Als as - Mijn Kort Verhaal - Mijn Kort Verhaal Als as - Mijn Kort Verhaal

Rani De Vadder

19 jaar - ASO

80
stemmen

Deel dit verhaal

Stemmen
niet meer
mogelijk

Je hebt
gestemd!

Rani De Vadder (19 jaar)

? stemmen

Als as

Ad zei altijd tegen me dat mensen laf zijn. Hij haatte het. Hij haatte hen.

Ik weet nog hoe we samen in de boomhut waren gekropen, ons krampachtig vasthoudend aan de touwladder die vervaarlijk tegen de stam sloeg. Toen ik een misstap zette, mijn voet wegglijdend over het glibberige hout, nam hij mijn hand vast, wikkelde zijn vingers als touwen om de mijne en hees me met gemak omhoog.

Met bonzend hart krabbelde ik weg van de rand en drukte mijn doorweekte rug tegen de muur, die kraakte als brekende botten onder zware druk. Mijn hart bonkte tegen mijn borst als een hamer, dreunde in mijn oren en vibreerde in mijn hete bloed. ‘Wat is er?’ vroeg ik na een lange stilte.

Hij wrong zijn shirt uit en staarde naar de waterdruppels die omlaag vielen, de diepte in. Zijn schouderspieren spanden aan, zijn kaakspieren evengoed – er lag iets op zijn hart. ‘Weet je, Rianne,’ zei hij me zonder om te kijken, ‘de wereld is verkloot.’

Dat geloofde ik meteen.

‘De wereld is niet enkel verpest door wat de mens doet met de natuur,’ ging hij door. Het kon hem niet schelen of ik luisterde – ik luisterde altijd. ‘Hij is verkloot door de mensen zelf. Ze zijn laf. Zwak. Kwetsbaar. Ik háát het hier.’

Mama had me op het hart gedrukt dat ik moest stoppen met het zien van Ad; hij was vreemd, obsessief, wispelturig en misschien zelfs labiel. Ze wantrouwde hem, en ik haar.

‘Ik snap het,’ zei ik. ‘Ik ook.’

Ad zweeg een tijdje en staarde naar de bomen die wiegden in de oprukkende wind. Hij stak een hand in zijn broekzak, viste er pakje sigaretten uit en een aansteker. Zijn ogen gleden naar mijn gezicht en hij glimlachte – heel even. ‘Ik weet het.’

Zwijgend stak hij een sigaret tussen zijn lippen en hield het sputterende vlammetje ervoor. Flauwe rook krinkelde als slierten mist de lucht in en bleef hangen onder het plafond van de houten hut. Ik staarde ernaar, mijn ogen begonnen te branden, en knipperde niet.

Ad schuifelde naar me toe en sloeg een arm om me heen. Ik begroef mijn gezicht in zijn shirt, snoof zijn vertrouwde geur op en dacht na over zijn woorden. Natuurlijk had hij gelijk – Ad had altijd gelijk. De wereld was een plek vol leugens en geheimen en de mens was een verraderlijk wezen met een leugenachtig hart.

Ik snapte hem. Meer en meer.

‘We kunnen weglopen.’ De woorden verlieten mijn mond voor ik er erg in had. Ze kwamen en kwamen en kwamen en ik verloor mezelf erin, verdronk in de stroom. ‘Nu. Samen. Ver weg.’

Maar Ad legde een hand tegen mijn wang, de sigaret verloren tussen zijn mondhoeken. ‘Je weet dat zoiets niet kan, Rianne,’ zei hij glimlachend. ‘Je weet het.’

‘Ik wil niet dat je…’ ik aarzelde. ‘Dat je jezelf iets aandoet.’

Hij zweeg, tuurde voor zich uit en blies loom een paar rookpluimen naar buiten. Ze zweefden door de lucht, zwommen in de ruimte tussen ons en losten op in de regen. ‘Rianne…’ Zijn toon was streng, gedecideerd. Ik haatte het als hij zo tegen me praatte, alsof ik een klein kind was. ‘Je…’

Ik schudde mijn hoofd, nam de sigaret vast en nam zelf een trekje. De rook schoot door mijn longen en ik probeerde niet te hoesten, maar de neiging was te sterk en ik kromde mijn rug terwijl ik het geluid trachtte in te houden.

Hij grijnsde even, kort.

‘Nee, Ad,’ zei ik. ‘Niet doen. Als we niet weglopen, kunnen we ook hier gelukkig zijn. We kunnen genieten van elkaar en een toekomst opbouwen. Je weet dat niet alles hier rot is, ook al heb je nog zoveel meegemaakt.’

Zijn blauwe ogen werden donker, overschaduwd met zorgen aan een vroegere tijd. Hij verstrakte, zijn hele lichaam gespannen als van een veer. Zijn mondhoeken zakten naar beneden, wezen treurig naar de grond en diep, dieper, diepst. Hij ademde uit. ‘Ik kan het niet, Rianne. Je… je hebt geen idee.’

Ik voelde hem tussen mijn vingers uitglippen als ongrijpbaar water. Mijn hart versnelde, paniekerig en wanhopig, dus ik boog me naar hem toe. Ik zou hem niet laten gaan en hij zou bij me blijven. Mijn lippen vonden de zijne, traag, toch zeker.

Ik kuste hem, maakte hem duidelijk dat hij moest blijven – dat ik hem nodig had. Wanhopig als ik was, verloor ik mezelf in dit moment en ik overtuigde mezelf ervan dat hij dat ook deed. Dat móést.

Maar toen we eenmaal stopten, elkaar lang aankeken en ik glimlachte, hadden zijn ogen nog nooit zo, zo triest gestaan.

‘Ad…’

Zijn hand op mijn wang. Ruwe, warme huid. ‘Rianne…’

‘Alsjeblieft…’

De sigaret doofde, werd donker en zwart. Was niet meer dan as. Kon zo vervagen.

‘We zijn als as,’ zei hij. ‘Noch branden, noch gloeien. We smeulen.’

 

***

 

Ad’s lichaam wordt een week later teruggevonden.

Hij was depressief, werd er gezegd. Hij was gek.

Ik weet wel beter, denk ik terwijl ik naar zijn graf staar. Het is simpel met weinig opsmuk – perfect zoals hij het gewild zou hebben – en de enige versiering die er is, zijn de twee donkere rozen die verschrompelen tot niets onder invloed van de tijd. Ik staar naar de bloemen. Denk aan ons en hoe ook wij verschrompelden.

De assen van de sigaret.

Smeulend, maar niet langer brandend.

Mijn ogen blijven hangen op zijn naam met daaronder de woorden die in zijn afscheidsbrief stonden. Ze zijn duidelijk en gedetailleerd in het steen gegraveerd, prikken en steken in mijn ogen als messen overdekt met zuur: De Overstap.

Mijn maag keert zich om en ik bal een vuist. ‘Ad,’ prevel ik. ‘Alsjeblieft…’

Maar er is niemand die me hoort. Niemand die me ziet.

We zijn als as.

We branden, noch gloeien.

We smeulen.

 

Ontwerp door Willem Verweijen