Bloedwraak - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Bloedwraak - Mijn Kort Verhaal

Mirthe Westrik

17 jaar - VWO

145
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Mirthe Westrik (17 jaar)

? stemmen

Bloedwraak

Het huis kraakt bij elke windvlaag evenals de houten vloer die kraakt bij iedere stap die ik zet. Ik wil niet dat de vloer kraakt. Het doorbreekt de stilte die ik op dit moment heel hard nodig heb. Vroeger toen ik klein en onbevangen was en met twee staartjes rondliep hield ik van het kraken van de vloer. Het had iets magisch. Ik wist precies welke planken het ergst kraakten en liep altijd expres over juist dié planken heen, tot ergernis van mijn stiefvader die altijd schreeuwde vanuit zijn werkkamer dat ik moest stoppen met het oorverdovende – het waren zijn woorden- gestamp op de vloer. Nu kon hij er niets van zeggen. Nu was mijn stiefvader er niet meer om te schreeuwen om stilte en om me te vertellen dat hij mij haatte. Dat voelde goed. Het is donker afgezien van het kale peertje aan het einde van de overloop. Hij knippert. Aan. Uit. Aan. Uit. Hij knippert op de maat van het tikken van de grote klok die beneden in de eetkamer hangt. Het is een oude houten klok waarvan het tikken tot in alle hoeken en gaten van het huis te horen is. Ik wil dat hij stopt met tikken. Het tikken doorbreekt de stilte die ik op dit moment heel hard nodig heb. Vroeger toen ik klein en onbevangen was en urenlang kon spelen met mijn poppen hield ik van het tikken van de klok. Het had iets vertrouwds. Iets wat hoorde in mijn huis. Altijd om klokslag twaalf uur rende ik naar beneden om zo op tijd te zijn voor het middageten. Als ik te laat was naar mijn stiefvaders zin moest ik weer vertrekken en aten hij en mijn moeder alleen. Zonder mij. Dan liep ik weer naar boven over diezelfde houten vloer waar ik nu ook overheen loop, naar mijn kamer om vervolgens aan mijn poppen te vertellen hoe oneerlijk het was dat mijn schoolvriendjes en vriendinnetjes wel een lieve vader hadden en ik niet. Ik wist dat ik dat tegen niemand anders kon vertellen want als mijn stiefvader erachter kwam dat ik dat vond dan had je de poppen aan het dansen. Naarmate ik verder door de donkere gang loop vallen er steeds meer rode spetters op de houten vloer. Bloedspetters. Het komt van mijn hand. Ik wil dat het bloed weg is. De ijzerachtige geur ervan doet me denken aan vroeger. Aan die keer dat mijn stiefvader mijn heitje-voor-een-karweitje geld afpakte omdat hij dat goed kon gebruiken. Geld ruikt naar ijzer. Dat vond ik bijzonder. Hij vond het achterlijk dat ik dat bijzonder vond; ‘het is immers van metaal gemaakt en daar is niets bijzonders aan.’ Het doet me ook denken aan die keer dat hij me sloeg met een ijzeren buis omdat ik een glas had laten vallen. ‘Het ging niet expres’, zei ik nog. Maar dat drong niet tot hem door. Er drong ook niets tot hem door toen hij mijn moeder voor mijn ogen vermoordde omdat hij erachter kwam dat ze bij hem weg wilde gaan. Het bloed van mijn moeder deed hem niets. De ijzerachtige geur van haar bloed deed hem hoogstwaarschijnlijk alleen beseffen dat hij nu al haar geld kon besteden hoe hij maar wilde. Dat de tralies van gevangenissen ook naar ijzer roken besefte hij niet. Vroeger troostte mijn moeder me altijd als ik was gevallen en er bloed op mijn hand zat. Dan plakte ze er met veel beleid heel zachtjes een pleister op en vertelde ze me met alle lieve woordjes die er bestaan dat ze van me hield. Helaas was een pleister niet genoeg om háár wonden te helen. Toen ik mijn moeder daar had gezien, op dat bed met lakens die eens wit waren, brak ik mentaal. Ik begon in mijn eigen hoofd te leven en ik kwam er niet meer uit. Ik zonk steeds dieper en dieper. Gedachtes overspoelden me alsof het elke dag vloed was. Beelden schoten door mijn hoofd. Er was nooit een moment van eb. Ik werd volkomen ondergedompeld in mijn eigen gedachtes die van buitenaf niet van mijn gezicht af te lezen waren. Nu wel. Ik voel mijn ogen branden als ik terugdenk aan alle dingen die zijn gebeurd in dit huis. Dit huis met intens veel herinneringen die ik het liefst vergeten zou. Maar ik besef me, dat ik er zojuist nog een herinnering aan toe heb gevoegd. Eentje die vers in mijn geheugen staat en er nooit meer uit zal gaan. Een traan vindt zijn weg naar buiten en rolt over mijn wang waarna hij op de grond valt. Bloed met tranen. Ik vervloek mezelf omdat ik moet huilen. Ik probeer het tegen te houden maar het lukt niet, het kan niet. De eenzame traan was als het eerste schaap dat over de dam was en nu volgen er meer. Ik veeg ze weg. Net als vroeger. Ik zet een voet over de drempel van het huis en loop naar buiten. De deur valt met een harde klap achter me in het slot. Ik weet precies waar ik heen loop. De brug is niet ver weg. Eenmaal bij de brug leun ik over de reling en staar ik naar het gitzwarte water dat een grote aantrekkingskracht op me uitoefent. Het water lijkt me te roepen. Ik zet een voet op de reling. Ik weet dat ik het wil maar ik twijfel. Het is hoog, heel hoog. Langzaam zet ik ook mijn andere voet op de reling en balanceer ik op het randje. Mijn gedachten razen als een wervelwind door mijn hoofd. Ik staar naar het water en bedenk me hoeveel rust ik zal hebben. Als ik naar mijn handen kijk weet ik het zeker. In tegenstelling tot vroeger is het bloed op mijn handen dit keer niet de mijne. Het is het rode bloed van mijn stiefvader. En dat beseffend stap ik over de reling. Een paar seconden later is het stil. En zijn het niet mijn gedachten, maar het water dat mij overspoelt.

Ontwerp door Willem Verweijen