Blindgestaard in de duisternis - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Blindgestaard in de duisternis - Mijn Kort Verhaal

Femke van de Griendt

16 jaar - gymnasium

1
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Femke van de Griendt (16 jaar)

? stemmen

Blindgestaard in de duisternis

Als me naar mijn lievelingskleur werd gevraagd, zei ik altijd dat ik het niet wist. In tegenstelling tot de meeste vijfjarigen kon ik niet kiezen. Alle kleuren van de regenboog spraken me aan, maar allemaal net niet genoeg om te worden uitgeroepen tot mijn favoriet. Omdat alle kleuren een positieve, maar ook een negatieve associatie hadden, noemde ik ze altijd of allemaal, of ik noemde er geen.

Dat zijn nou eenmaal dingen waar je je als je vijf bent mee bezighoudt. Een lievelingsdier had ik overigens wel: een duizendpoot. Ik werd blij van de veelzijdigheid en tegelijkertijd de verwarring die zo’n beestje oproept. Er is zo veel om naar te kijken, dat je het overzicht kwijtraakt.

Inmiddels ben ik tien jaar, acht maanden, veertien dagen en drie uur ouder en ben ik erover uit. Juist in de periode waarin ik me niet meer met die voorheen o zo cruciale vraag bezighield – vriendenboekjes die naar je favoriete kleur vragen hoefde ik toch niet meer in te vullen – vond ik het antwoord. Ik wist het niet; niet omdat ik niet kon kiezen, maar omdat alle kleuren overschaduwd leken.

Het besef kwam plots, op een dag als alle anderen. Ik zat in de trein, in het midden van de wagon, bij zo’n vierpersoons plek met een tafeltje. Ik werd niet heen en weer geslingerd, maar ik zat stil. Niet in een hoekje verstopt, maar gewoon in het zicht, daar op die bank met mijn tas naast me – ik zat immers alleen. Ik kon me inhouden en strekte mijn benen niet uit op de bank voor me. Nu leek het tenminste nog alsof ik open stond voor nieuwe dingen en nieuwe mensen. Tegelijkertijd keek ik weg, uit het raam. Starend in de verte. Oneindig ver, naar een punt dat ik nooit zou bereiken.

Ik keek zo geconcentreerd naar dat ene punt, dat ik vergat om me heen te kijken. Ik verwonderde me niet meer zoals je je als klein kind verwondert als je voor het eerst met de trein reist. Dan is alles nieuw en gaat er een wereld voor je open. Zolang je mama’s hand maar stevig vasthield, kon er niks gebeuren. Het leven was een avontuur, altijd feest. Toen ik vijf was, keek ik overal naar, ongegeneerd nieuwsgierig, en stelde vragen bij alles wat ik zag. In plaats daarvan zag ik mijn omgeving nu langzaam uit een ooghoek verdwijnen.

De stukjes van de puzzel die ik op moest lossen zweefden al de hele tijd voor me; ik had ze moeten zien, maar ik wilde er blijkbaar niet naar kijken. Als ik ze wel zou durven aangrijpen, had ik ze al lang goed bekeken en had ik ze als geheel in elkaar gepast en was het me jaren geleden al gelukt. Nu heb ik me er blind op gestaard, soms met mijn ogen dicht, want dat maakte toch niet uit.

Ik staarde zo lang dat alles om me heen vervaagde, alles werd weggezogen. Zelfs dat ene punt zelf was er op een gegeven moment niet meer. En toen wist ik het. Zwart. Pikdonker, zo donker dat ik niks meer kon waarnemen. Er was niks meer, ook geen overzicht meer om kwijt te raken. Maar waar ik daar vroeger bij een duizendpoot blij van werd, was ik nu weggevallen in een diep, zwart gat.

Zwart is geen kleur zoals andere kleuren; zwart is het gebrek aan licht. Daarom kon ik op mijn vijfde niet benoemen wat er aan de hand was met al die kleuren en kon ik niet aangeven waarom er niet een kleur als favoriet uitsprong. Zwart zat me dwars, ook toen al.

Nu ben ik tien jaar, acht maanden, veertien dagen, drie uur en achttien minuten verder en we naderen de volgende halte. Mensen staan op. Alleen de dapperen durven een andere weg in te slaan of hun eigen weg te creëren. In de trein van het leven rijd je namelijk, als je niet oppast, rechtstreeks naar het eindstation. Misschien maak je wel eens een uitstapje, maar de meeste mensen keren altijd terug naar het hoofdnet. En daar blijven ze ook, tot hun tijd voorbij is.

De meeste mensen hebben liever geen onbekende overstap op weg naar hun eigen eindpunt. Mijn oma niet omdat ze niet meer zo goed ter been is, mijn moeder niet omdat ze dan ongestoord verder kan lezen. En ik niet, omdat ik de onzekerheid niet aandurf… of beter: niet aandurfde.

Ik zit in de trein van het leven met een vastgelopen dienstregeling en besluit op dat moment over te stappen. Over te stappen, op naar een nieuw begin. Ik heb niet opgezocht welke volgende trein ik ga nemen; ik trek mijn eigen pad en stap uit de trein waarin ik zo toevallig vijftien jaar, acht maanden, veertien dagen, drie uur en twintig minuten geleden ben beland en nu ben gestrand.

De trein rijdt het station binnen. Mensen staan klaar om de sleur van het leven te ontvluchten. Het leven had mij inmiddels met rust gelaten, had me laten zitten – nee, ík was gewoon blijven zitten. Nu til ik eindelijk de zwarte deken op om eronder vandaan te kruipen.

Als de deuren open gaan, storm ik als eerste de trein uit. Nu is het aan mij om mijn ogen te openen. Om het licht waar te nemen opdat de kleuren weer verschijnen. Om het zwart uit mijn leven weg te jagen. Om terug te gaan naar mijzelf als vijfjarige, toen ik me nog verwonderde over de wereld en toen ik alle kleuren even mooi vond. Want ik hoef helemaal niet te kiezen.

Ontwerp door Willem Verweijen