Busstop - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Busstop - Mijn Kort Verhaal

Isabel Rutten

17 jaar - vwo

0
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Isabel Rutten (17 jaar)

? stemmen

Busstop

Een oude man.
Dat is wat iedereen ziet wanneer ze naar mij kijken.
Nou, iedereen? Enkel de mensen die op de bus wachten.
Niet dat dat mij boeit. Het is niet alsof ik de bus moet nemen.
Doordat ik gepensioneerd ben, heb ik alle tijd. En om eerlijk te zijn, ik haat dat. Dus, na een middag vast te zitten op een busstop – die ik gedwongen was om te gebruiken omdat mijn kinderen mijn auto moesten lenen – besloot ik dat dat mijn nieuwe stekkie was.
Het is vast raar om te bedenken, maar ik houd ervan om mensen te bekijken. Vooral nu, in een fase van het leven waarbij het woord “haast” niet meer bestaat.
Op een busstop blijkbaar wel.
Bij de meeste mensen is het onduidelijk wat hun bestemming is. Niet dat dat een probleem is; er zijn in ieder geval mensen.
Dat is denk ik ook een reden waarom ik hier in de lachwekkende haast zit. Er is iets te zien. Ik zie het nut niet in het wederkeren naar mijn appartement waar niemand op mij zit te wachten.  
En wat kan ik nou echt thuis doen? Naar buiten staren? Een boek voor de duizendste keer lezen door het gebrek aan degelijke literatuur? De computer proberen te laten werken om direct voor de zoveelste keer te moeten falen?
Logischerwijs is het antwoord nee.
Maar god, ik haat het moment wanneer de bus wegrijdt en ik me weer realiseer dat ik helemaal alleen ben.

‘Meneer?’
Ik word wakker uit mijn dagdromen en kijk op in het rozige gezicht van een blondharige puber.
‘Ja?’
‘U weet toch van de overstap hier?’
Ik frons. Er is hier maar één bushalte. Enkel bij de halte bij het hoofdstation kun je overstappen. Hier kun je enkel wachten. ‘Ik heb nog nooit gehoord van een overstap hier.’
Hij grijnst. ‘Het is tijd voor u om te gaan.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Het is tijd voor u om de overstap te maken.’
Ik ga rechtop zitten. ‘Ben je me nu aan het bedreigen?’
De jongen zucht geïrriteerd. ‘Waarom zijn oude lui altijd zo traag van begrip?’ Hij kijkt me aan. ‘Het was een rationele vraag, je hoeft het niet te beantwoorden.’
‘Ik weet wat rationeel betekent,’ brom ik. Maar hij ging alweer verder.
‘Heb je niet van mij gehoord? Van je vrienden -hoe heetten ze ook al weer – Peter en Klaas?’
Mijn gezicht trekt bleek weg. Sinds onze geboorte waren Peter en ik onafscheidelijk. Toch scheidden onze wegen toen we beide een baan nodig hadden en het was niet bepaald dicht bij elkaar. Rond de veertig, vijftig, begon hij zich weer te vervelen. Dat is iets wat hij verafschuwde, niets te doen hebben. Dus zocht hij mij op. Onze gezinnen werden hecht met elkaar en het leek alsof we nooit uiteen waren gegaan. Maar toen gebeurde het onvermijdelijke: Peter raakte weer verveeld. Het enige wat men weet over zijn dood is dat hij een auto en een bestemming had. Dat was blijkbaar al genoeg voor een ongeluk.
Klaas? Vriend van universiteit. Ik kan hem nog zo voorstellen – zittend op de bank maar, zodra ik de ruimte binnenkwam die mijn thuis zou voorstellen in de daaropvolgende paar jaar, meteen opstond en me hielp met de talloze dozen die ik mee had genomen. Hij was het soort persoon die je letterlijk met je leven zou vertrouwen.
Nou, hij – hij had simpelweg pech. Je kent het riedeltje wel: kanker, overleven, tweede keer kanker. Niet overleven. Je kon je eigen leven aan hem toevertrouwen, maar hij kon niet het bestaan van zijn eigen leven vertrouwen.
Beiden zo dood als een pier.
Ik probeer kalm te reageren. ‘Wat is er met hun?’ In gedachten vervloek ik mezelf voor mijn trillende stem.
‘Ik heb met hun de overstap gemaakt.’
Ik frons. ‘Hoe-‘
‘Ik ben wat je kunt noemen Magere Hein. Waarom geven jullie me überhaupt zo’n vage naam?’ brengt hij verwijtend uit.

Ik kijk hem diep in gedachten verzonken aan. ‘Maar je-‘
‘Neemt geen bullshit zoals een zeis met je mee?’ Zijn wenkbrauwen schieten omhoog. ‘Verrassend, is het niet?’
‘Hoe kan ik weten dat je de waarheid spreekt?’
‘Wat heeft een puber hier te zoeken? Wat bereik je met zeggen dat je “Dood” bent en daarna weg loopt en niets doet?’ Hij pauzeert kort. ‘Hoe zou ik je overleden vrienden kunnen kennen?’ Hij stoot een kort lachje uit. ‘Ik zou gecondoleerd willen zeggen als we in een andere situatie zaten, maar als er een ding onvermijdelijk is, is het het leven.’
‘Bespot mijn vrienden niet.’ Ik kijk hem intens aan. Ik weet namelijk niet wat ik van een situatie als deze moet maken en dit kwam als enige in me op.
Hij kijkt net zo gewaagd terug. ‘Bespot mij dan niet.’ Hij neemt plaats op het bankje naast me. ‘We kunnen dit op twee manieren afhandelen. Je werkt tegen en je dood lijkt een soort spastische aanval. Men zal het erg betreuren want je stierf “te vroeg”. Óf,’ hij legt de nadruk op dit ene woord, ‘je pakt mijn hand, sterft een vredige dood en we maken samen de overstap.’
‘Waarom blijf je het steeds de overstap noemen?’ Het valt me nu pas op. Over de opties, tja, daar wil ik nog even niet aan denken.
‘Ik wil voor ieder persoon iets persoonlijks betekenen. Tenslotte kan ik niet tegen een agnost zeggen dat diegene naar God gaat. En bij jou – dat leek me gewoon het meest passend. Ook-‘
‘Ik wil je hand pakken.’
‘En wat wil je nog meer pakken?’ Hij trekt uitdagend zijn wenkbrauwen op terwijl een grijns zijn gezicht siert. Zijn blik valt meteen wanneer hij mijn waarom-ben-je-zo-gezicht ziet. ‘Sorry hoor, ik probeer het ook maar licht te houden. Enige laatste woorden?’
Ik dacht snel na. ‘Leef.’

‘Net als je vrouw?’

Ik knik. Bij een hartaanval kun je niet veel zeggen.

Hij knikt en pakt mijn hand. En in dat moment kom ik erachter dat hij – al die tijd – de waarheid sprak.

Ontwerp door Willem Verweijen