks voor”, “Je leven heeft geen zin.” Er rolde een traan over mijn wang. En voordat ik het wist leunde ik voorover en voelde de brug onder mijn voeten verdwijnen. Ik voelde de wind langs mijn gezicht draven, de vogels stopten met zingen en het kolkende water wat me tegenmoet kwam zag er opeens vredig uit.

Wie wist dat de overstap van leven naar dood zo klein zou zijn.

Kill and win!

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

‘Dames en heren, fijn dat jullie er weer zijn. Ik ben Crazy Mike en ik verwelkom jullie bij alweer de vijfde editie van Kill and Win! De winnaar krijgt maar liefst twee miljoen euro! Maar dat is nog niet alles. Bij elke moord die je vandaag pleegt krijg je nog eens een bonus van 100000 euro!’ Opgewonden begint het publiek te klappen.’Met trots presenteer ik de vijf kandidaten van vandaag. Hier zijn Katie, Jack, Daniel, Emma en Natalie! Katie, vertel eens wat over jezelf.’ Giechelend komt Katie naast hem staan en pakt de microfoon. ‘Heeej allemaal, ik ben Katie the Killer en mijn favoriete wapen is een jachtmes. Ik doe vandaag mee, omdat het mij leuk lijkt om iemand te vermoorden en omdat ik graag een nieuwe auto wil kopen.’ ‘En wat voor auto wil je dan kopen? ‘ vraagt Mike. ‘Het liefst een Porsche met roze glitters, maar een gewone roze vind ik ook wel leuk.’ ‘Dat is hartstikke mooi Katie. Daniel, kom jij ook nog even naar voren?’ ‘Maar natuurlijk! Hey guys, ik ben Daniel the strangler en het liefst vermoord ik met mensen met mijn handen. Ik weet nog niet precies wat ik met het geld ga doen als ik win, maar het komt zeker in goede handen! Hahaha snappen jullie hem? Goede handen?’ ‘Heel grappig Daniel, maar nu moeten we toch echt beginnen. Eerst leg ik het spel nog even uit. Zo meteen gaan jullie met z’n allen een kamer in. De kamer is 10 bij 10 meter en er zitten geen meubels of ramen in. Er hangen verschillende camera’s zodat het publiek jullie kan volgen. Er zijn slechts een paar regels. Regel 1: iedereen krijgt één wapen naar keuze. Regel 2: Het is ieder voor zich, je mag geen teams vormen. En als laatste regel 3: Als je eenmaal de overstap naar de kamer hebt gemaakt, kun je niet meer terug. Zijn er nog vragen?’ Verlegen loopt Natalie naar voren. ‘Ehm, mag ik nog even mijn moeder bellen? Ik wil tegen haar zeggen dat ik van haar houd.’ ‘Nee Natalie, dat mag niet!’ roept Crazy Mike vrolijk. Hij wendt zich tot het publiek en roept ‘Hebben jullie er zin in?’ ‘JAAA’ ‘Zijn jullie er klaar voor?!’ ‘JAAAA’ ‘Nou dán moeten we maar beginnen. Kandidaten, kies snel een wapen en ga de lift in. We zien jullie zo weer. Maar eerst, de reclame. See you soon after the break!’

‘Welkom terug allemaal bij Kill and Win! Inmiddels staan de kandidaten klaar met hun zelfgekozen wapen in de aanslag. Zullen we dan maar aftellen? Daar gaan we!’ ‘VIJF, VIER, DRIE, TWEE, EEN, GO!’ Als idioten rennen ze op elkaar af. Hoppaa, daar springt Katie met haar jachtmes op Natalie. Natalie schiet hulpeloos met haar pistool in het rond, maar het magazijn is helaas snel leeg. Na een paar beste steken raakt ze bewusteloos. Maar daar komt Jack met zijn samurai zwaard aan! Hij duikt op Katie en hakt met een vloeiende beweging haar hoofd eraf. Het bloed spuit eruit en het publiek gaat helemaal uit zijn dak. Opeens zoeft er een pijl door de lucht die Jack in zijn arm raakt. Noodgedwongen laat hij zijn zwaard los en duikt weg voor de volgende pijl die Emma alweer op hem afgeschoten heeft. Vlug pakt hij zijn zwaard weer op -dit keer met zijn andere hand- en rent op Emma af. Emma heeft haar boog alweer geladen, maar nog voordat ze een pijl op Jack af kan schieten, boort hij zijn zwaard al in haar maag. Ze zakt als een lappenpop in elkaar en haar ogen vallen dicht. Dat betekent dat alleen Jack en Daniel nog over zijn! Doordat Jack nog steeds naar Emma’s levenloze lichaam kijkt, heeft hij niet door dat Daniel op hem af sluipt. Snel doet Daniel het wurgdraad om zijn nek en geeft er een flinke ruk aan. Jack tuimelt naar achteren en beland bovenop hem. Maar daar is Daniel niet van gediend. Hij trapt hem van hem af en slaat hem vol in zijn gezicht. Wat een sensatie! Jack heeft het zwaar, maar met zijn laatste krachten dringt hij het zwaard door Daniel heen. Allebei zakken ze op de grond, maar dan beseft Jack dat hij gewonnen heeft. Hij gooit zijn zwaard weg en begint te dansen. Alleen hij juicht te vroeg. Natalie pakt zijn zwaard op en stormt op hem af. Dan hakt ze met een enorme zwaai Jack doormidden.                           ‘Whoehoee! Natalie je hebt gewonnen!’ scheldt het uit de luidsprekers. ‘Kom snel naar boven!’ Plotseling zakt Natalie in elkaar. Haar borst gaat nog een paar keer op en neer, maar dan is ook zij dood.

‘Helaas lieve mensen. Na een spannende aflevering van Kill and Win heeft er niemand gewonnen. Maar niet getreurd. Volgende week is er weer een nieuwe aflevering en ik zie jullie dan graag weer terug! Nog een fijne avond en tot snel!’

3064

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Elke ochtend word ik, May, wakker in mijn capsule. Ik sta op, kleed me aan en ga naar de ontbijtzaal. Vandaag staat er sprinkhanencornflakes op het menu (persoonlijk houd ik meer van kevers) en ik drink een kopje soja koffie. Het blijkt dat mensen vroeger geen insecten aten, maar hier is dat heel normaal. Vervolgens poets ik mijn tanden en maak ik me klaar voor mijn werk in de computercentrale.

Het is het jaar 3064, we leven nu al 1000 jaar in de ruimte. In oude tweets heb ik gelezen dat er in 2064 op 1 januari een verschrikkelijk ongeluk heeft plaatsgevonden. De aarde stond in brand en iedereen moest geëvacueerd worden. Gelukkig waren we goed voorbereid, de wetenschappers wisten dat de aarde het op een gegeven moment zou begeven. Daardoor waren er al genoeg technologieën ontwikkeld en stonden de ruimteschepen klaar om ons naar de ruimte te brengen. Nu, 1000 jaar later, leven we in een ruimtegemeenschap. Ik woon in gemeenschap D.
De overstap van de mensheid heeft geschiedenis geschreven.
Ik ben heel benieuwd hoe het was, daar beneden. Op Instagram heb ik foto’s gezien van duizenden jaren geleden. Grote landschappen met figuren genaamd bomen, rare gevlekte wezens op vier poten en gele puntjes in het gras. Mijn overgroot opa vertelt mij wel eens verhalen. Volgens hem is de aarde een apart figuur.

Vorige maand ben ik achttien geworden en sindsdien werk ik in de computercentrale van ruimteschip D3.2. Daar houd ik de omgeving van het schip in de gaten en bekijk ik of er geen opvallende dingen zijn. Mijn beste vriendin Aloe, die ik al sinds de kinderafdeling ken, werkt er al wat langer dan ik.
De dag begint eigenlijk heel normaal. We starten met het aanzetten van de systemen, een temperatuurcheck en het meten van de luchtdruk. Wanneer ik in mijn stoel ga zitten komt Max, mijn baas, nog even langs om te kijken hoe het met mijn ontwikkeling gaat. Hij zegt dat ik al grote stappen heb gemaakt. Ik ben blij om dat te horen en met dit gevoel start ik met mijn dagtaak: het scannen van de omgeving. Het noorden is in orde, geen bijzonderheden. In het oosten zie ik iets zweven, ik zoom in en het blijkt een laars te zijn die een astronaut waarschijnlijk heeft verloren. Dat gebeurt wel vaker. Vervolgens draai ik verder naar het zuiden en daar zie ik ook geen opmerkelijke dingen, maar zodra ik naar het westen ga zie ik iets. Ik heb het nog nooit eerder gezien, een hele kleine grijze stip zweeft in de verte. Ik pak de ruimtegids erbij om te kijken wat het zou kunnen zijn. Het gevaarte is nog te ver weg om het te kunnen bekijken met de telescoop. Ik laat Aloe er nog even naar kijken, maar zij heeft ook geen idee wat het is. We besluiten om het probleem nog even aan te kijken. De rest van de dag gebeurt er niet zoveel. Om 5 uur mag ik van Max terug naar mijn capsule. Onderweg vraag ik me nog steeds af wat het zou kunnen zijn en of het gevaarlijk is. Als ik terug ben in mijn capsule twijfel ik of ik het niet aan Max had moeten vertellen, maar dat kan ik morgen ook nog doen.

Als ik de volgende dag weer inlog bij de computercentrale zet ik meteen de scan aan. Ik zie gelijk dat de stip groter is geworden, het gevaarte is dichterbij gekomen. Ik laat het zien aan Aloe en we besluiten om direct naar Max te gaan. Hij zegt dit nog nooit eerder gezien te hebben, het is een van de eerste keren dat ik zie dat hij zich zorgen maakt. Ook hij pakt meteen de ruimtegids erbij en doordat het gevaarte al dichterbij is kunnen we met de telescoop zien dat het een meteoriet is. Ik besluit het op te zoeken op mijn computer. Ik lees dat er in de afgelopen 48 jaar geen meteoriet is gespot en dat deze gevaarlijk kan zijn. Ook lees ik dat een meteoriet niet te stoppen valt als deze zich aan het verplaatsen is in de ruimte. We moeten met een oplossing komen, en snel!

We roepen al onze collega’s erbij om een spoedvergadering te houden. We komen tot de conclusie dat het verplaatsen van het hele ruimtegemeenschap niet gaat lukken, maar in delen zou het misschien wel lukken. Het is dus noodzakelijk dat we alle ruimteschepen loskoppelen. Zodra dit is gedaan is de kans kleiner dat we worden geraakt door de meteoriet en als dit zo is dan is het maar één ruimteschip in plaats van onze hele gemeenschap. We verdelen de taken en lichten iedereen uit de gemeenschap in en vertellen dat ze allemaal onmiddellijk naar hun eigen capsule moeten gaan. Ook sturen we een videoboodschap naar ruimtegemeenschap C en E, maar als het goed is lopen deze geen gevaar.
En dan nu actie. Zodra alle ruimteschepen zijn losgekoppeld wachten we af. We kunnen zelf niets meer doen behalve hopen dat we het allemaal overleven. Na één dag is de meteoriet op een halve kilometer afstand, volgens de berekeningen zou hij na drie dagen gepasseerd moeten zijn. Op dag drie is de meteoriet zó dichtbij dat ik hem zou kunnen aanraken. Iedereen wacht met ingehouden adem af of de meteoriet een ruimteschip raakt.
Ik heb nachtdienst en houd de meteoriet in de gaten. Om 00:14 ontsnapt ruimteschip D4 op het nippertje aan de meteoriet. Als de ochtend in zicht is, begin ik in te suffen. De meteoriet heeft de hele nacht een constante route gevolgd, maar wanneer ik weer op mijn scherm kijk zie ik dat hij zich op 6,89 meter afstand van ruimteschip D5 bevindt. Als uit het raam kijk om de situatie in te schatten zie ik een ontploffing. Ruimteschip D5 is geraakt. Met mijn handen voor mijn mond bedenk ik me dat er heel veel slachtoffers zijn gevallen, zeker 1000. Gemeenschap D, zal een moeilijke tijd tegemoet gaan. We zullen het nooit meer vergeten.

Mijn herinnering

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Mijn Herinnering

“Rennen, nu het nog kan! Maar ik kan haar hier toch niet zomaar achterlaten?  Ze komen eraan, als je nu niet rent dan ben je er geweest! Nee ik laat mam hier niet aan haar lot over!” Boem.. een hevige dreun door de grond liet Marjolein vallen. Zelfs de meest simpele bewegingen bleken onmogelijk te zijn op dit moment. “Ik ga eraan!” Klonk het door Marjolein haar hoofd. “Positief blijven denken Marjolein..” Maar deze gedachte veranderde niks aan hoe ze zich voelde, en al zou de gedachte nu winnen, het was al te laat. De figuren kwamen op haar af en vanaf dat moment werd ineens alles zwart.

“Waar ben ik?” Dacht Marjolein toen ze wakker werd. Een scheut van paniek overvalt haar ineens. Ze kijkt om zich heen en ziet dat ze zich in een kale, kille ruimte bevindt. De deur gaat open, in de deuropening staan 2 lange, behaarde mannen. Al meteen nadat de deur dicht gaat, ontstaat er een nare,  beklemde sfeer. De 2 mannen kijken haar met grote ogen aan. Dan komt er nog een man de kamer ingelopen. Een man met een donkere jas, bivakmuts op, en hele grote laarzen aan, kijkt boos naar haar. “Dit is dus het meisje waar ik het over had.”,  zegt de man met de bivakmuts op. Toen herinnerde Marjolein het zich ineens weer. Ze moest hier zo snel mogelijk weg zien te komen! De mannen zien dat ze probeert te vluchten en houden haar tegen. “Jij gaat voorlopig nergens heen.”, zegt een van de mannen.

Nu vraag je je vast af, hoe is het zo ver gekomen? Dat zal ik je eens uitleggen.

Het begon allemaal op een hele gewone maandag. Net zoals gewoonlijk had ik me verslapen en moest ik me dus haasten om op tijd op school te komen. Toen ik naar buiten rende om de bus te halen, reed de bus net voor mijn neus weg. “Zucht.. de dag begint alweer goed zo te zien.” , ging er door mijn hoofd. Nu ik de bus gemist had moest ik dus rennend naar school. Normaal maakt het me niet zoveel uit als ik te laat kom, maar nog een keer te laat komen en ik zou geschorst worden. Eenmaal op school aangekomen was het hele gebouw leeg. Ik dacht dat ik me in de dag vergist had, dat gebeurt me namelijk wel vaker,  daarom liep ik terug naar huis. Toen ik thuis aankwam, stond ons huis plots in brand, een naar gevoel rilde door mijn lijf. Mijn ouders zijn gescheiden en maken sinds de scheiding almaar ruzie. Ik woon nu met mijn moeder samen in een huis en mijn vader zie ik nooit meer. De reden hiervoor is, is dat mijn moeder vindt dat mijn vader veranderd is. Ze wil niet meer dat ik hem zie. Gisteren hoorde ik haar aan de telefoon ruzie maken met mijn vader, niet dat dat nou iets bijzonders is, het gebeurde wel vaker, maar dit keer was het veel heftiger. “Mijn vader zal toch niet degene zijn die het huis in brand heeft gezet?”, ging er door mijn hoofd, maar ik probeerde deze gedachte weg te drukken met: “Doe niet zo raar Marjolein, dat zou hij nooit doen.” Toen zag ik voor de deur een briefje liggen. Ik raapte hem op en begon te lezen: 

“Lieve Marjolein,

Je zult vast erg geschrokken zijn, maar maak je geen zorgen. Er is iets dat al een tijdje speelt, ik wilde het je wel vertellen maar ik wist niet hoe. Het zit namelijk zo: Je vader werkt sinds een maand geleden bij een drugsdealer groep. Eerst was ik het ermee eens omdat we geld te kort kwamen en dit de enige manier was om aan geld te komen. Toen we genoeg hadden, wilde ik dat je vader er mee stopte, maar dit gebeurde maar niet. Gisteren belde je vader om te vertellen wat de drugsdealers van plan waren. Maar ze kwamen erachter dat hij het vertelde en vervolgens hebben ze  hem opgesloten. Vanochtend kwam ik thuis van mijn werk en zag ik een briefje op de grond liggen. Ik begon het te lezen en voordat ik het besefte, werd ik naar achter getrokken en meegenomen. Ik schrijf deze brief in een kale lege ruimte, ik weet zelf ook niet waar ik precies ben. Kom me alsjeblieft niet zoeken, ik weet niet wat ze van plan zijn. Kijk goed uit alsjeblieft!

Mama”

Op dat moment hoorde ik mijn vaders stem, die gevolgd werd door enorme knallen. “Rennen!”, riep mijn vader. Toen zag ik mijn moeder door een raam in een kleine ruimte op de grond zitten.  Ik wilde haar wel helpen, maar op dat moment dreunde heel de grond en stortte ik in elkaar. Daarna werd ik wakker in een lege ruimte en probeerde ik te ontsnappen,  maar 2 mannen hielden me tegen. Ik trapte zo hard als ik kon op hun tenen en rende weg, het gebouw uit. Buiten zag ik mijn vader weer, een gevoel van opluchting maar tegelijk ook een gevoel van angst trilde door mijn lichaam. Weer een harde knal luidde, maar dit keer was het wél in mijn voordeel. Het was de politie die achter de drugsdealers aanzat. De politie kreeg ze te pakken en sloot ze op. Mijn moeder werd vrij gelaten en kwam buiten op mij en mijn vader afrennen.

Nu is het inmiddels 20 jaar later, maar het is een herinnering geworden die me altijd bij zal blijven. Als ik iets geleerd heb, dan is het wel dat het leven niet altijd is zoals je zou willen. Het leven kan in één vingerknip veranderen. Op deze manier heb ik geleerd van het leven te genieten zoals het op dit moment is voor mij en geen zorgen te maken over hoe het morgen zal zijn, dat zie ik dan wel weer.

Einde

Ezra

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Ezra

Het wapen voelt kil in mijn hand.

Verschillende gevoelens gaan door me heen. Angst, vastberadenheid en woede. Nu gaat het gebeuren, denk ik met een bittere grimas.

Er is geen weg meer terug. Vastberaden loop ik door de gangen van perfectie. Walgend kijk ik naar de veel te mooie muren, schilderijen en planten. De tijd dat ik hier leefde. De tijd van vreugde en later van angst. De altijd aanwezige vriend: angst.

Mijn voetstappen doorbreken de stilte.

Ik voel mijn hart bonken en mijn grip op het wapen wordt steviger.

Bij een lichtblauwe deur blijf ik staan. Ik volg met mijn ogen de handgemaakte versieringen. De oogverblindende perfectie maakt dat ik me een buitenstaander voel.

Mijn hele leven hoor ik nergens bij. Vandaag begin ik opnieuw. Versla ik alles. Kan ik alles.

Met onbekende kracht open ik de deur en zie ik hem daar staan.

Hij draait zich om. Zijn houding straalt macht uit. Zijn rechte neus en volle lippen zijn perfect. Donkere wenkbrauwen maakt alles aan hem kil. Ik voel me klein.

Rillingen gaan door mijn hele lichaam en ik krijg het koud. Angst overweldigt mij en ik kan me niet bewegen. Ik staar in zijn emotieloze ogen. Verloren ben ik. Pijn, angst en woede wervelen door me heen. ‘Jij’ fluister ik gebroken. Tranen springen in mijn ogen.

‘Jij’, begin ik opnieuw, ‘wint niet. Nooit meer’

Pure haat stroomt door mij heen. De woorden geven me kracht en ik herhaal ze en herhaal ze.

Steeds harder totdat ik schreeuw.

Langzaam word ik rustig en kijk hem aan. Hij lacht.

‘Jij kan niet winnen, mislukkeling’, spot hij. Woedend richt ik het wapen op hem.

Mijn ogen vol haat. ‘Zwijg’

Zijn lach sterft weg en een stilte volgt. Hij kijkt bang, spottend en woedend tegelijk, maar dit kan hij niet winnen. Nooit meer zal ik de pijn voelen. Nooit meer zal ik de angst ervaren. Ik win en hij verliest. Alles lees ik af in zijn ogen. Ik ken hem door en door. De ogen waar iedere vrouw verliefd op wordt. Een lach waar vrouwen voor smelten. Zijn stem vol leugens die mensen misleidt.

Niemand zal het meer horen.

Zijn handen zou ik nooit meer voelen. Zijn spottende opmerkingen nooit meer horen, want ik win.

Ik overwin mijn angst. Ik overwin mijn nachtmerries. Ik overwin en het voelt bevrijdend. Ik bepaal mijn eigen leven. Mijn gedachten zijn van mij.

‘Ezra’, zegt hij kalm, maar ik zie zijn angst. Het zweet op zijn voorhoofd. Zijn nerveuze bewegingen. Ik lach. ‘Ik zal je leugens nooit geloven. Het is te laat, papa.’

‘Jij, Ezra…’,

Ik hoor niet wat hij zegt. Ik ben verdoofd als ik het wapen nog hoger til.

Ik kan de vrijheid voelen, ruiken en ik schiet.

 

Gehersenspoeld

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Het is een treurige ochtend in oktober. De verlaten straten geven mij een leeg gevoel, iets wat ik hoopte niet te voelen. Mijn voetstappen klinken als bakstenen die naar beneden vallen. Om kwart over zeven hoor ik op de afgesproken plek te staan. Inmiddels ben ik bijna te laat, aangezien ik beneden een lichtje zag branden en niet via de voordeur naar buiten durfde te lopen. Mijn tas heb ik over een schouder geslingerd.

Buiten enkele lantaarnpalen branden er nergens lichtjes op dit tijdstip. De vertrouwde muur met de slogan ‘Kennis is Deugd’ valt mij niet eens meer op. Zelf ben ik het er niet helemaal mee eens, maar wat doe je er aan? Je kan je mening in deze nieuwe wereld beter voor je houden, anders hebben ze je snel te pakken.

De afgelopen paar jaar is er veel veranderd. De aarde is niet meer een planeet waar iedereen streeft naar vrede. De mens is nu zo vastberaden om te overleven dat ze alles zullen doen om dit te bereiken.

Niet geld, maar kennis is nu de hoofdprijs die men kan bereiken in het leven. De mens is te bang geworden van de afgelopen klimaatveranderingen en zoekt wanhopig oplossingen om zijn tijd op aarde te verlengen.

Van jongs af aan word je opgeleid om de meeste kennis op te doen, zodat er hopelijk zo snel mogelijk een oplossing gevonden wordt. Mijn vader is een hoog opgeleide arts in het centrale ziekenhuis. Van mij wordt precies hetzelfde verwacht.

De overstap wordt gezien als iets kwalijks. Het is in principe het verraden van je eigen omgeving en familie, iets wat niemand je ooit zal vergeven. Een enkel land in het oosten verzet zich tegen de gedachtegang van tegenwoordig en ontvangt iedereen die weer vrij wil zijn. Het enige waar je rekening mee moet houden is dat wanneer je de overstap hebt gemaakt, er geen weg terug is. Als ze je pakken staat er een hersenspoeling op je te wachten.

Aangekomen op het station loop ik direct door naar het perron. Onder het licht van een lantaarnpaal staat David.

‘Je bent gekomen,’ zeg ik.

Zijn armen om mij heen voelen als thuis, iets wat ik al heel lang niet gevoeld heb. Met een vader die altijd werkt en een moeder die enkel het beste van haar dochter verwacht is er niet echt sprake van liefde.

De overheid houdt iedereen in de gaten. Zodra iemand zich niet weet te concentreren op school of werk gaan er figuurlijke alarmbellen rinkelen. Binnen twee dagen ligt er dan een knalrode envelop op de deurmat met daarin een uitnodiging voor het psychiatrisch centrum, waar tegenwoordig concentratielessen worden gegeven om de hersenspoeling tegen te gaan. Een uitnodiging is eigenlijk niet het juiste woord. Je wordt gedwongen.

De trein brengt je naar het oosten. Waar de grens zich precies bevindt weet niemand.

‘Heeft iemand je gezien?’ vraag ik met een schorre stem. De afgelopen nacht heb ik nauwelijks een oog dicht gedaan, bang voor wat er komen zal. Op verraad van je eigen land staat een hoge straf, maar diegene die iemand verraad zal nooit meer hoeven te lijden.

‘Ik denk van niet. Ben je zeker dat je dit echt wil, Soof?’

‘Ja. Ik wil hier weg, voordat het te laat is.’ Ik weet niet of mijn leugen goed overkomt, maar David vraagt niet verder. De laatste paar dagen bezetten enkel twijfels mijn gedachten. Waarom verlaat ik straks een leven waar ik het niet eens zo slecht heb? Diep vanbinnen weet ik dat ik mijzelf voor de gek houd. Als ik mij ooit weer eens warm van binnen wil voelen moet ik hier weg.

Op dat moment gaan alle lichten van het perron aan. In de verte komt er een trein aangestormd. Toch neem ik voor de zekerheid een paar stappen achteruit en verstop mijzelf achter een pilaar. Ik kijk schichtig heen en weer, maar enkel het rode en blauwe licht in de verte valt me op. Eindelijk.

‘David,’ sis ik. David ziet meteen wat ik bedoel. Hij strompelt een paar stappen naar achter, maar weet duidelijk niet wat te doen. De trein is ondertussen met piepende remmen aangekomen bij het perron.

‘Halt houden. We weten wat jullie van plan zijn,’ schreeuwt iemand. Het enige wat ik mij kan beseffen is dat hij gepakt wordt.

Ik word wakker geschud uit mijn paniek als ik David voor mij uit zie sprinten. De deuren van de trein maken het bekende geluid.

‘Sofie, dit is onze kans!’

Als een persoon die vastzit in cement blijf ik staan. Van alles schiet er door mijn hoofd, maar ik lijk niet te kunnen bewegen. Uit mijn ooghoeken zie ik agenten het station in sprinten. Ik ben omsingeld.

‘Sofie!’

De deuren kunnen elk moment dicht gaan.

‘Halt, jongeman!’

Verward kijk ik naar een man die het perron op springt. Ik herken het pak als geen ander. Mijn vader. Eindelijk.

‘Sofie!’ roept hij met een duidelijke brok in zijn keel. Ik zie hoe de jongen me met glinsterende ogen aankijk. Hij snapt nog steeds niet dat hij door mij in de problemen zit.

Op dat moment gaan de lichten van de trein in een klap uit. Gelijk besef ik dat ik de goede beslissing heb gemaakt. Mijn eigen overstap is binnen een paar stappen gemaakt, terwijl de agenten David vast grijpen.

Mijn vader slaat zijn arm hijgend over mijn schouder. David houdt zich doodstil en wordt afgevoerd met een zak over zijn hoofd heen.

‘Kennis boven alles, pa,’ zeg ik met een schorre stem, vechtend tegen tranen. Ik deed dit voor David en zeker niet voor mijzelf. Verraad is iets naars en afschuwelijks, maar ik wil enkel het beste voor David.
Zonder het in de gaten te hebben, ben ik net zo behandelt als wat David nu te wachten staat. Ik ben zelf gehersenspoeld.

Suikerspin

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Het leek allemaal zo mooi. Te mooi om waar te zijn, misschien. Ik geloofde ooit dat hij net zoveel van mij hield als ik van hem, maar nu zit ik hier. Geblinddoekt in de kelder van een huis. Mijn handen zijn geboeid met een tiewrap en in mijn mond zit een prop papier. Ik voel het ijskoude lemmet van een mes tegen mijn keel schuren.

“Weet je zeker dat je het niet wilt doen, Erianthe?” vraagt hij. Zijn stem klinkt gemeen, maar toch ook wat onzeker. Ik murmel wat. Mijn mond is droog, de prop papier zuigt al het speeksel op. Het geeft een vieze smaak in mijn mond, ik wil wat drinken.
“Wat zeg je?” vraagt hij naar aanleiding van mijn gemurmel.
“Mnmnmnee!” weet ik eruit te persen.
“Je weet het niet zeker?” vraagt hij. ‘Jawel,’ denk ik. Ik weet heel zeker dat ik geen creditcard neem. Zeker niet om die creditcard vervolgens aan hem te moeten geven. Dat is waar het probleem begon. Ik had nooit verwacht dat het zo zou aflopen, dat het misschien wel zo voor mij zou eindigen. Dat dit het laatste is wat ik in mijn korte leven mee zal maken. ‘Nee, stop met zo denken, Erianthe. Je komt hier wel uit, vroeg of laat, levend of dood. Het liefst natuurlijk levend,’ fluister ik mezelf moed in.

Het begon allemaal een paar maanden geleden, toen drie vriendinnen en ik op examenreis naar Lloret de Mar waren. Op ons tripje naar het waterpark Waterworld kwamen we Carmelo tegen. Hij leek zo’n typische, onbereikbare Spaanse jongen, maar na een kort gesprek in ons brakke Engels bleek hij gewoon Nederlands te zijn. Dat was fijn, het communiceerde makkelijker en hij was daardoor toch niet zo onbereikbaar als dat we eerder hadden gedacht. Na een gezellige dag in het waterpark hadden we telefoonnummers uitgewisseld, gelijk diezelfde avond kreeg ik een berichtje van hem. Het klikte tussen ons. Toen we weer terug in Nederland waren, heb ik hem een aantal keer opgezocht. Elke keer had hij een cadeautje voor me, iets waar ik toen niets achter heb gezocht. We kregen een relatie, ik hield van hem en ik dacht dat hij ook van mij hield. Mijn vriendinnen vonden ons superlief samen, maar ze zagen niet wat er gebeurde als er niemand bij was.

Hij werd steeds opdringeriger, hij was niet meer de Carmelo zoals ik hem had leren kennen. Ik was me er alleen nog niet van bewust, totdat hij om een creditcard vroeg. Hij wilde dat ik bij de bank een aanvraag voor een creditcard deed. Ik zag niet in wat ik aan een creditcard zou hebben, dus ik weigerde. Dat is een hele grote fout van mij geweest, ik had moeten toestemmen. Dan had ik nu niet hier gezeten, geblinddoekt op een koude keldervloer met een prop papier in mijn mond en mijn handen geboeid met een snijdende tiewrap. Het heeft wel een voordeel gehad. Ik heb nu door dat er nooit echte liefde is geweest, hij wilde me gewoon afhankelijk van hem maken. Die jongen is net een suikerspin. Hij ziet er vanbuiten lekker en aantrekkelijk uit, maar als je hem eindelijk door hebt, kom je niet snel van hem af. Hij blijft aan je plakken. Misschien ben ik nog op tijd voor een verandering van de situatie, ik wil dit niet langer zo. Dat betekent wel dat ik mee moet gaan werken.

“Doe je het? Vraag je een creditcard aan?” vraagt hij met een hoopvolle stem. Ik knik. Misschien kan ik hier nog wel wegkomen. Als ik doe wat hij zegt, reageert hij hopelijk zoals dat ik verwacht dat hij zal reageren.
“Mooi,” zegt hij, “wil je wat te drinken?” Ik knik voor de derde keer.
“Wwafer gaag,” antwoord ik moeizaam. Mijn mond is zo droog als een woestijn, ik kan wel wat water gebruiken op dit moment. Dan kan ik gelijk die vieze smaak wegspoelen.
“Oké, ik ga even een glaasje water voor je halen. Blijf waar je nu zit, ik ben zo terug!” zegt hij. Zijn voetstappen weergalmen als hij wegloopt. Ik hoor een deur opengaan en weer in het slot vallen. Volgens mij is hij weg. ‘Oké, Erianthe, denk goed na. Wat deden ze ook al weer in dat filmpje om een tiewrap los te krijgen?’ Gelukkig ben ik lenig en heb ik in een snelle beweging mijn handen vanachter mijn rug over mijn hoofd getild. Vanboven mijn hoofd laat ik mijn handen snel naar voren vallen terwijl ik ze probeer te spreiden. Het lukt, de tiewrap schiet los. Snel trek ik de blinddoek voor mijn ogen weg en haal ik het tape van mijn mond. De prop papier spuug ik uit. Bah.

De ruimte is donker, er komt slechts een straaltje licht binnen via een klein raampje. Zachtjes, zodat mijn voetstappen niet in de ruimte echoën, loop ik naar het raampje toe. Het kijkt uit op een klinkerweg. Ik heb geen idee waar ik me bevind, maar één ding is zeker. Deze situatie moet veranderen, ik moet de stap zetten en naar de politie gaan. Op mijn tenen loop ik naar de deur in de andere hoek van de kelder. Ik open de deur voorzichtig en beklim de traptreden die erachter verscholen waren. De trap leidt tot de klinkerweg die ik daarnet door het raampje gezien had.

Plots hoor ik Carmelo schreeuwen: “Erianthe! Waag het niet om weg te gaan!” Ik besef me dat dit het punt is waarop ik niet meer terug kan. Vol adrenaline ren ik naar buiten toe. Carmelo komt achter mij aan. Er klinkt een knal en mijn benen willen niet meer rennen. ‘Dit is het einde, mijn einde,’ denk ik, terwijl ik voorover val. Carmelo stapt over mijn lichaam heen. Ik rol om en kijk naar hem. Het laatste wat ik zie, is hoe hij zijn revolver op mij richt.
“Het is jammer dat onze relatie zo moet eindigen,” zegt hij, terwijl hij de trekker overhaalt. Het schot klinkt en het wordt zwart voor mijn ogen.

De Kerst Nachtmerrie

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

24 december 1876
Hier waren we weer: de dag voor kerst.
Het feest van het jaar, waar iedereen aan meedoet. Wij ook. Het is het moment van het jaar om goed te beginnen aan het komende jaar. Aan oud en nieuw doen we niet. Kerst is ons nieuwe jaar.
Dit jaar is bijzonderder dan anders, alle 16 jarigen, waaronder ik, moeten een test ondergaan. Deze test bepaalt tot welke klasse je behoort, ook al is alles eigenlijk al vast gezet. Ik behoor tot de lage klasse; dit betekent dat ik te slecht ben voor de werkklasse en ik te onzuiver bloed heb voor de elite. Maar ik heb al mijn kansen nog, als ik mijn stinkende best doe kan ik misschien in een hogere klasse terechtkomen. Ik zal ze laten zie wie Rose Drakynoriv is.

25 december 1876
Eerste kerstdag. DE dag. Vandaag moet het gebeuren.
Ik zal ze laten zien dat ik kan jagen als de beste, dat mensenbloed voor iedereen is, niet alleen voor de elite. Ik hoef niet voor ze te werken, ik hoef niet voor ze te buigen, buigen doe je voor mìj.
Ik loop naar de inschrijfbalie, want hoewel ze zeggen dat het niet verplicht is, wordt je eruit gekieperd. Je krijgt dan ook nooit meer een kans om het beter te maken. Veel keus heb je dus niet.
“Rosa Drakynoriv” zeg ik.
“Hier” zegt de mevrouw, “pas goed op hè!”. Ondertussen overhandigt ze me mijn naamkaartje en mijn nummer: 666. Dat voorspelt alleen maar goeds. De duivel is inderdaad de persoon die je aan je zijde wil hebben, hij zou je kunnen laten winnen en hopelijk laat hij zijn spelletjes achterwege. Het enige waar ik nu op moet letten is dat ik mijn tanden in het goede bloed zet.
Langzaam loop ik naar de start, mensen kijken me aan. Met mijn slanke lichaam en mijn fel blonde haar val ik op, hier waren mijn ouders altijd trots op. Fel Blonde kinderen zijn schaars en brengen “geluk”. Ik denk dat ik meer ongeluk breng dan wat anders, maar goed, iedereen zijn eigen visie.
“Jullie kennen de spelregels! Niet verliefd worden op je maaltijd, anders ben je verloren als vampier! Je wil namelijk geen mens worden, saaier bestaat niet!” schalt het luid door de luidsprekers. Man wat is hij toch grappig, niet dus, ha ha ha hilarisch.
“Start! Jongelui pas goed op en succes!”

Het is begonnen.

Iedereen sprint weg, maar ik ken mijn plekje al. Er zijn daar een paar mensen van onze leeftijd, met een klein meisje. Als ik die steeg nou eens leeg drink, heb ik meteen zo’n zes mensen. Ik loop er rustig heen. Mensen zijn zo naïef; elk jaar opnieuw komen ze buiten, terwijl ze dondersgoed weten dat wij elk jaar op jacht gaan.
Ik kom aan in de steeg en zie het meisje slapen. Perfect! Als ik op mijn dooie gemak erheen wil lopen zoeft er plots een geluid langs mijn hoofd. Meteen erna voel ik iets tegen hoofd aan knallen.

26 december 1876
Geschrokken kom ik bij. Een jongen staat voor me. Een melkchocolade jongen. Wat?! Hoe kan dat nu? Die bestonden toch niet meer?  Ik ben zo geschrokken dat ik pas later merk dat hij me heeft overmeesterd. Grauwend kijk ik om me heen. Mijn hoektanden verscherpen en ik kijk hem met een bloeddorstige blik aan.
“Wat betekent dit?! Mensenjong LAAT ME LOS!” grauw ik hem toe. Het enige wat hij doet, is me met een lachje aankijken.
“Denk je echt dat ik bang voor je ben?” grinnikt hij. Sluw kijkt hij me aan. Ik merk plotseling dat hij fantastische bruine ogen heeft. Een warm bruin dat me laat smelten. Snel sla ik mijn ogen neer. Als ik me herpakt heb kijk ik hem weer kwaad aan. Hij lacht om mijn reactie en laat me een rij witte tanden zien. Ik bloos. Hij kijkt me nog steeds aan. Langzaam komt hij naar me toe.
“Amoryn” zegt hij. Ik staar hem aan. DIT KAN NIET. Nee nee nee! Iedere vampier krijgt de naam van zijn geliefde als ze vrij jong zijn; ik was 5 toen ik wist dat “Amoryn” mijn soulmate zou zijn. We moeten dan zelf deze persoon vinden. Dit is hem dus, een mens. Ik barst in snikken uit. Hij kijkt me aan alsof ik gek ben.
“Hey, hey. Rustig. Wat is dit nou? Sinds wanneer moet een meisje huilen als ik mijn naam vertel?” hij glimlacht bezorgd. Zijn hand ligt op mijn wang. Zachtjes aait hij me, hij haalt de tranen van mijn gezicht.
“Hey? Gaat het een beetje?”. Hij kijkt zo bezorgd. Ik probeer mijn tranen in bedwang te houden en zeg mijn naam. Wat een stomme zet! Je naam zeggen? Jeetje wie doet dat nou?! Hij kijkt me even aan. Recht in mijn ogen. Jezus, zijn ogen, zijn ogen! Ik verdwijn, letterlijk. Hij heeft me nog steeds vast en ik herinner me dat ik hier een doel had: het meisje doden. Haar heb ik hier totaal niet meer gezien. Ik wil ook geen bloed meer. Ik wil hem. Zijn ogen, zijn lippen, zijn handen; alles. Levend. Ik wil hem levend en niet dood.

La pelota esta redonda

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Hij zag ruimte. Piekfijn haalde hij met links uit. De bal vloog vluchtig en met een ongelofelijke kracht voorbij de doelman, recht in de winkelhaak. Zijn naam weerklonk doorheen het hele stadion: Esequiel Garcia. Dit is het verhaal van een jonge Spanjaard wiens dromen geen grenzen kennen. Hij is slechts zeventien en hij leeft zijn allergrootste droom. Nog steeds staat hij ervan versteld hoe de realiteit ooit een droom kon zijn. Esequiel en zijn familie komen uit de eeuwige probleemwijk La Mina in Barcelona. La Mina is een gevaarlijke en losbandige wijk met een grimmige sfeer. De straten zijn verlaten en liggen vol met afval. Het is het middelpunt van de Catalaanse drugsmarkt. Armoede nam hun leven duidelijk over. Moesten ze hier gebleven zijn, zou het niet lang meer geduurd hebben voordat de naïeve Esequiel in contact kwam met de drugshandel in deze wijk. Van zijn schoolcarrière kwam niets.  Hij deed zijn best niet en dat kon je duidelijk zien aan zijn resultaten. Dat hij ook later nog altijd aan de onderste trede van de sociale ladder zou staan was dus bijna vanzelfsprekend. Maar ondanks de armoede maakte hij het beste van zijn leven. Zijn geloof in God hield hem sterk en was heilig voor hem, net zoals zijn liefde voor het voetbal. Hij had veel vrienden waarmee hij elke avond na school ging voetballen op het plein in de buurt. Al snel was het duidelijk, die jongen kon werkelijk toveren met een bal aan zijn voet. Net zoals elke jongere in de buitenwijken van Barcelona was hij enorme fan van FC Barcelona. Messi was zijn allergrootste idool. Hij had dan ook nooit verwacht dat hij op een dag naast hem zou staan op het veld. Op een zonnige dag in juli speelde Esequiel een match met zijn ploegje. Tijdens de match viel er hem een man op die hij nog nooit eerder had gezien tijdens de match. Hij stond naast het veld en noteerde allerlei dingen in een boekje. Esequiel besloot er niet van wakker te liggen en hij legde zijn focus op de wedstrijd. Maar toen hij er de volgende weken ook stond, ontstonden er een heleboel vragen in Esequiels hoofd. 28 juli, deze dag staat voor altijd in zijn geheugen gegrift. Na de match benaderde de man hem. Wat bleek, de man die al enkele weken langs de zijlijn stond was een scout. Hij was ook niet zomaar de eerste de beste, neen, hij was een scout van FC Barcelona. De club stelde een nieuw akkoord voor waarbij ze de eigen jeugd meer willen aanspreken bij het scouten van nieuwe spelers. Ze willen talenten van de straten sleuren. Esequiel was één van hen. Het was een kans uit de duizend en dat besefte hij maar al te goed. Hij greep ze dus met beide handen. Eerst kreeg hij een kans bij de beloften, later bij de reserves. Bij de reserves heeft hij een hele tijd gespeeld. Met vallen en opstaan werd hij de ster van de ploeg. Op zijn zeventiende verjaardag werd hij dan ook opgebeld met het beste cadeau dat hij ooit kon krijgen. Hij werd opgenomen in de selectie van het eerste team, als reservespeler weliswaar. Dankzij deze kans heeft hij het mogelijk gemaakt zijn familie weg te krijgen uit de hel van La Mina. De allergrootste overstap in zijn leven. Hierover zal hij zijn kinderen en kleinkinderen later vertellen. Hij zal ze meegeven om nooit op te geven en altijd voor je dromen te gaan, zoals hij ook deed. Hij bedankt God. Hier staat hij dan vandaag de dag. Hij ziet ruimte. Piekfijn haalt hij met links uit. De bal vliegt vluchtig en met een ongelofelijke kracht voorbij de doelman, recht in de winkelhaak. Zijn naam weerklinkt doorheen het hele stadion: Esequiel Garcia.

Trajeudi

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Het is niet zo lang geleden, maar het lijkt een herinnering waarvan je niet helemaal zeker bent of het een droom was of niet.
Ik was 17 jaar. Eindelijk was het donderdag 1 september en kon ik naar Italië vertrekken, alleen.

Vroeg gaan slapen had niet echt geholpen, van opwinding had ik welgeteld 57 minuten geslapen toen om 6 uur mijn wekker ging.
Eindelijk. Dit zou de beste reis van mijn leven worden. Ik kon niet energieker zijn dan dit. Ik ging naar beneden, bakte nog snel een ei met spek voor mama en mij en ging me daarna aankleden. Dit was lastig aangezien het een warme zomerdag was, maar ik al mijn zomerkledij al had ingepakt. Hier had ik misschien niet zo goed bij nagedacht. Uiteindelijk vond ik nog een short en mocht ik een bloesje van mama lenen.

Om 8 uur stipt stond ik in het centraal station van Antwerpen te wachten op de trein die me mee zou nemen naar een avontuur. Een minuut later arriveerde de trein en nog eens 10 minuten later vertrok deze eindelijk. De trein reed helemaal tot in Milaan, daar moest ik overstappen op de volgende trein naar Sicilië. Tussen deze treinen zat nog 4 uur die ik kon gebruiken om Milaan te verkennen.

Ik wandelde wat door de straten van Milaan, keek naar de etalages van winkels waar ik toch niets zou kopen en ging tenslotte naar een parkje om daar op een bankje neer te ploffen in de Italiaanse zon. Gedurende het eerste uur deelde ik een croissant met een paar eenden en keek naar de mensen die te druk bezig waren om even stil te staan en te genieten. Ik bleef nog wat op het bankje zitten, genietend van de natuur en de warmte.

Plots schrok ik wakker. Een groepje dronken mannen verstoorde de rust in het parkje. Ik was heel even in de war. Waar was ik? Waarom was ik niet thuis?
Toen het tot me doordrong waar ik was, werd ik eerst overspoeld door een golf van geluk, maar die werd al snel overstemd door een golf van paniek. Het was al donker. Dit betekende dat het minstens al 22u was en ik dus mijn trein had gemist. Één overstap die ik moest maken en zelfs die lukte me niet. Wat nu?
Ik begon zo snel mogelijk naar het station te wandelen, in de hoop dat ik op tijd zou zijn voor een andere trein. Eens aangekomen in het station bleek dat de eerst volgende trein naar Sicilië pas morgenvroeg zou komen en ik dus eerst een nacht in Milaan moest doorbrengen, zonder plaats om te slapen.

Ik besloot een kluisje te huren in het station en mijn rugzak voorlopig daar achter te laten en enkel het essentiële mee te nemen. Aangezien ik hier toch nog een tijdje zat, kon ik er even goed het beste van maken.

Na een uurtje ronddwalen vond ik een gezellig barretje waar je ook iets kon eten. Tot het moment dat ik binnenstapte had ik de immense honger die ik had gekregen niet in de gaten gehad.
Een vriendelijke man leidde me naar een tafeltje voor twee personen en begon het bestek van één van de twee plaatsen op te ruimen. Plots werd hij onderbroken door een jonge Italiaan. Ik had geen flauw idee wat hij zei, maar ik wist vanaf dat moment wel dat ik een ongelooflijk zwak had voor gebruinde Italiaanse jongens.
De ober begon het bestek terug te leggen en de jongen ging tegenover mij zitten. Ik had geen idee wat er net gebeurde, maar ik denk niet dat ik het erg vond. Hij bekeek de kaart en ik had even niets anders te doen dan hem te bekijken. Pas toen hij weer op keek drong het tot me door dat ik best even stopte met staren en ook iets koos om te eten. We zaten hier al ongeveer vijf minuten en we hadden eigenlijk nog niets tegen elkaar gezegd. Plots nam hij het woord.
“Ik hoop dat je het niet erg vindt dat ik er even bij kom zitten, ik hoorde je praten tegen de ober en ik dacht wel dat je Nederlands sprak.”
Kon dit nog mooier worden? Dit is dus wat men ‘geluk bij een ongeluk’ noemt. Toen ik besefte dat ik er vrij lang over deed om te antwoorden zei ik: “Oh, geen probleem hoor, ik heb mijn trein gemist dus ik ben hier nog tot morgenochtend alleen. Ik kan wel wat gezelschap gebruiken. Ik ben Louise trouwens.”  Sneller dan dit had ik volgens mij zelden tot nooit gepraat.
“Mijn naam is Thibau, ik woon hier al 15 jaar, mijn moeder komt uit België, maar ze is de liefde gevolgd en bij mijn vader hier ingetrokken,” zei de knappe jongen die nu dus een naam had. Dit verklaarde meteen waarom hij perfect tweetalig is.

Ik weet niets over liefde, maar nadat we nog tot drie uur in het restaurantje gepraat hadden, voelde ik toch iets in mijn buik wat verdacht dicht bij de beschrijvingen van verliefdheid aansluit.

Toen hij uiteindelijk wel naar huis moest, besloot ik om nog heel even te blijven zitten om te denken wat ik nu moest doen. Thibau was nog maar net vertrokken, maar ik zag dat hij zijn gsm was vergeten dus ik rende snel naar buiten in de hoop dat hij nog in zicht was. Gelukkig stond hij maar aan de overkant van de straat dus ik riep “Thibau!” Hij draaide zich om en kwam terug toen hij zag dat ik zijn gsm vast had. Net toen hij de straat over stak kwam er een politiewagen de hoek om geracet met loeiende sirenes. Alles wat vanaf dan gebeurde, leek een uur te duren maar was toch na een halve seconde gedaan. Het beeld van Thibau op de straat, een aanstomende massa en opnieuw loeiende sirenes, van een ambulance deze keer, zal mijn netvlies nooit meer verlaten.

Hoe kan iemands leven in 2 seconden zo hard veranderen?

de bloemenweide

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

De dagen kropen voorbij. Het ene moment droomde ze over een prachtige plek. Een bloemenweide waar de zon scheen. Ze rende door de weide en plukte de prachtigste bloemen. Het volgende moment werd ze wakker in een donkere cel. Ze realiseerde zich met een klap waar ze zich werkelijk bevond, de cel. Dat verschrikkelijke donkere hol, soms kon ze de ratten langs haar hoofd horen lopen. De dagen regen zich aaneen. En soms had ze van die momenten zoals deze, dat waren de verschrikkelijkste. Dit keer besloot ze, zou het de laatste keer zijn. Ze moest hier weg. Ze dacht koortsachtig na. ‘Ongeveer een paar uur geleden had ze eten gekregen dus het duurde nog wel een dag voordat ze weer eten zou krijgen’. ‘Genoeg tijd dus om een plan te maken’ dacht ze. Ze keek eens rond, ‘Tja er was eigenlijk niets anders dan duisternis, net als in haar leven’ dacht ze verbitterd. Ver boven haar was een klein tochtig raampje, daar kon ze nooit bij. Ze kroop rondtastend in het duister door haar cel. De cel bleek groter dan ze had verwacht. In al die  maanden had ze namelijk nooit de moeite genomen om de cel aan een nader onderzoek te onderwerpen. Na een tijdje rondkruipen vond ze wat ze zocht, de deur. Achter de stevige ijzeren deur was nog meer duisternis wist ze, er viel namelijk nooit licht naar binnen als de bewaker eten kwam brengen. Ze voelde aan de onderkant van de deur; stevige ijzeren platen. Ze stond moeizaam op, iets wat ze in tijden niet had gedaan. Ze voelde aan de klink, ‘misschien was de deur wel open’ hoopte ze. Voorzichtig duwde ze tegen de klink. Hij gaf niet mee, ‘Helaas’. Ze voelde ook aan de rest van de deur. Alleen maar stevig ijzer. Toen vond ze het sleutelgat. Ze raapte een stokje op van de grond en porde in het sleutelgat. De sleutel zat er nog in,’Yessss’ dacht ze bij zichzelf. Ze voelde nog eens onder de deur, het leven was haar gunstig gezind; er zat een brede kier onder de deur. Ze duwde met het stokje de sleutel uit het slot. De sleutel viel met een zachte tik op de grond. Ze hield haar adem in, ‘Zou  iemand het gehoord hebben’? Ze wachtte een paar minuten maar er volgde geen reactie. ‘Die bewakers zijn vast naïef  geworden door haar passiviteit’ dacht ze minachtend. Ze schoof haar hand onder de deur door en klauwde in het  rond. Ze kon de sleutel niet  vinden. ‘Kom op, ze was zo dicht bij haar vrijheid, de deur was de enige grens die ze over moest stappen’ dacht ze wanhopig. Na een paar frustrerende minuten voelde haar hand koud metaal. Ze greep het vast en trok haar hand terug onder de deur. Ze leunde tegen de vieze muur, dit putte haar uit maar ze moest verder met haar ontsnapping. Ze kon het bijna niet geloven, ‘Gebeurde  dit echt’?! Ze Stak de sleutel in het slot en draaide hem om. Het slot ging knarsend open, ze wachtte met ingehouden adem af. Er gebeurde niets. Voorzichtig opende ze de deur en gluurde om het hoekje. Ze kon natuurlijk niets zien want alles was donker. Voorzichtig  liep ze de gang in, ze kon zich nog herinneren dat het bewakersverblijf aan het eind van de gang links was, dus moest ze aan het eind van de gang rechts. Ze hoorde gelach uit de kamer komen. Adrenaline gierde door haar lichaam. Ze sloop door de gangen en vond de weg naar de uitgang. Ze bleef staan voor de grote deur, ze kon het licht onder de deur door zien schijnen. ‘Deze deur was het enige wat nog tussen haar en haar vrijheid instond’ dacht ze blij. ‘Het is bijna te mooi om waar te zijn’. Ze probeerde te wennen aan het schemerlicht, dat was wel nodig na alle duisternis. Ze opende de deur en stapte haar vrijheid tegemoet. Het felle licht van de stralende zon scheen op haar gezicht en verspreide een prettige warmte. Ze raakte gewend aan het licht en begon te lopen, steeds sneller. Toen ze een paar kilometer van de gevangenis verwijderd was, liet ze zich op een bankje vallen. Ze rustte uit en keek eens rond. De wereld was niet veranderd in haar vijf maanden afwezigheid. Ze bekeek zichzelf in het water van een mooie vijver, ‘ik zou haast vergeten zijn hoe ik eruit zie’ dacht ze. ‘Maar nu, hoe moest ze haar leven nu weer oppakken’? Ze liep en liep en liep toen zag zie iets. Ze begon te huilen en kon niet meer stoppen. Ze knipperde met haar ogen ‘Was dit echt’? ‘Ja’, de tranen stroomden over haar wangen. Wat ze zag was prachtig, perfect en volmaakt. De weide uit haar dromen. Ze rende de weide in en plukte bloemen, precies zoals in haar droom. Na een tijdje ging ze onder een boom liggen. Ze dacht bij zichzelf: ‘Weet je Lily,  het komt wel goed, maak je geen zorgen’. ‘Als je deze overstap kon maken kan je alles’ en toen viel ze in een vredige slaap.

Een leven van goud

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Ik deed zo mijn best. Ik probeerde het uit alle macht. Ik strekte mijn hand uit zo ver als maar kon en ik rende harder dan ik ooit had gedaan. Als ik een stap naar voren zette bleef het dier staan, als ik nog een stap deed, kreeg ik een triest gevoel van binnen. Wat ervoor zorgde dat ik niet verder wilde, maar ik deed het toch. Ik zette een grotere stap dan voorheen, het wezen maakte zich vlug uit de voeten en ik kromp ineen. Ik voelde een ijzige steek in mijn hoofd, in mijn hart.
Ik adem diep in en krabbel op, plaats mijn handen onder mijn lichaam en probeer op te staan. Ik kijk op voor het wezen, ik zou hem nu aan kunnen raken en kunnen omhelzen. Maar hij is al lang vertrokken.

‘Lola’, ik reageer niet, ik wil niet en heb er de kracht niet voor. ‘Lola!’, de toon van mijn baas klinkt nu strenger. Ik probeer mijn hoofd op te heffen maar tevergeefs. ‘Lola,’ zegt Marc op fluistertoon, ‘dit kun je niet maken, niet nu. De mensen van de villa in Frankrijk zijn hier.’ Ik hoor hem vertrekken en de mensen op hun gemak stellen. Ik val bijna van mijn bureaustoel af maar kan me nog net aan mijn bureau vastgrijpen waardoor mijn gouden armbandje met bloemen tegen de tafel aantikt. Mijn baas, Marc, verwacht een professionele bankmedewerker maar ik heb een enorme kater en was dus liever in mijn bed blijven liggen. Ik draai mijn hoofd zo, dat mijn neus naar het plafond wijst en ik open voorzichtig mijn ogen.

De sterren aan de pikzwarte hemel zijn fel. Zo fel dat het lijkt alsof ze centimeters voor mijn gezicht zweven. Maar in feite zijn ze lichtjaren ver. Ik zucht en rol om in het vochtige gras en pluk gedachteloos een bloem. Ik maak aanstalten om een blaadje los te rukken, maar iets weerhoud me. Ik draai het plantje, dat niet veel groter is dan mijn vingertop, rond tussen duim en wijsvinger.
Ik ga rechtop zitten, ik herken dit weiland. Ik ben hier al zeker dertien jaar niet geweest. Iets overvalt me, ik ben degene die de keuze heeft gemaakt deze plek voorgoed te verlaten. Ik duw het steeltje van de bloem voorzichtig terug in de ijskoude aarde en kruip naar achter. Ik trek mijn knieën op en sla mijn armen eromheen. Een traan valt op mijn arm en rolt moeiteloos naar beneden.
‘Hallo?’, iemand tikt op mijn schouder en ik veer omhoog. ‘Niet huilen mevrouw’, het is een klein meisje dat tegen me spreekt. Ze heeft een armbandje van madeliefjes om. ‘Het is niet erg als je hier nooit meer komt’, ze steekt haar handje uit en ik pak hem aan. ‘Ik zal voor het veld zorgen’, ze heeft gelijk.

De sterren in het pikzwart lijken feller te schijnen en dichterbij te komen. Ik ruik koffie en hoor het getik op toetsenborden. Ik frons en kreun. De sterren aan de hemel zijn de spotjes in het plafond van mijn kantoor. Ik ga rechtop zitten en rek me uit. Mijn baas loopt weer binnen en commandeert: ‘Drink je koffie op en fatsoeneer je haar.’ Ik voel aan mijn normaal zo strakke knot, die nu meer een soort knoop is. Ik trek het elastiekje eruit en maak snel een vlecht. Marc loopt mijn kantoor weer uit terwijl ik mijn persoonlijke koffiemok met de woorden: ’s werelds beste collega in mijn handen klem. Ik hoor stemmen achter me en draai me om in mijn stoel. Het is hetzelfde stel als van vanochtend, van de villa. Ik schaam me dood. Zij willen hier vast een fortuin lenen en zien mij als vertegenwoordiger. Het is een wonder dat ze niet allang naar de bank aan de overkant zijn vertrokken.

Het stel is al wat ouder. De man draagt een lange wollen jas en heeft een aktetas in zijn hand. Hij steunt met zijn linkerarm op een wandelstok. Zijn vrouw heeft een rode jurk aan met een mantel om haar schouders en een gouden armbandje om haar pols. De twee mensen glimlachen naar me.

De papieren zijn getekend en al hun vragen zijn beantwoord. Toen ik ze vroeg of ze een kopje koffie of thee wilden, antwoordden ze in koor ‘warme chocolademelk’. Toen ik terugkwam had de man op de achterkant van een envelop een prachtige tekening gemaakt van zijn nieuwe villa.
Ik kijk naar de twee al wat oudere mensen, ze voeren een rustig gesprek over wie ze allemaal uit zullen nodigen als ze volledig zijn ingetrokken in hun nieuwe optrekje. Ik bedenk me dat ik me nog helemaal niet heb verontschuldigd dat hun afspraak een uur verzet moest worden. Maar net als ik dat wil benoemen, noemen ze mijn naam. ‘Lola nodigen we natuurlijk ook uit, haar baas niet, dat lijkt me geen gezellige man.’ Ik frons en schraap dan mijn keel, maar de man stopt me alvorens ik iets kan zeggen. ‘We weten dat het je spijt, maar we weten ook dat jij een ander leven hebt dan wij. Wij’ en hij wijst naar zichzelf en zijn vrouw, ‘hebben nu alle tijd van de wereld waardoor we overal op tijd kunnen zijn. Wij kunnen heus wel zien dat je gister een feestje had en we nemen het je niet kwalijk. Geniet alsjeblieft van alles wat je nu nog kunt doen.’ Zijn vrouw pakt zijn hand vast als hij dat zegt. ‘Opgroeien gaat vanzelf.’

Als het stel vertrokken is en mijn kantoor weer net zo stil is als normaal, merk ik iets op. Er ligt een beeldschone tekening van een eenhoorn in een weiland vol met madeliefjes op mijn bureau.

Vierentwintig uur

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

“Hallo iedereen”, roepen ze allemaal onovertuigd in de kring.
Ik hou mijn mond dicht. De coördinator van het gesprek zegt dat we wat zelfverzekerder moeten overkomen.
“Dus, heeft iedereen goed gevierd?”, voegt ze eraan toe.
Het boeit me letterlijk niets. De klok slaat twaalf uur. Je scheurt een nieuwe kalender open. Een nieuwe agenda kun je al beginnen krassen met afspraken en plannen voor het nieuwe jaar. Je geeft een kusje aan je moeder. Aan je vader, als je er één hebt. Champagne glazen rinkelen. Mensen lachen en dansen volop, want het feest is pas begonnen. De volgende dag word je wakker, maar niets is veranderd. Ik merk, na een paar minuten lang gevoelloos voor me uit te hebben zitten staren, dat mijn naam geroepen wordt.
“Hoor je me wel! Was het een gezellige avond gisteren?”
Ik forceer de lucht tot in mijn longen en probeer het zo kort mogelijke antwoord in mijn hoofd te formuleren. Ik antwoord vervolgens met ; “Ja, zeker”.

De laatste jaren vier ik de eenendertigste op dezelfde manier. In mijn boxershorts, bedolven door de duisternis van mijn omgeving, op de vierde verdieping ergens in een appartementsblok voor mijn computer. Het diner bestaat uit pizza van de vorige avond, door de magnetron verwarmde frikandellen, cola, chips, en andere halfvolle blikken die er te vinden zijn op de grond of in de koelkast. Om twaalf uur schuifel ik naar het raam. Ik kijk naar het vuurwerk. Ach, laat die mensen maar genieten. Voor hen kondigt het vuurwerk een “nieuwe ik” aan. Ik begin het jaar met een vers opgerolde jointje. Meer heb ik niet nodig.

In de zaal zitten een stuk of vijftien mensen. Een paar alcoholisten, drugsverslaafden waaronder ikzelf en een jonge vrouw. Het is de eerste keer dat ik haar hier zie. Ze straalt vreugde uit, maar haar ogen hebben iets droevigs. Ze praat met de mensen rond zich alsof dit een gezellige bijeenkomst is.

“Ik ben blij dat jullie allemaal zoveel te zeggen hebben vandaag, maar we moeten praten over waarom jullie hier zijn. Neem een plaats.”
De jonge vrouw komt naast me zitten.
“Vandaag beginnen we met Noor. Laten we haar verwelkomen.”
“Welkom Noor”, roept iedereen in een koor.
Ik wrijf met mijn vingers in mijn ogen. Belachelijk. Hier gaan we weer.
Noor vertelt over haar moeder. Die is geneeskundige. Daardoor heeft ze makkelijk toegang tot medicatie. Ze blijft glimlachen maar je ziet haar ogen glinsteren. Met een trillende stem beschrijft ze hoe ze vaker zelfmoord heeft proberen te plegen met pillen. Het zijn allemaal godverdomme mieten.Ik zet mijn hand voor mijn mond want anders barst ik in lachen uit. Het leven is een grote verwachting die alleen maar stenen naar je toe gooit. Een grote grap.

Toen ik dertien was, heb ik mijn moeder bewusteloos in het bad gevonden. Ik kwam terug van school. Het water stroomde nog uit de kraan en het bad was rood. Haar pols hing opengesneden over de rand van het bad en haar gezicht was wit. Ik kon nog net op tijd de spoed bellen. Vier jaar lang heeft ze nog zitten zeiken over een of andere man die weg is gegaan toen ik geboren werd. Mijn zogezegde vader. Toen ik zeventien was, had ze haar zelfmoord origineler gepland. Die dag had ik te horen gekregen dat ik over mocht. Ik kon niet wachten om het nieuws te vertellen. Thuis trof ik mijn moeder zonder polsslag op de keukenvloer. Ik belde weer naar 112. Alleen, dit keer heb ik haar niet kunnen redden. Vanaf dan wilde ik niets meer voelen.

“Dankjewel Noor. Nu nemen we elkaars handen vast en vormen een cirkel”.
Noor neemt mijn hand vast. Ik sla die van mij af.
“Septian, doe eens gezellig mee.”
De gedempte geluiden veranderen in een lange pieptoon.
Ik sta op en schuif Noors stoel bruusk uit mijn weg. Klotewereld. Buiten de zaal schreeuw ik mijn woede uit door mijn gezicht tegen mijn jas te drukken. Ik haal het doorschijnende zakje uit mijn rugzak. Ik neem een velletje en begin de wiet er lomp op te doen. Door mijn trillende handen laat ik de helft ernaast vallen. Noor komt de zaal uit. Ik steek de joint aan en neem een trekje.
“Je hoort dit hier niet te doen”, zegt ze op een uitdagende toon.
Ik adem de rook uit in haar richting.
Ze fronst haar wenkbrauwen en slaat de joint uit mijn handen.
“Waar slaat dat nu weer op!”, zeg ik.
“Wees niet zo een miet”, zegt Noor.
Ze heeft blauwe en roze lokken tussen haar blonde haar. Onder haar petje, waar L.A. op staat, schuilt een diepe blik. Haar ogen staan wijd open en tonen zorgen. Wat wil ze van mij? Ik schud mezelf wakker uit mijn eindeloze denkwereld. De hitte stijgt tot in mijn wangen.
“Dat moet jij zeggen! Heb je ooit gedacht aan de mensen rond je toen je zelfmoord pleegde? Egoïstisch wijf.”
Tranen stromen uit mijn ogen terwijl ik de harde woorden uitspreek.. Ik zak in elkaar op de grond met mijn wang tegen de muur.
“Sta op en doe niet zo zielig”
Ze zegt het met een geïrriteerde stem terwijl ze haar hand naar me toe reikt.
“We hebben allemaal problemen en we zouden allemaal op een moment willen verdwijnen maar dat geeft jou of mij niet het recht om dat te doen!!”
Ik kijk haar met grote ogen aan.
“Jij bent ook egoïstisch! Je leeft nu dagelijks met een gordijn voor je ogen of in een doorschijnende mantel zoals in Harry Potter..Ja, ik weet het ook niet”
Ze lacht waardoor ze putjes krijgt in haar wangen.
Het ruisende geluid, dat ik de grootste tijd van mijn leven hoor, vervaagt.
“Luister. Sinds ik hier ben aangekomen heb je niets anders gedaan dan voor je uit zitten staren. Ik probeerde jou iets te vertellen want ik wist wat je dacht. Jij, met je dikke ego, negeert me dan gewoon. Dus ja, ik ben egoïstisch geweest maar ik kan er nu nog iets aan veranderen. Jij kunt dat ook”
Het is alsof ze me uit mijn grafkist trekt en door al mijn pijn nog meer naalden steekt om me wakker te schudden uit mijn slaap
“Oké, sta nu op, we gaan”

Diep.io

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Diep.io

Iedereen begint klein, maar als je eenmaal de eerste blokjes overwonnen hebt, kun je al gauw door naar de driehoeken en de vijfhoeken, die je meer punten opleveren. Natuurlijk wordt je naarmate je vordert in het spel ook groter en trager, maar die sloomheid is ook meestal weer gauw opgelost met de upgrades die vrijkomen naarmate je kogels meer vernietigen kunnen zaaien in het spel. En als het je lukt om een vijand neer te halen, krijg je al zijn punten, een ongelofelijke boost dus. Degene die het snelst de vier hoofdbasissen verovert, heeft gewonnen! En dan kan de vijand helemaal niks meer. Dan heb je alles. Dan kan geen kogel je meer pijn doen.

Zo, mijn leven geschetst in 1 alinea. Bijna niet te bevatten hoe de werkelijkheid in elkaar steekt; Blauw en rood tegen elkaar. Zo simpel. Mijn antwoord op elke vraag; Je moet van meerdere kanten aanvallen en altijd voor de ‘Spread Shot’ gaan. Die heeft de grootste range.

Maar goed, nu in het thema van verandering, want dat is mijn interpretatie van ‘de overstap’, ik ben vandaag verzopen thuisgekomen. De regen was gestold tot hagelsteentjes die mijn kraag opzochten om daar gezellig te smelten. Mijn handen waren echter harder dan het water, dus ik ben thuisgekomen. Mijn laptop stond al op me te wachten in de kamer. Te popelen om bespeeld te worden. Of misschien om iets te vertellen.

Gedurende de warme douche, de buren konden mijn invulling van Michael Jackson horen, bouwde mijn verlangen op zodat ik de kraan snel dichtdraaide en me haastig afdroogde om slordig aangekleed plaats te nemen achter mijn leven. Ik klapte het open, typte mijn wachtwoord op het blauwverlichte toetsenbord en klikte google aan zodra de laptop aangaf klaar te zijn met opstarten. Er verscheen, tot mijn grote frustratie, geen vrolijk gekleurde naam met daaronder een uitnodigend balkje om de naam van het spel in te tikken.

Een dino liep over het scherm. Daaronder stond de volgende haast schokkende mededeling; ‘geen internetverbinding’. Met een grom, die een beetje raar uit mijn mond kwam en als gepiep klonk, sloeg ik mijn vuist op tafel. Hetgeen wat mij staande hield lag aan het infuus.

Mijn agressief gevloek werd vervangen door ritmische ademhalingen. ‘Het is maar een spelletje… Je bent niet afhankelijk van iets wat geen hart heeft.’ De engel op mijn rechterschouder had een irritant hoge zweverige stem. ‘Diep in jouw, klopt je hart voor dat spel!’ De duivel op mijn linkerschouder was iets te opdringerig, maar beter dan die homo op de rechter. Ik veegde ze beide met een minimaal gebaar van mijn schouder en beende naar mijn kamer.

In mijn kamer lag een boek voor me op de grond. Ik had mijn teen, en daarna mijn hoofd, keihard gestoten aan de kast in mijn kamer, waardoor een instabiele stapel boeken in beweging was gekomen en op de grond was gevallen. Ik trapte eerst een paar keer met mijn functionerende voet tegen de op de grond liggende boeken, maar toen die ook pijn begon te doen, raapte ik de boeken toch maar op. De eerste paar bladzijde waren uit verveling, de rest kwam vanzelf.

Ik viel die avond voor het eerst in een lange tijd in slaap toen mijn hoofd het kussen raakte. Met een glimlach. Een glimlach die duizend zorgen in één ogenblik mijn hoofd uit liet vloeien. Ik sliep rond 8 uur s ’avonds, gelijk na het eten. Morgen zou ik die duivel een lesje leren, en mijn kamer stofzuigen. Misschien zelfs nog een stukje huiswerk maken. Het besef dat ik maar 1 leven kon leven, was eindelijk tot me doorgedrongen.

The Game

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Ik schrok wakker en kwam met een ruk overeind. Ik voelde iets aan mijn been en zag tot mijn opluchting dat het een kat was en ik keek geschrokken om me heen. “Waar ben ik in hemelsnaam beland?” Ik dacht bij mezelf: “Onee Sarah, niet weer hè! Heb je weer teveel gezopen?” Ik dacht terug aan gisteren, want we hadden een te gek feestje. Ik moest even lachen, maar toen bedacht ik mij dat ik al in de trein naar Haarlem had moeten zitten. Toen ik om me heen keek zag ik dat ik in een grasveld lag dat omringd was met bomen. Alles was zo vredig en ontzettend mooi, zelfs de zon scheen en de lucht was koel. Ik besloot weer te gaan liggen en keek naar de wolken. Naast mij in het zonnetje was de kat weer gaan slapen en ook ik viel bijna weer in slaap totdat ik plotseling geschreeuw hoorde. Ik kwam overeind en keek in de richting waar het geluid vandaan kwam. Ik zag een jongen keihard rennen over het veld. Ik keek goed en wilde weten waarom hij zo hard wegrende. Het leek erop dat hij vluchtte voor iets… maar voor wat? Ik keek nog eens goed en zag dat er een andere jongen achter hem aan rende. Hij droeg een zwart vest en had een mes in zijn hand. Ik vertrouwde het niet en vluchtte achter een boom. De jongen die vluchtte, draaide zich ineens om en trok zijn pistool. “PANG!” En daar lag de jongen met het zwarte vest… dood op de grond. Ik schreeuwde het uit, want Ik wist niet wat is zag. De jongen keek op en liep naar me toe. “GA WEG! BLIJF UIT MIJN BUURT!” schreeuwde ik al huilend. “Ssst rustig! Straks komen de anderen eraan”, fluisterde hij. “Welke anderen?”, vroeg ik verbaast en nog steeds in shock wat ik net had gezien. “De andere mensen die in dit spel zitten natuurlijk, domkop”, zei de jongen. “Waar heb jij het in hemelsnaam over? Waar ben ik? Wie ben jij? En wat heb je zojuist gedaan!?”, vroeg ik al wijzend naar de dode jongen op de grond. “Je bent er niet helemaal bij he? Je zit in een game! Je hebt jezelf nog opgegeven, anders zit je hier niet”, zei hij geïrriteerd. “Luister vriend, ik heb helemaal niets gedaan. Ik ben zojuist wakker geworden daar op het veldje en toen zag ik jou. Je schoot iemand DOOD! WAAROM ZOU IK HIER AAN MEEDOEN?”, schreeuwde ik. De jongen begon uit te leggen: “Come on stresskip, doe rustig aan. Het gaat zo, alle spelers die meedoen, strijden om een pot met geld, veel geld. Om die te kunnen bemachtigen, moet je het spel winnen en dat doe je door als laatste over te blijven”. “Wat is dit nou weer voor spel? Waarom heb je mij nog niet doodgeschoten?”, vroeg ik beangstigend. “Omdat ik wist dat het niet klopte dat jij hier bent… je ging bijna van je stokje”, zei hij lachend, “Het gebeurt zelden dat er een vrouw meedoet”. “Vind je het gek”, mompelde ik. “We moeten hier weg, we zijn hier niet veilig. Ik vind het lastig om te zeggen, maar het ziet er naar uit dat je meedoet met dit spel”, zei hij en draaide zich om. Ik zag het niet, maar ik wist dat hij moest grijnzen. Ik trok wit weg en liep half huilend achter hem aan. “Waarom overkomt mij dit? Wat heb ik gedaan dat ik zo wordt gestraft?”, dacht ik bij mezelf. We liepen het bos in. Na een lange tijd zei hij: “Ik ben Jonah trouwens. Wie ben jij?”. “Ik ben Sarah”, zei ik en hoopte dat hij niet verder ging praten, maar tevergeefs. “Hoe kom je hier op deze plek?”, vroeg hij, “Deze plek is heel moeilijk te bereiken. Het is namelijk een soort afgeschermde koepel”.“Ik heb geen idee. Zoals ik al zei, ik werd wakker op deze plek”, zei ik geïrriteerd. “Uhm… vreemd” was het enige wat hij zei. Na een poosje hoorde we opeens een geluid. “Bukken”, fluisterde hij. We lagen op de grond en hoorde stemmen. Hij keek me aan met een dwingende blik dat ik heel stil moest zijn. Maar het was al te laat, ze hadden ons al gezien. “Kijk eens wat we hier hebben. Hey, Jonah goed gedaan! Je hebt haar meegekregen. We kunnen haar wel gebruiken als afleiding”, zei een andere jongen met een korte broek. Zo te zien was het de leider van groep. “Jonah, wat is dit?!”, vroeg ik boos. “We hebben weer eens een dame in ons spel”, zei een jongen met een pistool in zijn handen. Ik twijfelde geen moment en rende keihard weg en hoorde de kogels langs mijn oren vliegen. Ik rende en rende en rende zo hard als ik kon. Ik had geen idee waar ik heen ging. Na een tijdje durfde ik achterom te kijken en zag dat er niemand achter me was. “Oké Sarah, je hebt een plan nodig”, zei ik tegen mezelf. Ik draaide me om en zie opeens dezelfde jongens voor me staan. “We kunnen geen afleiding gebruiken die steeds wegrent. Geen zorgen, ik doe het snel”, zei hij. Nog net voor ik kon schreeuwen vloog de kogel. “PANG”. Het was stil… en zwart. Ik had het gevoel dat ik werd tegengewerkt, dat gevoel dat je in de auto zit die opeens gaat remmen. Ik schrok weer wakker. Dit keer was ik in een cabine met veel ramen en rijen met stoelen. Ik zat in zo’n stoel en zag hoe mensen de stilstaande cabine uitliepen. Ik kwam weer bij bewustzijn en keek op de klok, 10:30 uur. “SHIT”, dacht ik. En ik rende de trein uit en stond in een menigte van mensen. Ik keek op het bordje waarop stond: U bevindt zich in Haarlem. Een opluchting ging door me heen en ik rende door de mensenmassa. Snel sprong ik de andere trein in. “pff net op tijd de overstap gehaald” zei ik opgelucht. “Ben ik nu even blij met de vertraging van de NS”, dacht ik half lachend bij mezelf. Ik ging zitten met een raar gevoel…. Zo’n gevoel dat je ergens bang voor was, maar dat je niet meer weet voor wat. Ik kwam er maar niet op. Toen kwam de controleur en toen wist ik het! Ik ben vergeten in te checken!

Alles anders

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Dit ben ik, Danny Norton. Een geslaagde advocaat, 43 jaar, geen relatie of kinderen en ik focus mij volledig op mijn werk. Mijn dagroutine is eigenlijk opstaan, werken, eten en naar bed. Voor mijn werk reis ik door het hele land. Ik erger mij, als 43 jarige, enorm aan de vertragingen, de ongelukken, en het missen van de trein. Momenteel waan ik mij een weg door de drukte richting perron 5. Mijn klus van vandaag is voor een 55 jarige man die het niet accepteert dat hij moet betalen voor de schade van zijn auto na een aanrijding met een paaltje, die volgens hem omhoog ging toen hij eroverheen reed. Ik moet naar een rechtszaal die ik niet ken, vervelend vind ik dat. Ik woon in Amsterdam, want dan kan ik overal heen met de trein. Of ik van mijn werk hou? Nee. Ik wordt gek van het reizen en de mensen met hopeloze zaken die barsten van het geld en dan toch maar proberen een zaak te winnen. Vervolgens lukt het mij niet als advocaat te slagen, want het zijn zoals ik al zei hopeloze zaken, waardoor mijn reputatie zo nu en dan omlaag gaat. Deze reputatie krik ik dan weer op door een niet al te moeilijke zaak aan te nemen en deze makkelijk te winnen. Ondertussen aangekomen bij perron 5 richting Arnhem kijk ik naar de mensen om mij heen. Vrouwen met kinderen, jongeren, oudere mannen, zwervers op de bankjes en mensen zoals ik, zakenmensen. Ik zie het nut niet van kinderen en een vrouw. Je moet er altijd voor je vrouw zijn, je kinderen moet je proberen op te voeden, wat meestal toch wel mislukt, je ontvangt iedere maand enorm hoge rekeningen, je kinderen zitten de hele dag na school op de bank naar filmpjes te kijken van de nieuwe trend, YouTube, en dan betwijfel je het of ze later nog wel aan je denken of even langskomen voor een bakje koffie als je oud en stervende bent. Nee, niks voor mij, dat gezinsleven. Ik zie de trein al aankomen. Als de deuren van de trein opengaan wring ik mij er als eerst in. Ik ga naar de stiltecoupé en zet mijn computer op het kleine tafeltje naast het raam. Ik besluit mijn punten voor de zaak nog even door te nemen. Ik weet dat de gemeente een pittige tegenstander kan zijn in dit soort zaken, zeker als je er zelf al geen vertrouwen in hebt. Ik ben totaal gefocust op mijn computer tot er een vrouw van een jaar of 40 in het gangpad naast mij staat. Aarzelend kijkt ze mij aan en kijkt vervolgens naar haar kleine zoontje dat haar hand stevig vasthoud. Ik zit totaal niet te wachten op een gestreste moeder en een zoon met gedragsproblemen, maar toch knik ik haar vriendelijk toe om haar uit haar twijfel te trekken. Opgelucht zet ze haar zoontje van, ik gok, een jaar of 6 tegenover mij aan het raam. Zelf gaat ze naast haar zoon zitten. Ik ben geen prater tenzij ik in de rechtszaal zit, dus ik zeg geen gedag. Haar zoontje is verkouden, merk ik. Hij hoest en snotterd en zijn ogen zijn rood en betraand. Heel ernstig zal het niet zijn, denk ik. De vrouw ziet mijn vermoeide en geïrriteerde gezicht richting het zieke jongetje en probeert haar zoontje iets stiller te houden. Ik verdiep me weer in mijn computer, maar het duurt niet lang of het zoontje gaat huilen. Hij huilt zoals ik het nog nooit heb gehoord. Ik kijk naar zijn gezicht en krijg een brok in mijn keel. Hij hoest en huilt tegelijk, waardoor hij kotsneigingen krijgt. Het lijkt net alsof ik naar een toneelspel kijk. Een vrouw die haar zoon probeert te sussen en een jongetje die heel ziek is en geen uitweg heeft. Het lijkt voor het eerst sinds jaren dat ik iets voel: verdriet en medelijden. Ik pink snel een traantje weg en probeer mij weer op mijn werk te focussen. Plotseling gaat de moeder vertellen. Ze vertelt dat het jongetje heel erg ziek is en nu naar het ziekenhuis in Arnhem gaat voor zijn laatste kans op een behandeling. Het geld groeit haar niet op de rug en het ziekenhuis in Spanje, waar haar zoontje wel beter kan worden, kan ze niet betalen. Na het verhaal valt er een stilte. “Sorry”, zegt ze. Ik zie haar beschaamde gezicht van haar plotselinge uitval en voel me schuldig. Ik heb mij nog nooit zo egoïstisch gevoeld, door mijn hele leven aan mezelf te denken. Ik geef de vrouw een tissue. De ogen van het zoontje zijn nat en rood. Zijn neus is nog roder en als hij slikt kijkt hij pijnlijk. Ik volg zijn tranen die van zijn ogen langs zijn huid op de grond vallen. Plotseling besef ik mij dat het leven heel erg kort kan zijn. Dat je moet genieten van het leven en dat je zoveel moet geven en zo weinig mogelijk moet nemen als je kan. Ik klap mijn computer vastbesloten dicht. Dan besef ik mij dat ik vandaag al die nieuwe stap kan maken. Ik kijk de vrouw aan die zachtjes over het hoofd van haar zoontje wrijft. Ik open mijn computer en kijk naar mijn bankrekening. 5 mensen zouden hier 100 jaar van kunnen leven. Ik schaam mij kapot voor het bedrag dat er op mijn bank staat en schraap mijn keel. “Ik ben geen arme man, mevrouw. Ik wil u heel erg graag helpen, zodat u met uw zoon naar Spanje kunt gaan en uw zoon beter kan worden! Ik sta het niet toe dat u dit aanbod afwijst en wil u heel erg graag een bedrag schenken. Zou ik alstublieft uw bankrekeningnummer mogen?” De vrouw keek mij beduusd en verlegen aan. “Dank u”, fluisterde ze met een schorre keel. Toen lieten we allebei een traantje lopen. Mijn leven gaat vanaf nu veranderen, ik stap over naar een nieuw leven!

De nacht die alles veranderde

Posted on: januari 16th, 2017 by Scholieren

Ik weet niet hoe het ooit zover heeft kunnen komen. Hoe heb ik ooit zo stom heb kunnen zijn? In één dag is mijn leven compleet veranderd. Ik heb het helemaal verknald. Als papa, mama, mijn vrienden en de rest van mijn familie zouden weten wat er vannacht is gebeurd, dan zouden ze me waarschijnlijk niks meer met me te maken willen hebben. Maar ik kan het niet meer terugdraaien. En nu moet ik weg. Het is te risicovol om hier te blijven. Als de waarheid boven water komt, dan is mijn leven voorbij. Dus nu ben ik op mijn slaapkamer mijn zwarte rugzak aan het inpakken. Kleding, een boek en mijn portemonnee met al mijn spaargeld erin. Ik stop het er allemaal in.

Zodra ik mijn tas dichtgeritst heb, schuif ik hem van mijn bed af, op de grond en plof ik zelf op mijn bed neer. Ik sluit mijn ogen en denk diep na. Ik denk na over wat er allemaal is gebeurd afgelopen nacht. Ik denk na over de fouten die ik gemaakt heb. Gistermiddag leek mijn leven nog zo goed te gaan. Ik had afgesproken met een vriendin van me, Benthe. We kennen elkaar nog maar een paar maanden, maar het lijkt alsof ik haar al veel langer ken. Met haar kan ik het altijd heel gezellig hebben. Ze is één van mijn beste vriendinnen. Tenminste dat dacht ik. Dat dacht ik tot vannacht, want toen is alles veranderd. We hadden besloten om uit te gaan en we gingen naar de nieuwe club ‘Tomorrowland’. Het was maar 10 minuten fietsen en we waren wel benieuwd. Even later stonden we in de club en er hing al gelijk een top sfeer. Na veel uren gedanst, geflirt en de nodige glazen bier gedronken te hebben, besloten we weer terug naar mijn huis te gaan. We hadden echt een topnacht gehad. Een paar minuten later fietsten we door het bos richting mijn huis. Plotseling schreeuwde Benthe keihard “stop!”. Ik remde meteen af en viel nog net niet van mijn fiets af. “Hoezo, wat is er?” vroeg ik haar. “Geef me je Iphone en je pinpas met je pincode.” Beval ze me ineens. “Benthe waarom doe je dit? We zijn toch vriendinnen?” zei ik geschokt. “Oh kom op, geloof je nou echt dat ik ooit echt vriendinnen met jou heb willen zijn? De enige reden dat ik met je omging was, omdat je rijk bent en ik wel wat geld kan gebruiken. En als jij mij nu niet geeft waar ik zonet om vroeg, weet de hele school maandag al jouw geheimen.” Zei ze. Ik wist niet meemaakte, maar van één ding was ik zeker, Ik zou zeker niet meewerken. Wat een rotstreek van haar. “Nee.” Zei ik. Haar ogen schoten vuur en plotseling begon ze me te slaan en te schoppen. Ze kreeg het al snel voor elkaar om me op de grond te duwen. Liggend in de modder probeerde ik haar van me af te duwen, maar dat lukte me niet. Ik kon nog maar aan één ding denken. In mijn jaszak zat een sleutelbos met een zakmes eraan. Alles ging ineens zo snel. Ik opende mijn jaszak, pakte het mes en stook haar in haar borstkas. Plotseling stopte het slaan en schoppen en Benthe viel naast mij op de grond. Ik keek naast me en daar zag ik een bloedende Benthe liggen. Ik was zo geschokt over wat ik gedaan had. Ik moest daar zo snel mogelijk vandaan. Ik fietste snel weg. En Benthe liet ik daar achter in het bos.

Ik loop de trap af, de keuken in. Ik stop nog een pakje crackers en een flesje water in mijn tas. Ook leg ik een briefje op het aanrecht, dat ik net op mijn kamer nog even heb geschreven voor papa en mama. In de brief staat dat het me spijt, dat ik ben weggelopen en dat ondanks dat ik ze niet kan vertellen waarom, ik hoop dat ze me toch ooit kunnen vergeven en hopelijk ook vergeten. Ik loop naar de gang en ik werp nog snel een blik in de spiegel. Onder mijn ogen zijn grote wallen zichtbaar. Afgelopen nacht heb ik ook amper kunnen slapen. Met mijn rugzak om loop ik door de deur naar buiten en ik doe de deur weer op slot. Ik loop richting het station. Daar woon ik gelukkig dichtbij. Ik kijk nog één keer achterom naar het huis waar ik ben opgegroeid, het huis wat ik waarschijnlijk nooit meer terug zal zien.

Even later zit ik in de trein. Ik heb gekozen voor een plekje bij het raam. Ik leun met mijn hoofd tegen het raam aan. Alles flitst voorbij net zoals de gebeurtenissen van afgelopen nacht. Ik dommel langzamerhand weg en droom over voorbijflitsende landschappen.

Het lijkt alsof iemand me steeds aan het porren is. Ik geef een duw terug, maar het houd niet op. Dus ik open mijn ogen en er zit een oude vrouw naast me. “Gaat alles wel goed met je meisje? Je begon ineens te huilen.” Ik zal wel een nachtmerrie hebben gehad, die te maken had met afgelopen nacht. “Oh.” Is alles wat ik kan zeggen. “Is er iets waar je het moeilijk mee hebt? Praat erover met me, meisje. Ik help je graag. Je zou niet moeten huilen, maar glimlachen.” Zegt de oude vrouw. “Ja, ik heb iets ontzettend stoms gedaan en nu ben ik bang voor wat er nu gaat gebeuren en ik ben bang dat mijn familie en vrienden me nooit meer willen zien.” Flap ik er ineens uit en ook lopen er plotseling een paar tranen over mijn wangen. De vrouw geeft me een knuffel. “Ren niet weg van je problemen, want dan zullen ze je altijd blijven achtervolgen. Kom je problemen onder ogen. Je familie en vrienden houden van je, wat je ook doet. Ga naar huis, meisje.”

Bij het eerstvolgende station stapte ik over op de trein terug naar huis. Ik ga dit onder ogen komen.

Je leven of de overstap

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

De kar met bagage voor zich uitduwend, loopt Mirko naar boven door de schacht. Hij focust zich op het witte licht aan het einde van de tunnel, het licht van Buiten. Eindelijk weer naar Buiten. Mirko weet niet of hij daar nou blij mee moet zijn of niet.
Nog met zijn ogen knipperend tegen het felle licht kijkt hij om zich heen naar de wereld waar ze zo lang onder hebben geleefd. Hem is verteld dat ze ongeveer in de vroegere Atlantische Oceaan zijn. Die vormt nu samen met de andere voormalige oceanen en continenten rond de evenaar één groot continent, omgeven door een gigantische Noordzee en een al even reusachtige Zuidzee. Meer weet Mirko er ook niet van, niemand eigenlijk. Het landschap is continu aan verandering onderhevig.
Maar vandaag – een dag die je eigenlijk geen dag kunt noemen, aangezien alle dagen tegenwoordig net zo lang duren als een jaar – lijkt het rustig. Geen aardbeving, overstroming of brand. Voor het eerst in tijden zijn ze weer boven en zijn ze nog relatief veilig ook.

Sinds de Overstapdag, de Dag waarop de aarde is gestopt met draaien, leeft wat er van de bevolking nog over is onder de grond. Iedereen woont bij elkaar in kleine, benauwde ruimtes. De overheid had, toen de wetenschappers berekent hadden wanneer de aarde zou stoppen met haar dagelijkse rondje, snel een evacuatieplan opgezet. Enorme ruimtes onder de grond werden gegraven, overal ter wereld. Die ruimtes hebben alle eerste levensbehoeften en voorzieningen. Er zijn slaapcomplexen, was- en kookhoeken, plekken voor de sanitaire behoeften, maar ook complete laboratoria, scholen, bijeenkomst- en gedenkplaatsen en bouwplaatsen. Hoewel het natuurlijk nooit kan tippen aan de wereld bovengronds, is het prima vertoeven.
‘Blijf je daar zo staan, of ben je nog van plan verder te lopen?’ De stem van zijn zusje haalt Mirko uit zijn gedachten. Abby loopt hem grijnzend voorbij. Mirko grinnikt. Hij is blij dat ze weer een beetje de oude wordt. De Overstapdag is niet makkelijk geweest voor haar. Ze heeft veel vrienden verloren en na het ongeluk van hun ouders met hun zuurstofpakken klapte ze helemaal dicht. Daarom is het erg fijn dat ze Mirko nog heeft. Zij helpen elkaar overleven.
Belemmerd door het speciale zuurstofpak dat hij net als ieder ander aan heeft, loopt Mirko door. Hij denkt aan hoe mooi de wereld ooit was, met zijn wuivende bomen, machtige bergen en springend gras. Oh, hoe erg verlangt Mirko naar een klein, simpel regenbuitje. Naar een bewijs dat de wereld eigenlijk helemaal niet zo erg is veranderd. Maar de zon valt op hem neer alsof het geen enkele medelijden met hem heeft. Een groot, vreemd verdriet overspoelt Mirko.
Toen de aarde stopte met draaien, en eigenlijk daarvoor ook al, kwam er een heel aantal processen op gang. Overal ter wereld ontstonden gigantische overstromingen, aardbevingen en wolken ijle lucht. Miljoenen mensen die niet op tijd onder de grond konden komen, kwamen om. De ene helft van de aarde is een half jaar lang enorm koud en donker, terwijl de andere helft een half jaar lang verschrikkelijk warm is en geen duisternis kent.  Daarom moeten Mirko en zijn medebewoners ook om de zoveel tijd hun leefgebied verlaten en gaan lopen naar het volgende district. Zij kunnen niet overleven in die verschrikkelijke kou die zou komen wanneer ze te lang op één plek zouden blijven.

Plotseling ontstaat er beroering in de voorste gelederen van de lange stoet. Paniek verspreidt zich als een bosbrand. Mirko heeft geen idee wat er aan de hand is. Vlug zoekt hij Abby. Hij voelt zich iets opgelucht wanneer hij ziet dat ze vlak voor hem loopt.
‘Wat is er gebeurt?’ seint hij, omdat hij weet dat ze hem niet kan horen door het pak heen. Abby haalt haar schouders op. ‘Ik weet het ook niet.’
Op dat moment klinkt er een stem in zijn oor. Het is de stem van de president, de leider van het district van Mirko en de enige die de speciale radio mag gebruiken. ‘Een grote wolk ijle lucht komt onze kant op, iedereen wordt aangeraden de zuurstof nu aan te sluiten!’
Snel kijkt Mirko naar Abby om te zien of zij het ook gehoord heeft. Zij knikt bevestigend. Dan grijpt hij met één vloeiende beweging de slang die vastzit aan zijn middel en in verbinding staat met zijn helm en plugt het in de zuurstoftank die op zijn schouder zit. Gelukkig nog op tijd. Iedereen is getraind die handeling zo snel mogelijk uit te voeren, mocht er zo’n situatie als deze zich voordoen. De zuurstof is namelijk te kostbaar om altijd te gebruiken wanneer ze boven komen. Je weet maar nooit hoe lang zo’n wolk ijle lucht aanhoud.
Nu hij gedaan heeft wat hij moest doen om veilig te blijven, checkt Mirko of Abby met hetzelfde klaar is. Maar tot zijn grote schrik ziet hij dat ze loopt te worstelen met de slang. Het zit schijnbaar vast aan haar middel, terwijl het met één klik los hoort te schieten. Mirko verlaat zijn kar en haast zich naar Abby. Die loopt al naar adem te happen. Hij duwt haar handen ruw opzij en probeert de slang los te maken. Maar de knoop is te groot, Mirko krijgt hem er met geen mogelijkheid uit. Verslagen kijkt hij omhoog, naar Abby’s gezicht. Zij kijkt niet terug; haar gezicht is bleek en haar ogen zijn weggedraaid. Ze wordt alleen nog overeind gehouden door de slang die Mirko stevig vast heeft. Paniek maakt zich van hem meester. Niet hetzelfde als bij hun ouders! Even blijft hij als verstijfd staan. Dan twijfelt hij geen seconde meer en maakt zijn slang los van zijn helm en plugt het in de helm van Abby. Mirko blijft haar aankijken terwijl hij haar rustig op de grond neerzet. Wanneer hij wegzakt ziet hij nog net hoe ze naar adem hapt. Gelukkig, is het laatste wat hij denkt. Een tweede Overstapdag had hij toch niet kunnen overleven.

Nutteloos

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Nutteloos

De deur kraakte. Hoe meer akelige piepjes ik hoorde, hoe meer zenuwen mij gingen tegenwerken. De deur wilde mij laten schreeuwen van angst, en mijn hoofd tolde al bij het horen van schreeuwende kinderen die op straat aan het spelen waren. Alsof ik in een film zat met achtergrondgeluiden, en een kier gevuld met licht als decor. Hoe meer de deur meegaf, hoe meer angst er in mijn lichaam gepompt werd. De angst leek net op water, dat vanuit mijn voeten zo mijn hoofd in liep. Steeds zwaarder werd de grote bol op mijn nek, zo zwaar dat ik mezelf niet meer rechtop kon houden. Mijn voeten gleden onder mij weg, maar mijn hand leek aan de deurknop vastgelijmd te zitten. Ik kwam steeds dichter bij de grond en ik probeerde de deur los te laten. Tevergeefs. Hoe lager ik kwam, hoe dichter de deur weer in zijn slot getrokken werd. Uiteindelijk voelde ik de grond, wat samenging met een klik van de deur. Weer mislukt. Mijn wens om buiten te zijn was weer in rook opgegaan. Rook die nooit bleef hangen, maar altijd meteen weg zweefde. Nieuwe moed bij elkaar rapen lukte me geen twaalfde keer, en met die gedachte sleepte ik mezelf mijn donkere woonkamer in.

Deze onbegrijpelijk grote afstand tussen mij en de buitenwereld begon eigenlijk al op mijn vijfde verjaardag. Die dag was ik opgewonden over het feit dat ik mijn beroemde oom zou ontmoeten. Wachtend bij de deur kwam de een na de ander binnen. Vele zweethanden aaiden mij die dag over mijn bol, en vele lippen kusten mij op mijn wang. Ik voelde het speeksel nog steeds zitten, toen ik de deur voor de zoveelste keer hoorde kraken. Een donkere gedaante werd door licht omhuld, en het leek net of ik op een trilplaat stond. Het was een moment waar ik de hele dag op gewacht had, ik had zelfs hele teksten geschreven en geoefend om mijn oom te verwelkomen. Het snot liep uit mijn neusgaten, zoals het bij vele vijfjarigen doet. Maar dat snot leek al mijn teksten en grapjes mee te nemen, en mijn hoofd helemaal leeg te maken. De grote gelakte herenschoenen schoven mijn kant op, en ik voelde mijn hoofd zwaar worden. Ik zou elk moment neer kunnen gaan. De grond leek al in zicht toen ik een zware, maar toch warme ‘hallo’ hoorde. Dit woord leek me terug omhoog te trekken, en ik keek recht in de ogen van een man met grijze bakkebaarden. De rimpels waren hem al de baas, maar toch rook ik antirimpelcrème. ‘Gaat het?’ Ik zag de half verborgen rimpels meebewegen met zijn mond. Ik leek geen geluid te kunnen maken, dus ik besloot maar te knikken. Hij stak een hand in zijn binnenzak, en de andere reikte naar mij. Ik pakte de, gelukkig antirimpelcrèmeloze, hand vast. Een hand die me omhoog trok. Zijn andere hand was inmiddels uit zijn binnenzak, en hij hield een kleine knuffeltijger vast. Zonder iets te zeggen pakte ik de tijger. Hand in hand met mijn oom liep ik naar binnen.

Mijn oom vertelde die dag veel over zijn nieuwe uitvindingen, wat we er allemaal mee konden doen en hoeveel geld hij ervoor gekregen had. Ik hield meteen van mijn oom, maar toch leek hij iets in mij los te maken. Ik ging nadenken over alles wat ik zelf al bereikt had, maar er schoot me niks te binnen. Hoe hard ik het ook probeerde, het lukte niet. Ik besloot dat het aan het gegalm van stemmen lag, en ik ging samen met mijn tijger naar boven. Eenmaal op mijn kamer ging ik verder met denken, maar ook hier lukte het niet. Had ik dan toch niks bereikt? Terwijl die vraag door mijn hoofd spookte, keek ik mijn kamer rond. Ik zag mijn knuffels, mijn oude kledingkast… Hier zou ik wel jaren kunnen blijven! Wacht eens… Wat nou als ik dat deed?! Hier blijven totdat ik mijn nut gevonden had.

Dat leek toen een goed idee, maar het heeft me nog heel vaak dwarsgezeten. Zoals nu. Ik… Mijn gedachte werd onderbroken door geklop en geroep. Het deed me denken aan mijn oom… Voorzichtig liep ik naar het raam en schoof het gordijn een klein stukje opzij. Ik zag iemand geïrriteerd naar me zwaaien. Ik zag grijze bakkebaarden, zwarte lakschoenen en half verborgen rimpels. Hier was geen twijfel over mogelijk, dit was mijn oom! Snel pakte ik de sleutels en gooide ze door de brievenbus. Ik kon niet zelf opendoen, want dan zou ik zeker flauwvallen. Eenmaal naar de woonkamer gevlucht hoorde ik het gedraai van sleutels en het gepiep van scharnieren, waardoor het angstwater even terug kwam. Gelukkig sloeg de deur snel weer dicht en ik hoorde het geschuif van lakschoenen, net als vijftien jaar geleden. Voor ik het wist stond hij weer voor me, maar dit keer liep hij zonder iets te zeggen naar boven. Verbaasd liep ik achter hem aan. ‘Waar is je kamer?’ Zijn stem was haastig. ‘Bovenste deur rechts’, antwoordde ik angstig. Hij sprintte naar boven en begon mijn kamer te doorzoeken, net zolang totdat hij tevoorschijn kwam met mijn knuffeltijger. ‘Jij bent niet nutteloos, tijger.’ Ik keek hem verbaasd aan. Waarom praatte hij nou tegen een knuffel? Toen gaf mijn oom hem aan mij. Ik wilde hem omhelzen met woorden, maar in plaats daarvan gebruikte ik mijn armen. Hij pakte net als vroeger mijn hand vast en trok me mee naar beneden. Eenmaal daar pakte hij de sleutel en deed de deur open. Ik voelde mijn hoofd zwaar worden, maar mijn oom gaf mij een bemoedigend kneepje. ‘Jij kunt dit!’ Voor de eerste keer geloofde ik dat, en ik zette een stap naar het geluid van schreeuwende kinderen. Ik omhelsde het licht. Ik had me in heel mijn leven nog nooit zo fijn gevoeld. Ik was buiten!   

Zo scherp als naalden

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

 

 

Zo scherp als naalden

Mijn hoofd is gebogen, ik zie mijn voeten onder mij. Ze bewegen automatisch voort, alsof ze beter weten waar mijn bestemming is dan ik. Het klopt ook, ik weet niet waar ik naartoe loop. Ik loop niet ergens naartoe, ik loop ergens van weg. Grappig hoe mijn hoofd ergens van weg probeert te lopen, maar mijn voeten ergens naartoe.

Waarom kan het leven niet zo simpel zijn als mijn voeten. In een vloeiende en automatische beweging voltooien ze hun taak. Voetje voor voetje met een bestemming als duidelijk doel.

Maar dan realiseer ik me dat voeten soms ook niet werken, net als het leven.

 

Een half uur geleden voelde het alsof er duizenden naaldjes tegelijkertijd in mijn hart geschoten werden. En met ieder woord dat mijn moeder uitsprak nog een paar meer.

‘Kanker.’ Ik hoopte dat ze het woord nooit meer uitsprak. ‘Sorry Roos, maar het is kanker.’ Alle naaldjes in mijn hart drukten dieper in mijn hart. God wat haat ik dat woord. Een kutwoord met een kutbetekenis. In mijn hoofd viel alles op zijn plaats en werd tegelijkertijd alles overhoop gehaald. Alle symptomen en signalen werden volkomen logisch, maar mijn wereld was vervangen door de naalden. Vlijmscherpe naalden. In een opwelling stond ik op. Ik kon niet meer denken, mijn voeten namen het over. Het voelde alsof de muren van onze woonkamer in een zee waren veranderd en ik met geen mogelijkheid boven water kon komen. Naar buiten. Lucht.

 

Nu loop ik hier rond. Doelloos. Ik loop door het park, langs de speeltuin. Ik zie niet alleen de speeltuin maar ook mezelf, mijn zusje Minte, mijn vader en mijn moeder. Mama vangt ons onderaan de glijbaan op en papa maakt zoals gewoonlijk een foto. Ik lachte hard, want wat was de glijbaan toch geweldig. Tranen proberen een weg naar buiten te vinden. Waarom moet verdriet zo concreet weerspiegeld worden naar de buitenwereld. Waarom zijn er tranen om het rotte gevoel in mij te bevestigen.

Ik loop snel verder en passeer het station. Ik heb de neiging om gewoon op de trein te stappen en weg te gaan. Weg te lopen van het verdriet, de woede, de oneerlijkheid. Een enkeltje TImboektoe graag. Een trein raast voorbij, ik zie mijn gezin zitten in de trein. Mijn vader, Minte, en ik. Maar mama is er niet. Dit herinner ik me nog zo goed. Op Utrecht Centraal moesten we overstappen op de trein naar Eindhoven, waar oma woont. Ik weet nog hoe overweldigend het drukke station was voor mijn vijfjarige ik. Eenmaal in de trein ontstond de paniek, mama was er niet. Ik en Minte hebben zo veel gehuild, papa sprak ons kalmerend toe ‘meiden, alles komt goed met mama, straks is ze er weer.’ En inderdaad, tien minuten nadat we bij oma waren aangekomen, was mama er weer. Papa had gelijk. Natuurlijk.

 

Mijn hand gaat naar mijn wang, ik had helemaal niet door dat ik huilde. Starend naar de treinen stromen de tranen over mijn wangen. De Niagara Waterfalls zijn er niks bij. Het liefst wil ik op de grond liggen, mezelf oprollen en verdwijnen in de grond. Als een gewortelde boom blijf ik hier voor altijd liggen. In plaats van op de grond te gaan liggen, gaan mijn voeten weer bewegen. Niet alleen mijn voeten, maar ook ikzelf weet nu waar mijn bestemming is. Ik ga weer terug naar die plek, naar huis, naar mama, knuffel haar, zeg dat alles goed komt en laat haar nooit meer los. Het park laat ik achter me, ik heb de neiging om te rennen. Ik denk weer aan de trein, aan papa die zegt ‘alles komt goed met mama’. De watervallen op mijn wangen zijn er weer. Rennend en huilend sprint ik naar huis. Ik voel de scherpe naalden, maar ik voel ook mijn hart waar ze in zitten. Thuis knuffel ik mama, en Minte, en papa. Ik knuffel en ik huil, we huilen en we lachen. De naalden ontspannen een beetje. Een heel klein beetje. Alles komt goed.

Einde

 

Het is je lot, aldus mama

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Het was haar blik die mijn ogen langzaam liet vullen met water, een blik vol minachting. Ik liet mij echter niet kennen, het was zwak om nu te gaan huilen en keek mijn moeder daarom recht in de ogen. Ze zuchtte en tilde vervolgens langzaam haar lippen op, ik zag dat ze op het punt stond om een stortvloed aan woorden uit te spreken. Ze bedacht zich echter dat ik waarschijnlijk zelf ook wel weet dat het niet kan, dat het onjuist is en dat ik nu een schande zou zijn voor de omgeving. Voor haar omgeving. Ze wist dat ik het wist  en slikte de woorden weg. Mijn ogen richtten zich op mijn zus. De rode vlekken in haar hals zeiden genoeg en direct werd ik overspoeld met een golf van spijt. Hoe had ik zo stom kunnen zijn? Het gezin waar ik thuis hoorde voelde opeens niet langer vertrouwd. ik had mijn kans op geluk verspilt.

 

En nu sta ik hier op het perron. De wijzer van de stationsklok is amper verplaatst, maar desondanks bekruipt mij een angstig gevoel. Stel dat ze toch besloten heeft om niet te komen?. Precies op dat moment van twijfel zie ik de felle lichten van de trein, enkele seconden later gaan de deuren open, en daar staat ze dan, Fien. Het moet een bijzonder tafereel geweest zijn, Fien die haar medereizigers opzij duwt om door de menigte heen te komen en zich vervolgens in mijn armen laat vallen.

 

Ongelovig kijk in haar groen blauwe ogen en zeg:  “je bent het echt he?”.

Fien glimlacht: “Was dat een vraag of een constatering?, maar ja ik ben het echt.”

Ik lach terug: “Gelukkig maar want weet je dat je in het echt nog veel leuker bent?”

“Ik hoopte dat je dat zou zeggen, dat geldt trouwens ook voor jou”.

“Je bloost” zeg ik.

“Ik ben geloof ik niet de enige, laten we snel iets gaan doen ik heb het koud”.

 

Door alle opwinding was ik de kou totaal vergeten, maar Fien had gelijk het was best frisjes buiten, vooral als je geen sjaal draagt zoals zij. We besloten om te gaan winkelen, niet het meest originele voor een eerste date maar wel leuk, en daar ging het om. Deze middag was immers ook bedoeld om elkaar beter te leren kennen, en tijdens het winkelen hadden we genoeg tijd om te praten.

 

“Zullen we samen in een pashokje?”

Fien haar vraag overvalt mij enigszins, “Euhm, past dat wel?” vraag ik haar.

“Natuurlijk past dat wel, je bent hartstikke slank. Oh wacht, je bent het niet gewend?”

In de spiegel aan de wand zie ik dat mijn wangen langzaam rood kleuren, ik schaam me voor mijn preutsheid, en besluit om in te stemmen met Fien haar voorstel. Voordat ik het pashokje in stap, kijk ik over mijn schouder. Mijn ogen scannen snel de winkel, het is safe.

“Wat was dat?” vraagt Fien terwijl ze het gordijn van het hokje dicht trekt.

“Wat?”

Fien pakt mijn gezicht vast, kijkt mij aan en zegt: “Je vindt het moeilijk he? Je bent bang dat iemand je hier ziet, met mij. Je bent bang voor reacties, voor haat en voor pijn”.

Ik knik, verbijsterd door haar woorden laat ik mij rustig heen en weer wiegen. Voor het eerst in maanden durf ik mijn emoties te laten gaan, ik voel me begrepen en gewaardeerd.

“Het is gewoon niet eerlijk, waarom mag ik niet gelukkig zijn zonder mij daarbij een egoïst of leugenaar te hoeven voelen?”

Fien laat mij even los, veegt mijn tranen weg, en zegt: “Het kost tijd om dit te verwerken, ook al weet jij het zelf al zo lang, het is elke keer een verrassing hoe andere mensen het opvatten. Maar ooit zal het goed komen en kun je dit achter je laten liggen”.

 

Na haar troostende woorden die ik zo hard nodig was nam Fien me mee naar een café, aanvankelijk had ik haar uitgenodigd in mijn stad maar ik kon niet meer helder nadenken en dus nam Fien mij maar op sleeptouw mee.

Bovenaan de gevel van het smalle café hing een regenboogvlag, Fien keek mij aan en ik glimlachte terug. Eenmaal binnen leerde ik de andere kant kennen van het door mijn moeder verafschuwde wereldje, er was één en al gezelligheid, drukte en vooral ontzettend veel liefde. Ik voelde mij er meteen thuis en wist dat ik die avond de overstap maakte van het leven in een hetero omgeving waarin ik niet mezelf mocht zijn en continu maskers op had naar een omgeving waarin iedereen welkom was ongeacht geslacht, ras, geloof of geaardheid.
Het was die ene uitspraak die mijn leven voorgoed veranderde, voortaan zou ik leven in een zee van teleurstellingen en zou ik afwijzingen ontvangen van goede vrienden, kennissen en familieleden. Het was mijn lot, aldus mijn moeder. Inmiddels weet ik wel beter, Gelukkig.

De Knuffel-Marokkaan

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Tering Marokkanen, het zijn allemaal tuig! Tuig! En die moslims ook!’ de televisie staat zacht, maar de woorden van de boze man op leeftijd klinken hard, luidkeels gesproken met zelfverzekerdheid in de stem. Naast het regelmatige ademhalen van mama, mijn broertje en ik is er niets te horen. Totdat Achmed zijn mond opent. ‘Ik ram gewoon iedereen die wat te zeggen heeft op zijn bek, wollah’ zegt hij, waarna hij een lepel cornflakes in zijn mond propt. ‘Hallo? Dat is niet hoe wij het hier doen, jongen. Gedraag je.’ mama kijkt hem streng aan. Nadat de zoveelste aanslag is gepleegd, barst het nieuws weer van de boze, verontwaardigde mensen.

Ik zet de laatste speld vast op mijn hoofddoek en ben bijna klaar om te gaan. Net als ik mijn rugzak wil oppakken, komt mama achter me de gang in gelopen. Ze kijkt me na terwijl ik mijn schoenen dichtveter. ‘Geen discussies met de Hollanders, oké? Geen grote mond tegen je leraren en wees respectvol tegen wie dan ook. Jij weet wie je bent en wat je gelooft, niemand kan je wat anders vertellen.’ Mama kijkt wat zachter dan net, maar haar ogen staan nog steeds streng. Ik knik en laat haar woorden, gesproken in Nederlands met een accent dik als honing erover heen gesmeerd, tot me door dringen. Jij weet wie je bent.

Vroeger raakten de uitspraken van sommigen mensen me diep. Hoe zouden ze met zoveel passievolle haat kunnen praten over iemand de zo nog nooit hebben ontmoet? De kreten waren scherp en vaak de oorzaak van slapeloze nachten. Mama zei me altijd dat ik sterk moest zijn, praten met God en hem vragen om geduld en een puur hart. Eén dat sterk genoeg zou zijn om niet te geven om de meningen. Dus dat deed ik. Ik bad en bad.

En dan komt er opeens een dag waarop het je niet meer boeit, een overstap. En niet zomaar eentje, Dé Overstap. De uitspraken glijden langs je als een warm mes door de boter. Of eigenlijk als een warm mes dat nou net de boter mist, erlangs steekt. Nog steeds even gloeiend heet, maar niet effectief. In ieder geval niet op de boter, want die is sterk. De boter weet wie hij is. Er komt een dag waarop de angst en het verdriet plaatsmaken voor trots en een gevoel van gloeiende warmte. Het sprankelende gevoel groeit, en het komt helemaal vanuit je tenen, tot je hele lichaam er opeens in doucht. Je steekt je armen trots in je zij en kijkt met een stoutmoedige glimlach naar de wereld. Ik weet immers dat ik én een mocro én een kaaskop ben. Als een zeeman verdwaald in een grote oceaan tussen twee landen, maar op een andere manier ook onlosmakelijk verbonden met beide achtergronden en trots. Zo trots.

Er komt opeens een dag. Zo ineens, waarop je je realiseert dat de kleur van je huid nou precies goed is. Niet te donker, niet te veel, helemaal niet ‘te’, maar gewoon goed. In balans. Alleen iets langer gekust door de zon, glanzend. Jij bent fraai, met stralend melanine omhuld en een prachtige lach op die niet meer weg te slaan is, wat wie dan ook vindt. Want ook jij weet wie je bent.

Die dag komt, waarop je weet dat het goed zit. Wat er ook over je gezegd wordt. De vrede binnen in jouzelf is al gevonden en overwonnen, die op aarde is nu aan de beurt. Gewapend met een vol hart en een pienter stel hersenen ga jij ertegen aan, staand op een hoge berg met een postuur als een superheld kijk je over de mensheid. Een dag waarop je snapt dat jij prachtig bent. Dat ook jíj door God zelf op een volmaakte manier in elkaar bent gezet, een constellatie van karakteristieke eigenschappen en meningen waar de kosmos nog eens jaloers op zou zijn. Of je nou wit, zwart, bruin, geel, beige of pimpelpaars met groene streepjes bent, jij weet wie je bent.

Ik word wakker geschud uit mijn gedachtes door een dame die tegen me aanstoot in de bus. Ik doe een stapje achteruit, laat haar langs lopen. ‘Kijk volgende keer waar je loopt, Fatima.’ Ze kijkt me nog even vies achterna. Ik moet ervan glimlachen. ‘Zal ik doen mevrouw, nog een fijne ochtend!’ Ik voel mijn wangen rood aanlopen. Niet van schaamte of angst, maar trots. Zo’n gloeiende trots dat mijn wangen zelfs verkleuren. Tering Marokkaan, haha. Eerder knuffel-Marokkaan.

Nymphalidae Aurelia Aglais   

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

De zon stond laag. Alsof ze vergeten was dat het al dag was. Overslapen nog een poging wagen, er iets van te maken. Hoe kort de dag ook lijkt. Hij volgde hun reis met samengeknepen ogen. Ze glinsterden fluisterend doorheen zijn wimpers. Hij niesde en lachte terwijl de zon zakte, stof in zijn neus. De vlinder schrok wakker, verdwaasd op het raamkozijn in een slagveld van lieveheersbeestjes. Winter duurt zo lang, tijd is zo kort. Ze zag het goud, wist weer waarom en hervatte waarmee ze begon. Zij sloeg en sloeg en sloeg verwoed tegen het glas. Hij sloeg enkel gade. Glas is geen grens eerder een spiegel. De horizon werd troebel, de strijd gestaakt. Een wereld werd kleiner, weerspiegelingen overal, zo had ze haar nog nooit gezien. Een vlaag van koude, herinnering naar toen. Dagen van gras en van stro. Ze viel richting het goud terwijl hij het raam sloot.

Dag, pauw!

De koelkast

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Ik werd wakker door wat was mijn eigen stank, of de stank van het appartement waar ik me in bevond. Ergens in de verte hoorde ik een trein vertrekken op het moment dat ik mijn ogen opendeed. Ik had al een week niet meer gedoucht en opruimen kwam er ook niet van. Het pas gelegde laminaat was bedekt door een even laagje stof, vlekken zorgden ervoor dat de witte muren niet meer wit waren en de vuile vaat vulde de wasbak in de keuken. Hij was al een week weg. Ik herinner me de laatste keer dat ik hem zag alsof het gisteren was. 7 dagen. Mijn zintuigen waren scherper dan ze ooit waren geweest. 168 uur. Zijn stem spookte door mijn hoofd. 10.080 minuten. Ik heb zijn beeld maar 13 keer in de deuropening verbeeld vandaag. 604.800 seconden. Elke seconde drong tot mij door alsof er met een naald in mijn gevoelige plekjes werd geprikt. Ik snapte niet waarom ik hem miste. De reden kon niet tot mij doordringen. Blijkt dat in al die jaren waarin hij niet alleen mijn lichaam maar ook mijn ziel tormenteerde, ik toch momenten van geluk heb beleefd. Elke keer dat ik hoorde dat de secondewijzer van mijn horloge (wat ik van hem had gekregen) een sprongetje verder maakte,  klonk het als een kerk die aangaf dat er weer een uur voorbij was gegaan. Ik wist niet hoe ik verder moest toen hij er was, maar sinds hij weg is ben ik nog radelozer. Ziekelijke gedachtes spoken door mijn hoofd en ik snap dat het zo niet verder kan gaan. Ik had het gevoel dat ik veel te lang op een trein zat waarvan ik de precieze bestemming niet kende, maar wist dat, waar hij ook naartoe ging, ik er niet heen wilde. De trein stond stil op het station. Ik had een keuze. Ik kreeg de mogelijkheid om alles te veranderen, om over te stappen. Maar waarom? Wat is het nut? Ik wilde overstappen, geloof me. Ik wilde weg van deze baan en een andere weg opgaan, maar telkens wanneer ik uit wou stappen, gingen de deuren voor mijn neus dicht. Het was alsof iets, misschien was het mijn onderbewustzijn, waarschijnlijk mijn schuldgevoel, mij niet verder liet gaan. Onderweg naar de keuken, waar de stank het ergst was, stapte ik met mijn sokken in iets nats en plakkerig. Mijn sokken waren niet meer hun oorspronkelijke kleur. Hoe dichter ik de keuken naderde, hoe erger de stank werd. Weer een keuze die toegevoegd werd aan het lijstje met slechte beslissingen die ik in mijn leven heb gemaakt. Misschien had ik zijn lichaam toch in de koelkast moeten bewaren…

Als as

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Ad zei altijd tegen me dat mensen laf zijn. Hij haatte het. Hij haatte hen.

Ik weet nog hoe we samen in de boomhut waren gekropen, ons krampachtig vasthoudend aan de touwladder die vervaarlijk tegen de stam sloeg. Toen ik een misstap zette, mijn voet wegglijdend over het glibberige hout, nam hij mijn hand vast, wikkelde zijn vingers als touwen om de mijne en hees me met gemak omhoog.

Met bonzend hart krabbelde ik weg van de rand en drukte mijn doorweekte rug tegen de muur, die kraakte als brekende botten onder zware druk. Mijn hart bonkte tegen mijn borst als een hamer, dreunde in mijn oren en vibreerde in mijn hete bloed. ‘Wat is er?’ vroeg ik na een lange stilte.

Hij wrong zijn shirt uit en staarde naar de waterdruppels die omlaag vielen, de diepte in. Zijn schouderspieren spanden aan, zijn kaakspieren evengoed – er lag iets op zijn hart. ‘Weet je, Rianne,’ zei hij me zonder om te kijken, ‘de wereld is verkloot.’

Dat geloofde ik meteen.

‘De wereld is niet enkel verpest door wat de mens doet met de natuur,’ ging hij door. Het kon hem niet schelen of ik luisterde – ik luisterde altijd. ‘Hij is verkloot door de mensen zelf. Ze zijn laf. Zwak. Kwetsbaar. Ik háát het hier.’

Mama had me op het hart gedrukt dat ik moest stoppen met het zien van Ad; hij was vreemd, obsessief, wispelturig en misschien zelfs labiel. Ze wantrouwde hem, en ik haar.

‘Ik snap het,’ zei ik. ‘Ik ook.’

Ad zweeg een tijdje en staarde naar de bomen die wiegden in de oprukkende wind. Hij stak een hand in zijn broekzak, viste er pakje sigaretten uit en een aansteker. Zijn ogen gleden naar mijn gezicht en hij glimlachte – heel even. ‘Ik weet het.’

Zwijgend stak hij een sigaret tussen zijn lippen en hield het sputterende vlammetje ervoor. Flauwe rook krinkelde als slierten mist de lucht in en bleef hangen onder het plafond van de houten hut. Ik staarde ernaar, mijn ogen begonnen te branden, en knipperde niet.

Ad schuifelde naar me toe en sloeg een arm om me heen. Ik begroef mijn gezicht in zijn shirt, snoof zijn vertrouwde geur op en dacht na over zijn woorden. Natuurlijk had hij gelijk – Ad had altijd gelijk. De wereld was een plek vol leugens en geheimen en de mens was een verraderlijk wezen met een leugenachtig hart.

Ik snapte hem. Meer en meer.

‘We kunnen weglopen.’ De woorden verlieten mijn mond voor ik er erg in had. Ze kwamen en kwamen en kwamen en ik verloor mezelf erin, verdronk in de stroom. ‘Nu. Samen. Ver weg.’

Maar Ad legde een hand tegen mijn wang, de sigaret verloren tussen zijn mondhoeken. ‘Je weet dat zoiets niet kan, Rianne,’ zei hij glimlachend. ‘Je weet het.’

‘Ik wil niet dat je…’ ik aarzelde. ‘Dat je jezelf iets aandoet.’

Hij zweeg, tuurde voor zich uit en blies loom een paar rookpluimen naar buiten. Ze zweefden door de lucht, zwommen in de ruimte tussen ons en losten op in de regen. ‘Rianne…’ Zijn toon was streng, gedecideerd. Ik haatte het als hij zo tegen me praatte, alsof ik een klein kind was. ‘Je…’

Ik schudde mijn hoofd, nam de sigaret vast en nam zelf een trekje. De rook schoot door mijn longen en ik probeerde niet te hoesten, maar de neiging was te sterk en ik kromde mijn rug terwijl ik het geluid trachtte in te houden.

Hij grijnsde even, kort.

‘Nee, Ad,’ zei ik. ‘Niet doen. Als we niet weglopen, kunnen we ook hier gelukkig zijn. We kunnen genieten van elkaar en een toekomst opbouwen. Je weet dat niet alles hier rot is, ook al heb je nog zoveel meegemaakt.’

Zijn blauwe ogen werden donker, overschaduwd met zorgen aan een vroegere tijd. Hij verstrakte, zijn hele lichaam gespannen als van een veer. Zijn mondhoeken zakten naar beneden, wezen treurig naar de grond en diep, dieper, diepst. Hij ademde uit. ‘Ik kan het niet, Rianne. Je… je hebt geen idee.’

Ik voelde hem tussen mijn vingers uitglippen als ongrijpbaar water. Mijn hart versnelde, paniekerig en wanhopig, dus ik boog me naar hem toe. Ik zou hem niet laten gaan en hij zou bij me blijven. Mijn lippen vonden de zijne, traag, toch zeker.

Ik kuste hem, maakte hem duidelijk dat hij moest blijven – dat ik hem nodig had. Wanhopig als ik was, verloor ik mezelf in dit moment en ik overtuigde mezelf ervan dat hij dat ook deed. Dat móést.

Maar toen we eenmaal stopten, elkaar lang aankeken en ik glimlachte, hadden zijn ogen nog nooit zo, zo triest gestaan.

‘Ad…’

Zijn hand op mijn wang. Ruwe, warme huid. ‘Rianne…’

‘Alsjeblieft…’

De sigaret doofde, werd donker en zwart. Was niet meer dan as. Kon zo vervagen.

‘We zijn als as,’ zei hij. ‘Noch branden, noch gloeien. We smeulen.’

 

***

 

Ad’s lichaam wordt een week later teruggevonden.

Hij was depressief, werd er gezegd. Hij was gek.

Ik weet wel beter, denk ik terwijl ik naar zijn graf staar. Het is simpel met weinig opsmuk – perfect zoals hij het gewild zou hebben – en de enige versiering die er is, zijn de twee donkere rozen die verschrompelen tot niets onder invloed van de tijd. Ik staar naar de bloemen. Denk aan ons en hoe ook wij verschrompelden.

De assen van de sigaret.

Smeulend, maar niet langer brandend.

Mijn ogen blijven hangen op zijn naam met daaronder de woorden die in zijn afscheidsbrief stonden. Ze zijn duidelijk en gedetailleerd in het steen gegraveerd, prikken en steken in mijn ogen als messen overdekt met zuur: De Overstap.

Mijn maag keert zich om en ik bal een vuist. ‘Ad,’ prevel ik. ‘Alsjeblieft…’

Maar er is niemand die me hoort. Niemand die me ziet.

We zijn als as.

We branden, noch gloeien.

We smeulen.

 

De Stiltecoupé

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Is een schrijver wel een schrijver als hij niet schrijven kan? Herman zat al weken met deze vraag maar hij kwam er niet uit. Hij dacht van wel, maar is iedereen die schrijven kan dan al gelijk een schrijver? En als iedereen dan een schrijver is, wat is mijn beroep dan waard? Wat ben ik dan eigenlijk waard? De telefoon ging. Mamma, stond er op het scherm. Hij nam op.

-Mamma, waarom bel je zo vroeg?

-Ik wil dat je vandaag even langskomt.

-Waarom dan? Ik heb geen tijd om helemaal naar Den Haag te komen met de trein.

-Maar ik moet je iets vertellen.

-En dat kan niet via de telefoon?

-Nee.

-Oké. Tot vanmiddag dan.

-Tot vanmiddag.

Herman pakte zijn jas van de kapstok en liep naar buiten.

 

Eenmaal aangekomen op Amsterdam Centraal zag hij dat de normale trein naar Den Haag centraal niet reed en hij twee keer extra moest overstappen, in Leiden en Gouda. Hij stapte in de trein en zag dat er geen plaats meer was.

 

Na deze treinrit was hij eindelijk echt thuis, bij zijn moeder. Hij hoorde de vertrouwde Boudewijn de Groot uit de radio komen, zijn moeder zat aan de keukentafel. ‘Kom lekker zitten, Herman.’ Herman ging zitten en vroeg direct: ‘Wat wilde je nu vertellen?’ ‘Ik heb een nieuwe vriend, hij heet Richard.’ Precies op dat moment kwam Richard binnenlopen. Dat moesten ze hebben ingestudeerd. Herman gaf Richard een hand. Het is zo’n handdruk die men geeft voor een belangrijke wedstrijd. Dit was namelijk een belangrijke wedstrijd. Een wedstrijd waarvan Herman zeker wist dat hij ging winnen, hij had immers ook gewonnen van al die andere vrienden en zelfs van zijn vader. Vervolgens hadden ze een kort gesprek, over onderwerpen waarover men praat als men elkaar niets weet te vertellen.

Om vier uur vond Herman het genoeg en ging weer naar huis met de trein. Tijdens de rit dacht hij na over de relaties van zijn moeder die altijd mislukten. Toch verlangde hij zelf ook naar een relatie, al was het maar om van zijn moeder af te komen en zijn volwassenheid te kunnen tonen.

En daar zat ze, op een ijzeren bankje van het station. Haar felblauwe ogen die niet keken, maar glinsterden. De gouden lokken in haar haren bevestigden de ontelbare waarde van haar schoonheid. Dit was de vrouw waar hij al die jaren op wachtte. En nu wachtte zij op haar trein. Herman liep naar haar toe. ‘Waar moet je naar toe?’ Het was een vreselijke openingszin, maar hij wist niks beters. ‘Rotterdam. Jij?’ ‘Ik moet naar Amsterdam, hoe heet je eigenlijk?’ ‘Anna. En jij?’ ‘Herman’ Ze keken even naar elkaar, zonder iets te zeggen. ‘Zullen we een keer afspreken?’ vroeg ze opeens. ‘Ja, ik kan vanavond, jij ook?’ Herman wilde zo snel mogelijk afspreken, zodat zij zich niet meer kon bedenken. ‘Oké, dan reserveer ik bij restaurant Verona, tot dan!’

Terug in Amsterdam kon Herman nog niet beseffen wat er zojuist gebeurde. Hij ging direct tussen al zijn overhemden op zoek naar de mooiste. Hij keek uit het raam en zag hoe een moedervogel de kuikentjes in haar nestje neerlegde. Met de vastberadenheid van die moedervogel wilde hij ook Anna meenemen naar zijn nestje, om haar nooit meer te kunnen verliezen.

 

Het was kwart voor drie en Herman liep naar het station. De trein die hij moest hebben vertrok immers om zeven over zes, om tweeënveertig minuten later in Rotterdam te arriveren. Zoals gewoonlijk zat Herman in de stiltecoupé. Voor de buitenwereld was hij inderdaad muisstil, maar van binnen maakte hij meer geluid dan ooit. Er vlogen honderden, nee duizenden, gedachtes door zijn hoofd, maar hij wist er geen een te vangen.

18:49. Nog elf minuten om naar het restaurant te lopen. Het heette Verona en was maar vijf minuten lopen van het station, had ze gezegd met haar prachtige zoete stem. Hij liep erheen maar zag Anna nog niet staan. Dan zou ze wel alvast naar binnen zijn gegaan, maar op een of andere manier voelde het niet goed. Ook binnen zag hij Anna niet zitten. Hij keek op zijn horloge. Een over zeven. De tijd klopte, ze moest hier ergens zijn. Hij vroeg aan de ober of er iemand een tafel voor twee om zeven uur had gereserveerd. Tot zijn verbijstering was dat niet het geval. Hij keek nog een keer rond, maar Anna was er echt niet. De vijf minuten terug naar het station leken een uur te worden. En wederom kon hij geen gedachtes vangen, ditmaal omdat er een emotie in de weg zat. Pijn. De meest innerlijke pijn die hij ooit gevoeld had. Met die pijn stapte hij in de trein terug naar Amsterdam. Hij probeerde een verklaring te bedenken waarom zij niet is gekomen. Misschien was het een ander restaurant? Een ander tijdstip? Of was ze mij gewoon vergeten? De enige manier om tot een antwoord te komen was om terug te gaan naar het ijzeren bankje. Die avond stond de tv wel aan bij Herman, maar niets drong tot hem door. Op een nieuwsbericht na. Er was een ongeluk met een trein van Gouda naar Den Haag, met meerdere dodelijke slachtoffers tot gevolg. Heel even dacht hij aan Anna. Morgenochtend, zeven over acht moest hij met de trein naar hun overstap. Met die gedachte viel hij in slaap, op de bank met de stropdas nog om zijn nek.

 

Op het ijzeren bankje, waar eerst Anna zat, lagen nu bloemen. Dit verklaarde alles. Zij zat in die trein. Zij was een van de slachtoffers. De pijn die nu door zich heen schoot, was niet te beschrijven. Zij was vertrokken en het voelde als een plicht om zelf ook te gaan en elkaar zo weer te kunnen zien. Hij zag een passerende trein en besloot dat dit zijn laatste secondes waren. Hij keek de trein recht aan en daarna vertrok hij, op weg naar de eeuwige stiltecoupé.

bloedrood met een zwarte rand

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Ik had altijd van de zonsopkomst gehouden. Een adembenemend schouwspel dat tóch aanvoelt als een eerste, frisse ademteug wanneer je uit een bedompte kamer komt.
Hoe tegenstrijdig het ook is, het was wat ik telkens weer bedacht bij het zien van dit wonderlijke natuurfenomeen.
Het is niet zomaar dat ik mijn verhaal met die woorden begin. Net zomin is het toeval dat ik ze tijdens een zonsopkomst neerpen. Het ochtendlijke spektakel van de zon speelt een belangrijke rol in mijn verhaal. Het was hoe het begon.

Het begin, de drieëntwintigste dag van de maand juli. Vogels floten, vlinders fladderden, kinderen speelden. Alsof het toeval wilde aantonen dat het leven geen sprookje was, bleek dit het begin van een verschrikkelijke dag. Het recht deze woorden uit te spreken verleen ik mezelf niet omwille van een gemiste trein of een geliefd kledingstuk dat door koffievlekken de weg naar de vergetelheid insloeg. Deze dag ervoer ik werkelijk als een zwarte dag, misschien wel de duisterste van mijn hele leven.

Het was nog vroeg. Als een onschuldig kind dat een sneeuwvlokje op zijn tong vangt, als een eenzame dame die bezoek krijgt van iemand die ze liefheeft, als een bruidspaar dat net hun huwelijksgeloften heeft uitgesproken; zo was ik wakker geworden. Gelukkig.
En op dat moment kwam de zon op. Als een voorstelling van het vuur dat mijn ingewanden op een aangename manier verschroeide, zo zag ik haar. Het was alsof die ronde schijf de eeuwigheid wilde aantonen, als een weergave van de duur van onze liefde, dat was hoe het leek.

De zonsopkomst leek mijn geluksgevoel nog te vergroten, ik was er zeker van dat dit was hoe ik de rest van mijn leven wilde doorbrengen, ik geloofde zelfs dat het werkelijk zou gebeuren.

Ik vertrok. Het schijnsel van de zon leek op mijn netvlies gebrand. Overal om me heen waren kleine zonnetjes te zien. Zo ging ik op weg, nagenietend van een zonsopkomst die me had doen wegdromen, hoopvol op een toekomst die me gelukkig zou maken.

Ik dacht niet dat een zonsopkomst met iets te vergelijken viel, met een zonsondergang misschien. Iedere dag opnieuw gebeurde het, de zon kwam op. Toch bleef dit tafereel prachtig en zo uniek. Voor iedereen had het een andere betekenis, we dachten allemaal aan iets anders, maar ondanks dat kende iedereen dat ‘gevoel van zonsopkomst’ en bezorgde het ons allen diezelfde blik. ­­­

Het was net door die gedachten dat ik zo moedig werd, overmoedig.

Romeinen stelden het lot voor als een vrouw bij een rad, rond als de zon. Ze meenden dat we allemaal ons plaatsje hadden op dat rad, bovenaan was er niets dan geluk, het was voor de mensen die alles hadden wat ze wilden. Met één draai kon echter alles keren. Van de top, jouw plekje in de hemelse zaligheid, kon je in de hel belanden, je kon door die ene gebeurtenis alles verliezen waar je om gaf, amper nog hangend aan dat rad waar ook je leven van afhing.

Achter het hoekje wachtte hij me op. Hij had een boeket rozen bij, het rood deed me denken aan een tint die ik diezelfde ochtend nog had waargenomen. De zonsopkomst vulde nog steeds mijn gedachten. Het boeket nam ik voorzichtig aan, zijn hand greep ik gretig vast. Samen vervolgden we onze weg. Waar die ons had moeten heenbrengen doet er al niet meer toe. Samen gingen we voorbij kraampjes met handgemaakte kunstwerkjes, juwelen en decoratiemateriaal. We passeerden langs stalletjes met de meest romantische postkaarten.  Soms wierp hij steelse blikken op me. Daarbij lachte hij, zijn ogen fonkelden, hij gaf een kneepje in mijn hand. Alles wat hij deed leek te zeggen dit is voor altijd. Wij tweeën, wij zijn één.

Die blik, die schittering in zijn ogen, zou ik nooit vergeten.

Ik zag zijn blik in een andere richting glijden. Hij keek naar een winkeltje waar ze de schattigste prulletjes en de zoetste lekkernijen verkochten. Met een glimlachje droeg hij me op te blijven waar ik was. Hij vertelde me dat hij een kerstgeschenk moest kopen, voor het mooiste meisje van de stad, zo zei hij het.

Toen ik die ochtend de deur achter me had gesloten wist ik niet dat de zonsopkomst een nieuwe kleur zou krijgen. Rood, bloedrood met een zwarte rand.

Slechts enkele minuten bleef hij in de winkel, met een zakje kwam hij weer buiten. Het was toen hij de straat wilde oversteken dat het gebeurde, toen zijn glimlach alweer om zijn lippen speelde.

Een knal. Het was het enige wat ik hoorde, vervolgens zag ik de ravage. Overal lagen brokstukken, alles lag bezaaid met puin. Later zou men het een bomaanslag noemen en op zoek gaan naar slachtoffers die onder dat puin begraven lagen. Hij zou nooit gevonden worden. Het cadeautje evenmin.

Op een dag werd ik gillend wakker, badend in het zweet. De beelden, vol kreten en stofwolken, speelden nog in mijn hoofd.

En op dat moment kwam de zon op. Als een voorstelling van het vuur dat mijn ingewanden op een vreselijke manier verschroeide, zo zag ik haar. Het was alsof die ronde schijf de eeuwigheid wilde aantonen, als een weergave van de duur van mijn lijden, dat was hoe het leek.

Anna

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Ik kijk in de spiegel en herken de oude ik niet meer. Het zogenaamde boekenmeisje of ‘de nerd’ is nergens meer te bekennen. Op mijn ogen zit dik zwart poeder en mijn lippen zijn felrood ingekleurd met de nieuwe lippenstift. De blik in mijn ogen is niet meer schattig en verlegen, maar fel en moordlustig. In tegenstelling tot een paar maanden terug, toen ik nog op het gymnasium zat en voor elke toets harder leerde dan de hele school bij elkaar, ben ik gestopt met school en zijn er nog maar een paar dingen die tellen in mijn leven; lef, geweld en geld. En kwam het nu goed uit dat ik precies 7 maanden terug werd geconfronteerd door Bas, leider van een of andere geheimzinnige club in het dorp. Hij benaderde me en liet me zijn leven zien. Een leven vol geld, leuke spelletjes en collega’s. Het was anders dan een baantje als vakkenvuller bij de Albert Heijn, maar hiermee kon ik wel laten zien dat ik niet de nerd was die iedereen dacht. En zo begon ik eigenlijk met het veranderen. Mijn eerste opdrachten waren simpel, pakketjes afleveren bij de adressen. Na een aantal keer ging het me steeds makkelijker af en wilde ik meer. Ik wilde de adrenaline voelen stromen door mijn lijf. Ik leerde binnen het wereldje steeds meer mensen kennen en begon me steeds gekker te gedragen. Ik begon ineens donkere kleding te dragen en haalde onvoldoendes voor toetsen. Na drie gesprekken met de directrice besloot ik gewoon helemaal te stoppen met school. Bas vond het zelfs prima toen ik drie maanden terug bij hem in wilde trekken. Mijn moeder had het hele proces proberen tegen te houden, maar nu zit ze elke avond te janken op haar bed. Volgens haar was de overstap naar deze wereld het ergste wat ik haar aan kon doen, maar het boeide me weinig. Toen ik opdrachten kreeg om mensen het zwijgen op te leggen, voelde ik steeds meer macht. Vorige week was het moment zover. Samen met Bas hadden we een ‘leuk’ klusje. Eén van zijn klanten had niet betaald, dus moesten we ervoor zorgen dat hij die fout nooit meer zou maken. Oftewel, de arme man moest beroofd worden van zijn leven. Behendig ging Bas te werk en zonder enige sporen achter te laten verlieten we het huis van de drugsdealer, de drugsdealer dood op zijn keukenvloer. Ik had me nooit zó goed gevoeld.

Ik zucht als ik mijn blik wegdraai van de spiegel, me neer plof op de bank. Dat gevoel gaat vanavond weer terugkomen. De opdracht was moeilijk. Dit keer moest ik alleen. Ik wist niks van de klant, behalve zijn probleem. Meerdere malen had hij één van onze bezorgers een stomp gegeven, nadat zij enkele minuten te laten kwamen leveren. Volgens Bas moesten we dit niet pikken, en moest ik ervoor zorgen dat hij die stompen voortaan aan zijn eigen kinderen gaf. Volgens Bas had de man een dochter, mijn leeftijd. Het plan klonk simpel; Het meisje was alleen thuis. Parkeer je motor om de hoek, bel aan en schiet twee schoten in het been van de dochter. Veel pijn zal ze ervaren, maar die hufter zal het moeten voelen. Nog nooit was ik zo zenuwachtig geweest. Als een malle bonsde mijn hard, overal in mijn lichaam voel ik de hartkloppingen. Bas bood me dan ook veel, 4 duizend euro, voor een klusje als deze. Zonder gedoe met de politie was dat geld dus zo binnen. Ik sta op en loop naar mijn bed om de inhoud van mijn tas te controleren. Een pistool, een paar leren handschoenen en de sleutels van mijn gloednieuwe motor, gekocht van mijn spaargeld. Met een goed, maar ook slecht, gevoel loop ik de trap af naar beneden, waar Bas en zijn vriendin Marieke me ongeduldig staan op te wachten. Waarschijnlijk zijn de twee net zo zenuwachtig als ik, bang voor een foutje of bang voor politie. Zonder iets te zeggen loopt Marieke op me af en geeft ze me een zoen. ‘Zet ‘m op, Lieke. Dit is jouw kans. Als je bewijst dat je dit kunt, gaan ze je overal boeken.’ Ik bedank haar met een knik en richt me op Bas, degene die me alles heeft geleerd en nu trots naar me kijkt alsof ik zijn dochter ben. ‘Kijk nou, mijn meisje… Je kan dit…’ Zijn woorden bonzen in mijn oren en ik glimlach flauw. Er zit al de hele dag een brok in mijn keel dus antwoorden lukt niet. Zoals afgesproken loop ik naar de motor.

Binnen drie minuten kom ik aan bij het huis. Mijn vingers trillen in de leren handschoenen en het koude metaal van het pistool dringt door de handschoenen door. Zonder te aarzelen stap ik op de deur af. Met een korte druk op de bel hoor ik een vrolijk melodietje. Het duurt en duurt, tot ik gebonk hoor op de trap. Na een kleine worsteling met de sleutel, opent een meisje van mijn leeftijd de deur. Ik kijk haar aan, het pistool in mijn hand en mijn blik vast op haar gezicht. Mijn lichaam trilt en ik kan niet meer ademhalen. Voor mij staat Anna, het meisje dat mij altijd pestte, de groep leidde en me voor schut zette. Het meisje dat mijn schooltijd verwoestte en elke dag de gelegenheid nam om mij van top tot teen te beoordelen. Een moment twijfel ik en weet ik niet wat ik moet doen. Maar voor ze iets kan zeggen, open ik het vuur. Niet twee schoten in haar been, maar drie in haar hart. Een ogenblik blijft ze staan, maar al gauw zakt ze door haar benen, snakkend naar adem. De tranen stromen over mijn wangen en gillend rijd ik weg. Binnen een mum van tijd klinken sirenes van alle kanten. Een doffe knal en een pijnscheut door mijn scheenbeen, een kogel. Met een smak val ik op de grond, de motor bovenop me.

Dit is de ergste overstap die ik ooit heb gemaakt.

Het geluk van het einde

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Ik wist het, ik wist het gewoon. Ik wist dat de dagen voor mij korter werden en dat ik er steeds slechter aan toe begon te raken. Ik kan dingen niet allemaal meer even goed onthouden, het voelt alsof de wereld op me afkomt en de wil om nog door te gaan begint steeds verder in mijn schoenen te zakken. Het begon allemaal een tijdje terug, een tijd die ik, in mijn korte leven, nooit zou vergeten. Het leven is niet altijd even makkelijk voor me geweest. Je kent het wel, ouders gescheiden, slechte jeugd met veel drugs en alcohol misbreuk, kinderen krijgen met de liefde van je leven die uiteindelijk toch van je scheidt. Het gewoonlijke zoals ze het noemen, maar dan ook nog ernstig ziek raken, dat is een nieuwe. Op een grauwe dag midden augustus, kreeg ik te horen dat het niet goed met me ging. Ik moest een jaarlijks onderzoek laten doen bij een gediplomeerde arts, en toen ik al snel telefonisch bericht kreeg wist ik dat er iets niet helemaal in orde was. Ik had een kwaadaardig gezwel aan de bovenkant van mijn brein, ze hadden er ook gelijk bij vermeld dat het ongeneeslijk is en dat ik nog zo’n 5 maanden te gaan heb.

Na 2 maanden had ik mezelf er bij neergelegd, ik ga dood, en ik weet het. Ik ben voorbereidt en klaar om mijn afscheid te regelen. Alleen mijn kinderen… ze hebben een vader nodig. Alhoewel mijn toenmalige vrouw, opnieuw getrouwd is, is dat geen vader voor mijn 6 jarige zoon en 4 jarige dochter. Ik wil mijn afscheid dan ook zo lang mogelijk uitstellen, voor het welzijn van mijn kinderen. Het is mentaal slopend om te weten dat je kinderen zonder jou door het leven zullen gaan. Ik zal niet bij hun eerste vriendje of vriendinnetje zijn, hun eerste rijles of hun trouwerij. Dingen die je als vader koestert, en alles voor zou geven om bij te wonen. Het gesprek dat ik met ze moest voeren was het ergste, het brak me van binnen. ‘’Alissa, luc, papa moet jullie iets vertellen. Papa is ziek, heel ziek.’’ Toen begon ik te huilen en mijn dochter rende naar de voorraadkast toe om een pleister te pakken. ‘’Alsjeblieft papa, nu niet meer ziek zijn hé!’’. Ik kon ze het toen niet vertellen, noem me een watje, het maakt me niet uit. Je kan ook zeggen wat je wil, maar ik geef om mijn kinderen en ik zal er in deze korte periode alles aan doen om ze van een goede toekomst te verzekeren. Een maandje geleden heb ik het nog eens geprobeerd ze het te vertellen, tevergeefs. Dit keer was ik wat standvastiger en heb ik Alissa en Luc echt zo duidelijk mogelijk proberen uit te leggen dat het einde voor mij eraan komt. Ze zijn alleen nog te jong om het echt te snappen, wat mij natuurlijk erg veel pijn doet vanbinnen.

Het is weer tijd voor mijn nachtelijke wandeling. Als je eenmaal zoveel medicijnen als mij slikt blijf je wel wakker. Ik liep naar mijn medicijnenkastje toe, maar voordat ik daar überhaupt kon komen begon ik me draaierig te voelen, mijn hoofd voelde zwaar en voordat ik het weet lag ik met verschrikkelijk pijn op te grond. Het moment dat ik 112 belde is het laatste dat ik me kan herinneren voordat ik in een ziekenhuis bed wakker werd. Die enorme hoofdpijn was nog steeds bonkend aanwezig. Ik merkte op dat ik vastzat aan een heleboel draadjes, en volgens mij hebben ze me zelfs geopereerd. ‘’Meneer Janssen, was het toch’’ hoorde ik ineens vanuit de deurpost. Een simpele ja is het enigste dat ik uit kon brengen. ‘’Het spijt me heel erg dat ik u dit nieuws moet brengen, maar u uitzaaiingen zijn erg verspreidt, waardoor de lever en de longen ook aangetast zijn. Ook heeft u een nieuw gezwel aan de top van uw brein wat niet meer de moeite is om weg te halen. U zult niet lang meer te leven hebben meneer Janssen, het spijt me zeer. Wilt u dat ik uw familie inligt?’’ Mijn hoofd begon te tollen en mijn hartslag ging als een razende te keer. Na al die voorbereidingen, en acceptaties dat het einde eraan komt, kun je nooit écht voorbereidt zijn.

Tien dagen later kon ik niet meer, na veel zwoegen en stoten, en het uiterste uit mezelf halen was ik op. Ik koos voor euthanasie. De dokter heeft er voor gezorgd dat de familie die ik nog had langskwam, en volgens mij zag ik zelfs mijn ex langskomen. Nadat iedereen afscheidt had genomen, en na de meest slopende conversatie met mijn kinderen was het zover. ‘’papa houdt van jullie’’ was het enigste dat ik nog kon uitbrengen totdat de vloeistof mijn lijf binnenkwam en ik mijn ogen voorgoed sloot

Tot mijn verbazing werd ik weer wakker. Alsof ik net een lekker dutje heb gedaan, alleen was alles om me heen niet wat het leek. Het leek alsof ik in mijn eigen huis wakker werd, maar dat het niet mijn eigen huis was. In de keuken hoorde ik ineens een stem. ‘’Beste Niko Janssen, u bent te vroeg van het leven beroofd daarom willen wij iets terug doen. Dit huis is hetzelfde als uw huis zodat u nog kent, zelfs uw vrouw en kinderen zijn aanwezig. Wees niet bang, uw vrouw is hier nog smoorverliefd op u. ik hoop dat u uw rust hier kan vinden in het hiernamaals. Mocht u toch er voor kiezen om naar het ‘’eindeloze’’ te gaan hoeft u maar naar de hoek van de straat te lopen. Veel geluk, groetjes BOT’’ sprak een vage stem naar mij. Ik moest even gaan zitten en denken wat er nu echt aan de hand is, en na een tijdje wist ik het. Dit is de overstap tussen leven en dood. Kiezen om gelukkig door te leven in een fantasiewereld of het ‘’eindeloze’’.

Rood prikkeldraad

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Mijn vingers houden het papiertje stevig vast. Ik heb het gisteren gevonden, vlakbij het prikkeldraad. Mijn broer heeft het voor me achtergelaten. Hij vertelt me altijd hoe het met hem gaat. We houden nu al een zes jaar contact met elkaar op deze manier.

Benieuwd naar wat er staat, vouw ik het briefje open. Als ik hem openvouw, merk ik dat zijn boodschap kort is dit keer. Geen groot stuk tekst die heel kriegelig op elkaar geschreven is.

Het handschrift van mijn broer herken ik meteen. Ik begin met lezen en ontwijk behendig de krasjes en kriebeltjes die niet bij de tekst horen.

Hey

 

Ik ga springen, als niemand kijkt

Er gaan veel meer

14:40 trein

wacht op me

ik hou van je

NIET TWIJFELEN

doei

tot zo

 

Ik raak in paniek en meteen voel ik hoe mijn evenwichtsorgaan met me begint te spelen. Ik voel hoe ik duizelig word en ga op een stoel zitten. Ik probeer mijn duizeligheid weg te drukken, maar het lukt niet. Mijn broer. Hij gaat dood, niemand overleeft de overstap. Niemand.

1 uur. Het is 1 uur. Ik moet hem op andere gedachten brengen! Nu! Meteen daarna realiseer ik me dat dat onmogelijk is. Ik zou hem nooit bereiken voordat hij springt. Als ik hem zie is het al te laat.

Het briefje heb ik onbewust verkreukeld. Ik vouw het opnieuw open. Misschien maakt hij een domme grap. Heeft hij helemaal aan het eind geschreven dat het nep was? Ik speur het briefje af op zoek naar een aanwijzing, maar ik vind niets. Niks anders dan de woorden die zijn dood voorspellen.

Mijn broer wil overstappen. De grens over, voor een beter leven. Hij was een opstandeling, ik niet. Hij kreeg een kutleven, ik niet. Ik leef in een soort luxe. Hier kun je alles krijgen wat je wil, behalve je familie.

Behalve mijn broer zie ik niemand meer. Soms vang ik een glimp van hem op als hij in de trein zit, op weg naar het strafkamp.

Langzaam sta Ik op. Het valt mee. Mijn balans is weer oké en mijn misselijkheid is weer een beetje weggetrokken. Ik sta, maar heb geen idee waar ik heen moet. Ik moet wachten tot hij springt. Misschien, heel misschien kan ik wat voor hem doen. Ik loop naar buiten. Het brute uitzicht vanuit mijn tuin kijkt me meteen aan. Prikkeldraad besmeurd met bloed, lichamen waarvan de gezichtsuitdrukking nog steeds op hun gezicht geplakt zit. Ik kan hun geur bijna ruiken, ook al zijn ze allang dood. Binnenkort kan ik hem ook zien. Zo vaak als ik wil, dood op de besmeurde grond.

Behoedzaam loop ik verder mijn tuin in, alsof de lichamen me elk moment zouden bespringen. Mijn tuin is niet bijzonder mooi, maar prachtig vergeleken met wat ik bij het prikkeldraad zie. Als ik opzij kijk, zie ik de prachtige tuinen van de buren. Ze genieten voluit van dit leven. Ik haat dit leven. ‘Alles wat jullie maar willen als je gehoorzaamt, niets voor degenen die dat niet doen’, waren de woorden van de overheid.

Ik sta in het midden van mijn tuin en staar opnieuw naar het prikkeldraad. Ik weet eigenlijk niet waarom ik dacht dat ik wat voor hem kon doen. Als ik het prikkeldraad ook maar aan zou raken, zou ik al neergeknald worden. Ik kijk naar de wachtposten rondom het prikkeldraad. De wachters staan er. Gefocust en hun geweer geladen. Eén kijkt me even aan met een ijzige blik. Ik zie hoe dof zijn ogen kijken, zijn wallen, zijn helm die te groot is en half afzakt. Ik kijk snel een andere kant op. Is hij straks de persoon die een kogel door het hoofd van mijn broer schiet?

 

Van ver hoor ik de trein al aankomen. De verroeste wielen onder de trein maken een schel geluid. Ik sta op van het tuinbankje. Mensen uit mijn wijk zie ik uit hun huizen komen. Ze lopen naar het prikkeldraad, net als ik. Niemand zegt iets. Alleen onze voetstappen verraden dat we er zijn.

We wachten.

De trein komt dichterbij.

Ik huiver.

Hij overleeft het niet wel niet.

Ik zie hoe de trein langzamer gaat rijden. Ik zie hoe de wachten hun geweer op de aankomende trein richten.

De deuren van de trein schuiven langzaam open. Het bloedbad kan elk moment beginnen.

Ik hou mijn adem in.

Uit de trein komt geschreeuw. Mensen van alle leeftijden stormen naar de openingen van de trein. Ze willen naar de overkant, langs het prikkeldraad. Ze nemen een aanloop en zetten zichzelf met één voet af. Dan springen ze. Ze blijven even in de lucht zweven en dan wordt er op ze geschoten. Sommigen vallen dood neer, andere kunnen doorrennen en proberen over het prikkeldraad te komen. Mijn blik verplaatst zich weer naar de trein. Dan zie ik mijn broer. Zijn blonde haar zit door de war en hij ziet er vermagerd uit. Onze blikken kruisen, heel even. Dan springt hij, net als de rest.

Zijn sprong lijkt de tijd te vertragen. Ik zie hoe hij op de grond terecht komt, begint te rennen naar het prikkeldraad. Naar de andere kant. Waar ik ben. Overal om hem heen worden mensen neergeschoten. Hij kijkt niet om, maar blijft doorrennen.

‘Jeanet!’ Hoor ik hem schreeuwen. Hij is er bijna.

Zonder erbij na te denken, ren ik naar het prikkeldraad.

‘Remco!’ Schreeuw ik terug.

Hij steekt zijn hand naar me uit. Ik doe hetzelfde.

Maar dan zie ik de leegte om hem heen. Alleen hij is nog over.

Ik raak zijn vingers aan. Zijn hand klemt zich om de mijne. Na zoveel jaren voel ik zijn aanraking weer.

Ineens zie ik zijn hoofd kantelen. Mijn hand wordt niet langer samengeknepen. De rode plek verspreidt zich over zijn shirt. Hij laat mijn hand los.

 

De trein nadert. Mensen springen, mensen sterven. Ik kan mijn broer zo vaak zien als ik wil. Maar nooit, nooit zie ik hem meer in de trein zitten.

 

 

 

de brief uit Turkije

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Ik ben Tina, welk beeld heb je nu voor je van mij? Hoe zie ik eruit? Voor jou ben ik waarschijnlijk een 13-jarig meisje met donkerblond haar, blauwe ogen bedekt met een laag make up en iemand die naveltruitjes draagt. Nou, nee dus. Ik ben een Marokkaans meisje met een hoofddoek, zonder een mobieltje en 19 jaar oud. Het komt wel eens voor dat ik word gediscrimineerd en dat mensen me na roepen, het gebeurt weleens dat mijn vader begint over mijn neef die mijn huwelijkskandidaat zou moeten voorstellen, maar het komt zelden voor wat vandaag is gebeurt; er is een brief gekomen van de familie in Turkije. Vroeger gingen die brieven over onze vakantie naar Turkije, feesten en vrij normale dingen. Nu was het anders, héél anders! De ruikend-naar-Turkije-brief viel op de deurmat en zoals gewoonlijk raakte mijn vader hem op. Zijn gezicht betrok toen hij het handschrift van oom Youssef herkende en trok zich met de brief terug in zijn werkkamer. Pas s’avonds kreeg ik te horen wat er in de ruikend-naar-Turkije-brief stond. Mijn familie ging er vanuit dat ik binnen een half jaar met mijn neef zou trouwen, een ‘man’ van 32 jaar oud! Mijn vader stemde toe, ik kon er niet onderuit… Maar het ergste kwam nog, de familie wou dat ik bij hun, ín Turkije zou intrekken en daar mijn ‘toekomst’ zou voortzetten. voor mijn ogen begon het te draaien en het werd zwart voor mijn ogen, toen wist ik niets meer.

Ik werd wakker in mijn eigen bed, op de kamer die ik met mijn zusjes deelde. Op het eerste moment was alles nog normaal, wist ik even niet meer wat er zojuist was gebeurt, op het andere kwam alles weer naar boven en heerste de paniek over mijn lichaam. Ik kneep mijn ogen dicht en probeerde te slapen, zodat ik éven alles zou vergeten. Pas na een paar uur woelen viel de duisternis in.

4 maanden later

Oké, even rustig ademhalen, het zou allemaal goed komen. Zo haalde ik mijzelf over om in de trein te stappen van Utrecht Station naar Ankara, Turkije. Ik bemachtigde een plaats bij het raam en kon het nog net opbrengen om mijn hand op te heffen en naar mijn vader, die buiten stond, te zwaaien. Ik zou naar Turkije gaan, in m’n uppie. De rest van mijn familie, mijn zusjes en ouders zouden na twee weken volgen om bij de bruiloft te zijn. Ik zag er enorm tegen op, maar ik moest, ik kon niet anders…

Maar wat ik toen gedaan heb weet ik nog heel goed, ik ben uitgestapt, niet bij Ankara, maar al in Oostenrijk, ik kon niet nadenken, ik was in trans. Maar ik moést uitstappen, ik moést weg. Na afloop bleek dat het de beste beslissing was die ik in mijn leven zou nemen. Ik stapte over op een trein naar Salzburg en reed zwart, iets wat ik in mijn leven nog niet had gedaan. Pas toen ik uitstapte besefte ik wat ik had gedaan, iets wat in een paar minuten mijn leven had verandert, iets wat nooit geaccepteerd zou worden door mijn familie, ik kon niet meer terug!

Ik reserveerde een kamer in een oud, goedkoop hotel en at een frietje in een snackbar. Uit wanhoop bleef ik weken in Salzburg en betaalde alles met mijn opgespaarde zakgeld, wat ik elke dag zag verminderen. Ik merkte dat ik steeds vaker naar de snackbar ging, niet voor het eten, maar voor een jongen die daar werkte, Heinz. De vonk was ook bij hem overgesprongen, we kregen verkering en ik vertelde hem alles. Mijn leven, mijn reis en mijn bangheid, ik kon alles bij hem kwijt en wonderbaarlijk genoeg kon ik bij hem, in zijn flatje trekken.

4 jaar later

Heinz werkte misschien wel in de snackbar, dat betekende niet dat hij geen toekomst had, het was slechts een bijbaantje zodat hij zij studie voor rechten kon betalen.  Toen hij afstudeerde kon hij bijna gelijk aan de slag bij de rechtbank. We trouwden en kregen 2 kinderen. We hadden een gelukkig leven maar door de jaren heen begonnen mijn schuldgevoelens zich op te stapelen. Via een opsporingsbureau kreeg ik het nummer van mijn jongere zusje Lèila en belde haar na veel overwegingen met knikkende kniën en zweethanden op. Hij ging drie keer over, vier keer, vijf keer, ik hoorde wat gekraak, voetstappen en een plof. Ik fluisterde: “Ik ben het, je zus”. Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn. Ik hoorde een snik, en: “Tina? ben jij dat???”

 

Duizend ballonnen

Posted on: januari 15th, 2017 by Scholieren

Duizend ballonnen

De wolkenwezens bewegen  in het blauw. Ze lijken te leven in hun snelle verandering. Ze omarmen mij met hun witte armen. Opgelost vlak voordat ik ze aan zou kunnen raken. Overal waar ik ben wil ik naar boven kijken. De plafonds met vale kleuren en de kalk dat naar beneden valt, tot de geschilderde verhalen. Als ik loop, volg ik de wegen die in de lucht aangegeven zijn. Met de fiets voelt het alsof ik vlieg met de vogels. Ik zit vast aan duizend ballonnen, die mij meevoeren. Het zoute zeewater raakt mijn gezicht, terwijl ik boven de zee lijk te zweven.

Dromend, dromend ga ik mijn leven door.

Je hebt van die dagen dat de wereld verandert als er een ander licht binnenvalt. En de kleuren veranderen binnen een seconde. Het scherpe blauw wordt omgezet in een warmere gloed. Het moment dat ik niet meer vlieg, maar zweef. Tot het mij loslaat in een botsing. Ik eindig op een plek die ik lang niet meer gevoeld heb. Mijn ogen zien de wolkenwezens niet meer, enkel de harde tegels met voetafdrukken erop. Verbaasd kijk ik op. Ik loop zo vol van mijn schaamte dat het rood overloopt. De woorden van mijn ouders raken mij met een klap. Hoe vaak hebben ze niet geprobeerd mijn hoofd uit de wolken te halen. Ik kijk op. Een hand hangt recht voor mij. Aarzelend pak ik hem aan, bang dat ik de eigenaar op de tenen trap. Hij trekt mij omhoog, de lucht in. Zijn rode haar verstopt zijn ogen, die even oplichten voordat ze terugkeren naar de grond. Zijn voeten zitten vastgenageld aan de stenen, alsof er lood in zit. Hij kijkt naar de schaduwen. Opnieuw beschaamt verlaten mijn ogen hem en zoek ik in de lucht naar de wolkenwezens. Mijn haren waaien naar hem toe, de zijne van hem weg.

Dromend, dromend ga ik mijn leven door.

Hij verbreekt de aanraking en dan als een plotse windvlaag herken ik hem. Van de dagen dat niks bijzonder was en alles zo mooi. De dagen dat groene parken de kastelen waren van mijn gedachtes. Mijn mondhoeken springen omhoog. De vragen beginnen te dagen die ik eerder heb bedacht: is dit vriendschap? Is dit een vriend? Ik nam hem mee de lucht in en hij liet de kracht zien van de grond.

Ik pak zijn hand. Geschrokken kijkt hij op. Ik trek hem mee de wind in, over het zand naar de zee. Hij probeert mij te stoppen. Ik trek harder dan ooit. Tot mijn verbazing valt hij neer in de branding en neemt hij mij mee naar beneden. We laten los. Daar liggen we dan, in een omarming zonder aanraking. Ik voel de koude zee tegen mij aanduwen. Ik zie de vlinders vliegen als zijn lach het geluid van de golfen overstemt.

Dromend, dromend ga ik mijn leven door.

Hij is mijn anker, ik zijn duizend ballonnen. We trekken ons naar elkaar toe, naar een gelijke hoogte. We maken de overstap van onze eigen werelden, naar een oude die we te lang geleden verlaten hebben. De vraag vliegt door mijn hoofd, is dit nou liefde? Is dit één geheel zijn?

Dromend, dromend, gaan wij ons leven door.

Ontwerp door Willem Verweijen