Bloedkermis - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Bloedkermis - Mijn Kort Verhaal

Moosha Le Noir

17 jaar - ASO

1
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Moosha Le Noir (17 jaar)

? stemmen

Bloedkermis

Het is hier kil en vochtig. Ik kijk wat om me heen en zie een muis de laatste restjes brood van de grond eten. Overal rondom mij zijn er muren.
Ik zit hier nu al een lange tijd, rond de 3 weken schat, ik. Ik ben helemaal alleen en mijn tijdsbesef is volledig weg. Ik vind het moeilijk, maar het moet van mijn hart, dus ik denk dat het nu de juiste moment is om mijn verhaal neer te pennen.
Alles begon 5 weken geleden. Ik zat samen met mijn vrouw en dochtertje Aline op de zetel. Zoals gewoonlijk keken we samen naar het journaal van zeven uur. Veel nieuws was er niet, totdat er een bericht kwam over een donkere man, gewoon een Belg trouwens, die in elkaar werd geslagen door de politie. Ik schrok er niet echt van. Dat soort dingen gebeurden wel vaker, maar toch bleef het me bij. Waarom ondernam de regering niks tegen racisme? Men kon hier toch niet zomaar mee akkoord gaan?
Na dit nieuwsbericht begonnen bepaalde dingen me meer en meer op te vallen. In dagdagelijkse situaties zag ik racistische opmerkingen. Ik zocht in ieder gesprek naar de verborgen boodschap. En zo ging het maar door. De spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen, was toen ik ‘s ochtends boodschappen ging doen bij mijn vaste supermarkt. Ik had mijn auto nog maar net geparkeerd toen  een oudere man tegen me begon te schreeuwen: ‘Ga terug naar je eigen land, neger!’ Ik was woedend, maar kon het hem niet echt kwalijk nemen. Hij hoorde natuurlijk niet anders dan dat donkere mensen stelen, vechten of van anderen profiteren. Het idee dat ik iets moest ondernemen, spookte door mijn hoofd. Langzaam maar zeker vormde zich een plan.
Via een vriend van mij kwam ik in contact met een wapenhandelaar. Hij gaf mij wat uitleg over de verschillende soorten wapens en uiteindelijk tikte ik een simpel machinegeweer op de kop.
Het plan kreeg langzaamaan meer vorm. Wat mij betrof, kon ik niet snel genoeg in actie komen. Die zondag, had ik besloten, was het zover. Het was kermis in de stad en dus de ideale gelegenheid om mijn plan uit te voeren. Tegen mijn vrouw zei ik dat ik met mijn vrienden iets ging eten die avond en dat we alvast iets gingen drinken.
Ik stapte de deur uit met een vreemd gevoel. Heel even sloeg de twijfel toe. Moest ik dit wel doen? Dat gevoel zette ik snel van mij af. Ik moest dit gewoon doorzetten. Ik stapte op mijn fiets en vertrok naar de kermis. Bij de Korenmarkt aangekomen, zette ik hem op slot. Ik had een lange jas aangetrokken en verstopte het geweer onder mijn riem. De zenuwen sloegen toe. Ik wandelde richting de Vrijdagsmarkt, waar de kermis was. Hoewel niemand iets leek te merken, had ik toch het gevoel dat ik langs alle kanten bekeken werd. Opnieuw begon ik te twijfelen. Ik had net besloten dat ik beter naar huis terug kon keren toen een vrouw en haar zoontje langs mij liepen. De vrouw trok haar kind verder van mij weg. Dat zorgde voor een klik in mijn hoofd. Ik pakte mijn geweer en begon te schieten. Ik dacht niet meer na en kogels vlogen alle kanten op. Ik hoorde langs alle kanten geschreeuw. Mensen liepen weg en overal was er bloed. De anders zo gezellige kermis was nu een echte bloedkermis geworden. Pas na een paar minuten werd ik terug rustig. Ik voelde me leeg. In de verte hoorde ik de sirenes loeien. Pas op dat moment besefte ik pas wat ik gedaan had. Ik schoot in actie en zette het op een lopen. Ik liep zonder te weten waar naartoe. Naast me zag ik een vervallen huis en ik vluchtte hijgend naar binnen. Ik viel op de grond en probeerde wat op adem te komen. Toen ik weer wat rustiger was, pakte ik mijn gsm uit mijn jaszak. Ik zag dat ik een berichtje had. Het berichtje bleek van mijn vrouw te zijn: “Hey schatje”, schreef ze, “alles goed daar bij je vrienden? Niet te veel drinken hè! Aline is samen met nonkel Fred naar de kermis. Kan jij haar straks gaan ophalen?” Het drong eerst niet echt tot mij door, maar dat moment was snel voorbij. Ik besefte wat ik had gedaan. Ik had onschuldige mensen vermoord. Zelfs mijn eigen dochter! Mijn wereld stortte volledig in. Ik wist me met mezelf geen raad. Wat zat ik hier eigenlijk te doen, in een vervallen huis dat stonk en bijna in elkaar stortte? Ze vonden me toch wel. In een opwelling belde ik de politie. “Goedendag, wie bent u en waarom belt u?”, klonk het aan de andere kant van de lijn. Ik gaf allerlei gegevens door en vertelde, in zoverre dat dat mogelijk was, wat ik had gedaan. Daarna hing ik op. Al na vijf minuten hoorde ik sirenes, maar ik verroerde me niet. De politie stormde met een man of tien binnen. Als ik niet de dader was geweest, had ik het vast ongelooflijk spectaculair gevonden, maar helaas kwamen ze wel voor mij. Ik werd tegen de muur gedrukt en mijn schouders gingen zowat uit de kom toen mijn armen achter mijn rug geboeid werden. Het daaropvolgende moment zat ik in de politiecombi op weg naar het kantoor.
Nu zit ik hier. In de gevangenis. Toch voel ik me opgelucht. Ik ben blij dat ik mijn verhaal eindelijk heb kunnen opschrijven, maar het is genoeg geweest voor mij. Ik kan het niet meer aan. Ik weet niet wat ik nog heb aan dit leven. Ik heb spijt, véél spijt en ik zal de laatste dagen van mijn leven in de gevangenis moeten slijten. Het heeft geen zin meer. Ik pak het touw dat ik deze ochtend heb weten te bemachtigen door stiekem de opslagruimte binnen te sluipen. Ik kijk nog een laatste keer rond en daarna hang ik mezelf op. Ik maak de overstap naar een andere wereld.

Ontwerp door Willem Verweijen